Broedertwist

Hans van der Beek: Wees gegroet. Nijgh & Van Ditmar, € 18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

In Wees gegroet, zijn tweede roman, neemt Hans van der Beek ons mee naar Rehetobel in het noordoosten van Zwitserland. De broer van Jannes Notenboom, Henri, is daar, in ‘het nieuwe Vaticaan, al weet nog niet iedereen dat’, priester bij de Nieuwe Christenen die worden geleid door de Zwaard-Bisschop, ‘zwaard’ te verstaan als het woord Gods. Nikolaus Schneider kreeg van God de opdracht: “Wees jij Mijn Zwaard-Bisschop! Je bent er om de onwetenden te onderrichten en de geheime machinaties van Satan te onthullen.” En: “Neem Mijn kerk mee!” Zodoende. Nikolaus was toen nog wel getrouwd met Paula, maar om haar man in staat te stellen om zijn roeping als Gods werktuig te volgen, offerde zij haar huwelijk op; de Nieuwe Christenen vereren haar als Moeder Paula. De Zwaard-Bisschop zelf houdt zich onledig met het verrichten van wonderen. Een morsdode bejaarde loopt door zo’n wonder weer dagelijks de berg op en af, levend en wel, en net zo gemakkelijk geneest de Zwaard-Bisschop een hond van kanker.

Wat een hoop onzin haalt Van der Beek erbij, denk je in eerste instantie. The Da Vinci Code is er niets bij. Maar als je voor de grap even googlet op ‘zwaard-bisschop’ zit je voordat je er erg in hebt op de site van de Nieuwe Christenen en kijk je de Zwaard-Bisschop recht in het charismatische gelaat. Ook van Moeder Paula is er een plaatje.

Of Hans van der Beek ook zelf naar Rehetobel is gegaan en zoals zijn hoofdpersoon Jannes de vertrouweling van God heeft ontmoet, weet ik niet; hij heeft in elk geval geen decorstuk hoeven verzinnen, en het verhaal over de goddelijke opdracht en de daaruit voortvloeiende wonderen is ook aan de werkelijkheid ontleend. De Zwaard-Bisschop heeft de waarheid in pacht, daar kun je als schrijver niet tegenop fabuleren.


De roman draait zoals gezegd om Jannes, iemand die sinds zijn schooljaren aan de bar is blijven hangen, zij het dat hij die positie heeft gelegitimeerd door barman te worden. Net als zijn vader houdt hij nogal van een glaasje. Henri is de oudere broer, in alles Jannes’ tegendeel. Hij weet al vroeg dat het priesterschap zijn roeping is. Na een ontmoeting met Nikolaus de Zwaard-Bisschop zweert hij het valse rooms-katholicisme af en wordt hij lid van de Nieuwe Christenen.

Tien jaar nadat hun moeder is overleden aan kanker ontmoeten de broers elkaar. Jannes rijdt naar Zwitserland om zijn broer van alles en nog wat voor de voeten te gooien.

Geregeld grijpt Van der Beek terug op de jeugdjaren van de broers. Echt boteren heeft het tussen hen nooit gedaan; het kwam zelfs wel eens tot handgemeen. Ze zijn nu ouder, maar wijzer? De lezer is getuige van hun discussies die eruit bestaan dat Henri op alle vragen die Jannes stelt een antwoord klaar heeft. Een vervelende kwezel, die man, bovendien een crypto-antisemiet, een samenzweringsfetisjist. En wat te denken van de stelligheid waarmee hij beweert dat de ziekte van hun moeder een straf van God was?

Door zijn ironische taalgebruik maakt de schrijver er geen geheim van naar wie van de beide broers zijn sympathie uitgaat. Soms is die ironie ook weleens vermoeiend, want Van der Beek komt graag lollig uit de hoek. Bij Henri gaat hem dat niet goed af, omdat deze priester alles meent wat hij zegt. Zo is de beschrijving van een kroeg en haar clientèle in Rehetobel ook leuker dan wat Van der Beek Jannes over de Nieuwe Christenen in folders laat lezen. Er moet nogal veel worden uitgelegd.


Ronduit ontroerend is daarentegen het openingshoofdstuk over het sterfbed van de moeder.

Jannes’ onmacht in deze ontluisterende doodsstrijd is hier bijna tastbaar.

Frank van Dijl