Charmante lefgozer ruimt Amsterdam op

Een Oranjefeest, een zedencrisis en de eerste rel met de korpschef van politie. De wittebroodsweken van de Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan (55) zijn definitief voorbij. Op het stadhuis wordt hij ervaren als een verademing. Of, zoals een VVD’er het zegt: ‘Met Van der Laan is het meters maken.’

Op de eerste vraag over de actualiteit van de dag veinst Eberhard van der Laan in zijn Amsterdamse burgemeesterskamer verbazing: “Het gaat toch niet over de korpschef?”

Uiteráárd gaat het over de korpschef. Bernhard Welten heeft de avond ervoor VVD’ers en PVV’ers in de gordijnen gejaagd met zijn uitspraak geen vrouwen in een boerka te arresteren wanneer het boerkaverbod wettelijk is geregeld. Op het Binnenhof is het de volgende dag vechten om Welten de oren te wassen. Van der Laan pakt het zojuist opgestelde persbericht erbij – “Dit wil ik zorgvuldig doen” – en leest voor. Het komt erop neer dat Amsterdam de wet zal handhaven, met inbegrip van het boerkaverbod. Maar dat verbod is er nog niet. Den Haag zou er volgens de Amsterdamse burgemeester dan ook verstandig aan doen Weltens zorg over de uitvoerbaarheid van die wet ‘mee te nemen’. Nee, Van der Laan wist niet dat Welten dit zou gaan zeggen. “Maar ik ben ook niet geschokt van de bank gevallen.”

Na zijn benoeming tot burgemeester, vorig jaar juli, had Van der Laan de hoogste politieman in de stad wel duidelijk gemaakt dat hij niet voor verrassingen wil komen te staan – Welten heeft een reputatie op dit gebied. Maar de boerka-uitspraak heeft vooralsnog niet tot een relatiecrisis geleid.

Rijnsburg 1970: een vijftienjarige knaap koopt met zijn kameraad voor tien gulden een motorfiets. Dat lijkt hem een goed alternatief voor de brommer die hij van zijn ouders niet mag hebben. Te gevaarlijk, vindt zijn moeder (een helm voor brommerrijders is dan nog niet verplicht). Na het sluiten van de koop bedenkt de branieschopper nog wel dat je niet zomaar op een motor kan gaan rijden. Je moet wel verzekerd zijn. Dus probeert hij dat bij een verzekeringsagent in het dorp te regelen. Maar helaas, de agent neemt poolshoogte bij het doktershuis aan het Rapenburg. Of het de bedoeling is dat er in huize Van der Laan een motor wordt aangeschaft?


Deze anekdote typeert Eberhard Edzard van der Laan (1955), de burgemeester van Amsterdam. Hij is een lefgozer die altijd een gaatje ziet voor een oplossing en zich tegelijkertijd ook verantwoordelijk voelt. Geboren in Leiden, opgegroeid in Rijnsburg. Een waardeloze scholier die, zegt hij, op het lyceum vooral spijbelde, maar uiteindelijk cum laude afstudeerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Hij was het nakomertje in het gezin, waar de strijd tussen ouders en kinderen al door zijn vier zussen en zijn (inmiddels overleden) broer was gevoerd. Vader Edzard Ebel van der Laan, huisarts, hield erg van een gebbetje. Dorpsgenoten herinneren zich nog de geur van zware shag uit de mond van de dokter wanneer ze bij hem in de spreekkamer zaten. Van der Laan typeert zijn vader als een werkbeest. Niet aan de zijlijn blijven staan, je móet je ertegenaan bemoeien. Het dorp in de Bollenstreek kende hem als een sociaal bewogen man. Wie geen geld had voor de bevalling, mocht betalen wanneer er wel geld was. Van der Laan junior mag graag vertellen hoe dertig jaar na een gratis bevalling een Mercedes kwam voorrijden om alsnog de rekening te voldoen.

De zoon keek op tegen zijn vader, tevens gemeenteraadslid voor de ARP. Sociaal bewogen, maar conservatief als het ging om euthanasie of abortus. Moeder Jo van der Laan-Boelens, een meer naar binnen gerichte, intelligente Groningse vrouw, was daar vooruitstrevender in. Vader het hart, moeder het hoofd. Hoewel beide ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet hadden gezeten, hing de oorlog nooit als een donkere wolk boven het gereformeerde gezin. De PvdA’er Van der Laan hield er wel een grote belangstelling aan over voor de rol van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek over dit onderwerp zit al jaren in zijn hoofd, maar voorlopig komt het er niet uit.


Dat hij arts zou worden, stond vast. Uitgeloot op de Nederlandse universiteiten trok Van der Laan naar Brussel voor een studie medicijnen. De kost verdiende hij met pokeren en de illegale verkoop van orchideeën aan winkels – die werden hem geleverd door ome Bert, bloemenhandelaar te Rijnsburg. Het was een handeltje waar de Belgische autoriteiten niet bijster gelukkig mee waren.

Toen Van der Laan hoorde dat hij na een jaar studie in Brussel niet mocht overstappen naar een Nederlandse universiteit, hield hij de stad voor gezien. Na weer te zijn uitgeloot voor geneeskunde in Nederland, koos hij rechten. Hij werd naar eigen zeggen meteen gegrepen door de materie. In 1984 begon hij als advocaat in Amsterdam, bij Van Doorne & Sjollema. Acht jaar later richtte hij met Marian Kennedy het kantoor Kennedy Van der Laan op, gespecialiseerd in civiel recht.

Het harde werken zit de calvinist Van der Laan in het bloed. Naast fulltime advocaat is hij tussen 1990 en 1998 gemeenteraadslid in Amsterdam, de laatste vijf jaar als fractievoorzitter. In 2006 en 2010 staat hij als informateur en formateur aan de basis van het nieuwe stadsbestuur in Amsterdam. Hij staat bekend als ‘de loodgieter’, de troubleshooter. Op 2 november 2004, een kwartier na de moord op cineast Theo van Gogh, belt hij Job Cohen. “Wat kan ik doen?”

Van der Laan gelooft heilig dat alle problemen zijn op te lossen. Hij blijft net zolang zoeken en wroeten tot er resultaat is. “Hij is een atypische advocaat”, zegt Joost Linnemann, voormalig medepartner bij Kennedy Van der Laan. “Altijd zal hij zich verdiepen in de drijfveren van de andere partij. Eberhard vindt dat je het belang van je cliënt alleen goed kunt dienen wanneer je weet wat de ander beweegt. Zeer betrokken. Dat is geen rol die hij speelt, hij zit echt zo in elkaar. Uiteindelijk kiest hij wel zijn eigen lijn en is daar dan ook helder over. Stevig.”


Kwam voor buitenstaanders het burgemeesterschap van Van der Laan als een verrassing, op het advocatenkantoor stond hij allang met stip genoteerd voor deze hoge post. Linnemann: “Al had het me ook niet verbaasd wanneer hij in plaats van Cohen PvdA-leider Wouter Bos was opgevolgd.” Anderen die Van der Laan van nabij hebben meegemaakt, zeggen dat het burgemeesterschap van Amsterdam een oude wens was van de ex-minister van Wonen, Wijken en Integratie (2008-2010).

“Opscheppers!” roept Van der Laan met pretoogjes. “Denken mij beter te kennen dan ik mijzelf ken. Want ik heb echt ontzettend lang getwijfeld. Ik zat in Den Haag en was nog lang niet klaar met de wijkaanpak. Dus toen Job uit Amsterdam vertrok, heb ik gezegd: nee, mijn verantwoordelijkheid ligt in Den Haag. Ja, ook als dat een Kamerlidmaatschap was geworden.”

Van der Laan sloot, zoals hij het zelf zegt, een gentlemen’s agreement met zijn partijgenoten in Amsterdam. Mocht er in hun ogen echt geen andere geschikte PvdA-kandidaat te vinden zijn, dan zou hij serieus over een burgemeesterschap nadenken. Na twee maanden kwamen ze bij hem terug, een paar dagen voordat de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer bekend werd. “Ik heb tot het laatst tegengesparteld.”

Hij zag zich gedwongen zijn kandidatuur publiek te maken. “Ik wilde niet op de verkiezingslijst, stiekem solliciteren en na de verkiezingen toch burgemeester worden. Daar zou ik mij de rest van mijn leven voor doodgeschaamd hebben.”

Van der Laan zegt trouwens zich nog steeds een beetje schuldig te voelen dat hij de landelijke politiek achter zich heeft gelaten. “Maar het is naïef om te denken dat tegenover die grimmigheid in Den Haag Amsterdam alleen maar leuk is; dat besef je weer met die ellendige zedenzaak.” Hij doelt op het misbruik op een aantal kinderdagverblijven, dat in december aan het licht kwam.


Na zijn kandidatuur was het geen uitgemaakte zaak dat Van der Laan de baan zou krijgen. De VVD-politica Annemarie Jorritsma had de voorkeur van de vertrouwenscommissie. Dankzij de linkse meerderheid in de gemeenteraad ging het burgemeesterschap toch naar Van der Laan.

Lang treurde de VVD echter niet. De Amsterdamse liberalen zijn namelijk zeer te spreken over deze PvdA’er. Waar de fractie zich bij zijn voorganger Job Cohen vaak flink verbeet wanneer het over orde en veiligheid ging, vinden de VVD-leden de oud-bewindsman een verademing. “Op die terreinen is het met Van der Laan echt meters maken,” zegt VVD-raadslid Marijn Ornstein. “Hij is puur in welke setting ook; what you see is what you get. Hij is helder en ongelooflijk betrokken. Een echte burgervader.”

Nu is het GroenLinks dat zich in het college ongemakkelijk voelt. Tegen de zin van de GroenLinks-wethouders Andrée van Es en Maarten van Poelgeest zette Van der Laan het preventief fouilleren door. “Liever vijftig keer onze tas opendoen dan dat er één wapen doorkomt,” zei hij tegen de Amsterdamse zender AT5. Ook de voorgenomen ontruimingen van zo’n tweehonderd kraakpanden zit GroenLinks niet lekker. Gevraagd naar hun commentaar op Van der Laans functioneren, houden de wethouders de boot af. Ingewijden vermoeden dat ze liever geen ruzie met hem willen maken via de pers.

De VVD zal niet geweten hebben wat ze meemaakte toen de burgemeester kort na zijn aantreden zijn piketpaaltjes sloeg met bovengenoemde maatregelen. Nog wat paaltjes: vechtgala’s niet zomaar meer toestaan, 250 bekende criminelen oppakken. Al snel tekende zich een beeld af van een typische law-and-order burgemeester.


En dat irriteert Van der Laan.

“Dat zit mij als jurist niet lekker. De wet is er niet om zichzelf te dienen, maar om de mensen te dienen. Bovendien ben ik een kind van de jaren zestig en zeventig. Law-and-order associeer ik met repressie, met verkeerde politici als Richard Nixon, politici die law-and-order als doel op zichzelf stellen. Daar komt mijn weerstand vandaan om zo geframed te worden.

“Tegelijkertijd moet je ook heel duidelijk zijn. Orde stelt ons in staat vredig te leven. Ik heb dan ook echt helemaal nooit begrepen waarom veiligheid gekoppeld werd aan rechts en niet aan links, en waarom links het zo wegduwde. Ieder gelukkig leven begint met vrijheid van angst. Als ik veiligheid dan toch moet zien in termen van links of rechts: degene die niet vermogend is, is meer aangewezen op de publieke veiligheid dan degene die zijn eigen auto heeft en zijn flat of penthouse kan beveiligen. Als de tram ’s avonds niet veilig is, wie kan er dan niet naar de bioscoop?”

“Hij valt met zijn neus in de boter,” zei oud-burgemeester Ed van Thijn nadat Van der Laan zijn intrek had genomen in de Stopera. Van Thijn doelde op de huldiging van de verliezende WK-finalist Oranje. Maar de nieuwbakken burgemeester zou zijn portie ellende niet veel later nog wel krijgen.

Op zondagavond 12 december 2010 gaf hij zijn eerste crisispersconferentie. De schokkende zedenzaak rond crèchemedewerker Robert M., die zeker 64 kinderen misbruikte, zou hem wekenlang fulltime bezighouden.

Zorg voor de ouders en kinderen had meteen de hoogste prioriteit. Ambtenaren, politiemensen en Van der Laan doken in het net afgeronde evaluatierapport over de zedenzaak rond Benno L., de intussen veroordeelde zwemleraar in Den Bosch. Van der Laan overlegde met zijn collega-burgemeester Rombouts daar. “Zet de ouders voorop, was zijn advies. Dat spoorde met wat we al hadden gedaan. Hij zei ook: je krijgt hierover discussie met je partners in de vierhoek (burgemeester, korpschef, GGD-directeur, hoofdofficier van Justitie, – red.), maar je moet er als burgemeester voor zorgen dat dat belang toch vooropstaat.”


Zo was het niet meteen vanzelfsprekend dat de foto van Robert M. op de persconferentie getoond zou worden. Van der Laan: “Daar is over gedacht en getwijfeld. Uit oogpunt van privacybescherming van de verdachte spreekt dat allesbehalve voor zichzelf. Het was de primaire verantwoordelijkheid van de hoofdofficier, maar ik heb een ernstig beroep op hem gedaan om de foto wel te tonen. We hebben misschien wel honderdduizend ouders gerustgesteld dat hun kinderen niet met deze oppas te maken hebben gehad. Een opsporingsbelang was er ook: ouders zouden de politie meer kunnen vertellen.”

In die eerste dagen zag hij zeker duizend ouders en sprak hij met vele. Ook met de twee moeders die in 2008 al bij directeur Albert Drent van kinderdagverblijf het Hofnarretje vermoedens van misbruik hadden geuit en door Drent intimiderend waren bejegend. Toen vervolgens bekend werd dat Drent slaapfeestjes organiseerde, wist Van der Laan genoeg. Hij liet Drent de volgende dag op het stadhuis komen en dwong hem zijn taken neer te leggen. “Ik heb gezegd: ik laat op dit moment ook uitzoeken of ik je kan sluiten. Ik wil alles doen wat nodig is om veilige zorg te bieden aan de kindertjes, maar dan moet jij nu wegwezen.”

Drent is geen verdachte in de zaak. Maar de slaapfeestjes en het intimideren van ouders zitten Van der Laan niet lekker. Hij wil geen uitspraken doen over een eventuele terugkeer van Drent. “Als het goed op de rails komt, hij wordt geschoond in het onderzoek en er komen allerlei maatregelen, zoals het op een juiste manier omgaan met klachten, dan moet ik dat niet uitsluiten. Maar voorlopig ben ik er helemaal niet gerust op.”


Het optreden van Van der Laan, maar ook dat van politie en ambtenaren, werd breed gewaardeerd, met name door de betrokken ouders. Advocaat Richard Korver, die de ouders en hun kinderen vertegenwoordigt, heeft erover gedacht de gemeente aansprakelijk te stellen voor het misbruik op de kinderdagverblijven. Hij zag daarvan af omdat de ouders dit per se niet wilden. Die opstelling van de ouders heeft diepe indruk gemaakt op Van der Laan. “Ik ben er namens iedereen die erbij betrokken is ontzettend trots op. Dit is heel erg waardig van die ouders, heel bijzonder.”

De burgemeester heeft zijn eerste crisis glansrijk doorstaan. In zijn optreden en handelen is hij schaeferiaans. Niet verwonderlijk: de Amsterdamse wethouder Jan Schaefer (1940-1994), bekend om zijn niet-lullen-maar-poetsenmentaliteit, is een groot politiek voorbeeld. Als student was Van der Laan assistent van de man die eind jaren zeventig zijn stevige schouders onder de stadsvernieuwing zette. Als advocaat stond hij later de weduwe Schaefer bij toen er van begraafplaats Zorgvlied geen glazen zerk op het graf van haar man mocht komen: dat stond in het reglement. “Maar voor zijn vrouw Dien moest het glas zijn, want dat was Jans voornaamste eigenschap: glashelder. Ik ben gaan pleiten bij de bezwarencommissie met eigenlijk niet meer dan dit. De regels werden aangepast, want iedereen snapte wel dat Jan Schaefer glas op zijn graf moest hebben.”

Vervolgens vertelt Van der Laan wat misschien wel Schaefers belangrijkste les was: “Wanneer je tien problemen hebt en je wilt ze alle tien tegelijk oplossen, heb je elf problemen, want dat lukt je niet. Dus kies de twee meest urgente waarmee je ook succes kunt boeken en draagvlak kunt scheppen voor de aanpak van drie, vier en vijf. Hij wist als geen ander hoe je een ideaal op een realistische manier kon bereiken.”


Die strategie heeft zijn vroegere assistent zich eigen gemaakt. Het verschil met Schaefer zit in de benadering van anderen. Waar Schaefer nogal bot uit de hoek kon komen en mensen daardoor van zich vervreemdde, houdt Van der Laan respect voor andermans kwaliteiten.

Charme, gecombineerd met gedrevenheid, overtuigingskracht en een tijdens een lange advocatencarrière gerijpte argumentatiekunst, zijn voor Van der Laan machtige instrumenten om zijn doelen te bereiken, zeggen intimi. Met zorgvuldig gekozen complimenten – in de trant van ‘Jij ziet dat heel scherp’ of ‘Jullie doen daar fantastisch werk’ – wordt de gesprekspartner bewierookt, om zich vervolgens gewillig in de gewenste richting te laten masseren. Noem het vleierij, maar effectief is het wel.

Maar Van der Laan moet er op blíjven letten dat hij zijn overtuigingskracht goed doseert. Een partijgenoot: “Eberhard kan je helemaal klem lullen. Hij kan het niet uitstaan als je het niet met hem eens bent. Hij is een snelle denker, maar ook ongeduldig. Daarmee loop je het risico mensen niet meer mee te krijgen.” De burgemeester lijkt zich bewust van die valkuil, want wie tegen hem ingaat, krijgt te horen: “Ik wil niet eigenwijs zijn, maar…” Waarna hij zijn punt stevig neerzet en afsluit met een kwinkslag als: “Ik kon deze gelegenheid om bijdehand te doen toch niet voorbij laten gaan.”

Als het moet, is Van der Laan niet te beroerd een toneelstukje op te voeren om de nodige harten en hoofden voor zich te winnen. Zo stond hij op Prinsjesdag voor de camera’s van stadsomroep AT5 vrolijk naar de gouden koets te zwaaien. Zijn enthousiaste commentaar: “Dat is míjn koningin die daar voorbijging!” moet op de mensen die hem kennen als overtuigd lid van het Republikeins Genootschap een tikje onwaarachtig, zo niet ronduit komisch zijn overgekomen.


Ambtenaren zullen het onder deze burgemeester nog weleens zwaar hebben. Want gepokt en gemazeld in de politiek, zowel de lokale als de Haagse, zal Van der Laan zich minder gelegen laten liggen aan hun advies dan Cohen deed. Tegenover het beeld van zijn voorganger als theedrinker zette Van der Laan, beseffend hoe snel een karikatuur van je beleid wordt gemaakt, dat van de aanpakker.

In wezen verschillen beide sociaal-democraten niet in hun opvattingen over bijvoorbeeld de aanpak van criminaliteit onder Marokkaanse Amsterdammers en geweld uit die groep tegen homo’s en joden. Ook Van der Laan vindt oppakken en opsluiten niet afdoende. Ook hij vindt het cruciaal dat deze hufterige groep hulpverlening en scholing krijgen. En ook hij gelooft dat je met een voorlichtingscampagne als ‘Amsterdam is er klaar mee!’, die scholieren via toneelstukjes tolerantie wil bijbrengen, problemen kunt voorkomen.

Maar Van der Laan slaat daarbij wel een andere toon aan. Fel: “Ik heb elke dag wel twee besprekingen die daarover gaan. We zijn het zat, weg ermee! Maar moet je deze kinderen dan maar opgeven? Niet in alle gezinnen in deze stad wordt goed uitgelegd dat wij niet discrimineren. Dit is een opvoedingsprobleem met allerlei kruisverbanden. Een groep die zich slachtoffer van discriminatie voelt, is ook meer geneigd zelf te discrimineren. Dat zijn ingewikkelde patronen. Daarom duiken we alle vierhonderd scholen in. Het is niet zomaar een gratuite oproep. We gaan nog consequenter iedere klacht, iedere aangifte controleren en volgen wat daarmee gebeurt.”

Dat heet de ‘ketenaanpak’: alle mogelijke instanties nauw laten samenwerken om probleemjongeren op het rechte pad te krijgen en te houden. Deze aanpak vloeide voort uit een onderzoek naar jongeren in de Diamantbuurt. Zo’n zeven jaar geleden vreesde men al dat de intimiderende lastposten in deze buurt zouden uitgroeien tot harde criminelen die niet zouden terugdeinzen voor het gebruik van wapens. De veiligheidscijfers in de hoofdstad mogen verbeterd zijn, maar die vrees over de criminele carrière van de toenmalige rotjochies is bewaarheid – alle hulpverlenende instanties met hun ‘ketenaanpak’ ten spijt.


Van der Laan fronst zijn wenkbrauwen. “Meneer de genuanceerde journalist, heb jij weleens gehoord van het plan in Amsterdam om 250 rechercheurs vrij te maken? Zou dat niet een intelligent begin van een andere benadering kunnen zijn?” De burgemeester doelt op het vrijmaken van 250 rechercheurs om evenzoveel veelplegers op te pakken. Wanneer dat ten koste gaat van evenementen die politie-inzet vergen, dan moet dat maar.

“Het gaf een gekreun en gesteun, 250 rechercheurs op een totaal van 1100, maar ze zijn er. Ik vind dat een fantastisch begin. In één moeite pak je niet alleen de gewapende overvallers en inbrekers, maar ook groepen die intimideren en rotzooi trappen. Wij kunnen nu tegen reclasseringswerkers, een gevangenisinstelling of hulpverleners zeggen: ‘Kom op, wij leveren. Waar ben jij nou?’ Als die rechercheurs aan de slag gaan, kunnen andere partijen niet meer zeggen: komt u morgen maar terug. Wegwezen, weg met je praatjes! Wij kopen voor miljoenen hulp in, maar wij stoppen met inkopen van hulpverlening die geen toegevoegde waarde heeft bij het oplossen van het probleem.”

Met een ferme hoofdknik: “Ik geloof erg in deze aanpak, en mijn wethouders ook. Kom mij volgend jaar de oren maar wassen als het niet werkt.”

Die afspraak staat.

Dave Krajenbrink