Heimwee

Fritsie speelde zo graag tegen Coentje omdat die nooit terugschopte.

In de talrijke necrologieën van Coen Moulijn, een Feyenoorder voor wie Amsterdammers hun Ajaxpetje afnamen, dook regelmatig de naam Frits Flinkevleugel op. Coen was linksbuiten, Frits rechtsback en dientengevolge hebben de twee elkaar menigmaal ontmoet, in die mooie jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Coentje met kalk aan de buitenkant van zijn linkerschoen, Fritsie met een deels beschilderde rechterpantoffel. Mooie duels waren dat, daar aan de zijlijn, zoals ook de confrontaties tussen Fritsie en Pietje legendarisch waren. Voor onze allerjongste lezers: Pietje is Piet Keizer, destijds de Coen Moulijn van Ajax. Keizer en Moulijn waren buitenspelers (buitenbeentjes, zou je eigenlijk moeten zeggen) met een natuurlijke drang om de achterlijn te halen. Flinkevleugel, verdediger namens DWS en later FC Amsterdam, probeerde zulks zo goed en zo kwaad als dat ging te voorkomen. Als Flinkevleugel Keizer de bal, destijds nog ‘het leder’ of ‘het bruine monster’ geheten, ontfutselde, zei hij weleens “Dag Piet!” Keizer op zijn beurt, bij het terugkapen van het speeltuig: “Jammer Frits!” Op de een of andere manier wil het er bij mij niet in dat Mounir El Hamdaoui en Kelvin Leerdam ook zo met elkaar omgaan – en niet alleen omdat ze geen Piet en Frits heten.

Verwacht hier geen melodramatisch epistel over heimwee naar het Nederland van Piet Keizer en Coen Moulijn, het Nederland waarin Juliana nog onze koningin was. Het Nederland van met natte haartjes en een krant vol pelpinda’s naar de Mounties kijken. Te obligaat. Aan de andere kant: missen doe ik ze wel, internationals die nog gewoon in het telefoonboek stonden en die na hun actieve loopbaan moesten sappelen in een winkel. Coen was zelfs bij het uitblazen van zijn laatste adem nog eigenaar van een herenmodezaak. Voor oude Feyenoordfans moet dat het summum van verbondenheid zijn geweest: je laten afspelden door Coen Moulijn. In de perskamer van Ajax heeft Piet Keizer eens gemorste jus d’orange van mijn mouw gedept: dat zal ongeveer dezelfde sensatie zijn.


Met Frits Flinkevleugel, die inmiddels 71 is, was het altijd lachen. Ooit moest de teamfoto van FC Amsterdam opnieuw worden gemaakt omdat bij het ontwikkelen en afdrukken was gebleken dat Fritsie z’n snikkel uit z’n broek had gehaald. Het clublid rustte volgens de overlevering op de bal. Frits, die medio jaren zeventig naar Feyenoord had kunnen gaan maar geen zin had om naar Rotterdam te verhuizen en toen zijn DWS-gabber Rinus Israel naar voren schoof, zei me eens dat hij zo graag tegen Coentje en Pietje speelde omdat die ‘nooit terugschopten’. “Moeilijk had ik het pas tegen jongens die zelf ook konden uitdelen,” tekende ik bij die gelegenheid op uit zijn mond.” Bij Elinkwijk liep destijds zo’n rijstepikker; geen neger maar een – hoe heet dat nou – een Indo, ja. Nou dat wás me toch een pestlijer! Wat ik aan schoppen heb gehad die wedstrijd, ongelooflijk!”

Hard was Frits niet alleen voor anderen, maar zeker ook voor zichzelf. “In België kregen we een keer een uitnodiging om de Stella Artois-fabrieken te bezichtigen. Aan het eind van de dag lag ik met m’n kop in de toiletpot. Als een bal! Maar wel met 6-0 winnen.” Fritsie memoreerde en passant hoe de selectie van FC Amsterdam voorafgaand aan de UEFA-Cupwedstrijd tegen Inter keurig aan de cola zat. “Jan Jongbloed had een makke aan z’n arm; er moest steeds alcohol op z’n bandage worden gegoten. Maar als trainer Pim van de Meent niet keek, trok-ie gauw dat ding van z’n arm en ging-ie ‘m uitwringen boven z’n glas,” aldus het voormalige bijtertje, dat in die tijd, medio jaren negentig, bij wijze van broodwinning cafés afliep om sigarettenautomaten bij te vullen. Een klus die ik Wesley Sneijder straks nog niet zie doen, ook niet omdat die dingen vaak nogal hoog hangen.


Dit overdenkend ben ik er voor mezelf trouwens wel uit. Ik heb niet zozeer heimwee naar de tijd dat we nog vleugelspelers hadden, als wel naar de tijd dat we nog Flinkevleugelspelers hadden.

import michiel blijboom