‘Mijn vader zei: het is beter als je dood bent’

Ze worden bedreigd door hun eigen familie, uitgebuit door mensenhandelaars, of ze zijn een gewelddadige relatie ontvlucht. Sinds enige tijd kunnen ze terecht in een blijf-van-mijn-lijfhuis voor mannen. ‘Sinds ik hier ben, heb ik eindelijk een beetje rust.’

Massoud (23) wordt met de dood bedreigd. Door zijn eigen vader. Want Massoud houdt van jongens en daarmee maakt hij zijn Iraakse familie te schande, vindt zijn vader. “Het begon ermee dat hij de schaar in mijn kleren zette, omdat hij vond dat ik me te modieus kleedde,” vertelt hij met zachte stem. “Hij knipte mijn broeken aan flarden en gooide ze weg. Mijn ouders werden ook erg boos als ik oorbellen droeg of gel in mijn haar deed. Ze wilden niet dat ik er zo bij liep, maar ik deed het toch. Daarom heeft mijn moeder me op een gegeven moment het huis uit gezet. De situatie werd helemaal erg toen ik ruzie kreeg met mijn ex-vriend. Die heeft uit woede alles aan mijn ouders verteld: dat ik homoseksueel ben en dat we een relatie hebben gehad. Toen heeft vader aangekondigd dat hij me gaat vermoorden. ‘Je bezoedelt onze naam,’ zei hij. ‘Het is beter als je dood bent.’ Ik ben erg bang voor mijn vader. Ik vind hem gevaarlijk. Als hij boos is, wordt hij heel agressief.”

Uit angst sloot Massoud zich op in zijn studentenflat . “Ik zat de hele dag binnen, met de gordijnen dicht. Alleen ’s avonds ging ik er even uit, eten halen. Ik durfde met niemand meer contact op te nemen. Ik deed een opleiding aan de modevakschool,maar daar kwam ik bijna nooit meer.”

In september klopte Massoud aan bij de Stichting ArosA in Rotterdam, een organisatie die hulp biedt bij huiselijk geweld. Sindsdien zit hij in een blijf-van-mijn-lijfhuis voor mannen. Het gaat nu beter met hem. Hij ziet een psychiater en wil binnenkort zijn opleiding afmaken. “Ik heb hier eindelijk een beetje rust gevonden,” zegt hij. “Ze helpen me en hebben met mij een plan gemaakt voor mijn toekomst. Maar ik ben nog steeds bang dat ik mijn familie op straat tegenkom. Ik heb onlangs via internet contact gehad met een achterneef en die vertelde me dat mijn ouders nog steeds op zoek zijn naar mij.”


Massoud is een van de 39 mannen die sinds najaar 2008 zijn opgevangen bij de Rotterdamse mannenopvang. Ook in de andere drie grote steden bestaat sinds dat jaar zulke opvang (zie kader boven aan deze pagina). Die hulpverlening startte als proef, aanvankelijk om onderdak te bieden aan mannelijke slachtoffers van eergeweld. Onlangs werd bekend dat de proef wordt verlengd tot 2012.

Onder de slachtoffers van eergeweld bevinden zich homoseksuele moslimmannen die, zoals Massoud, door hun eigen familie worden bedreigd omdat hun seksuele geaardheid wordt beschouwd als een schending van de familie-eer. Andere slachtoffers zijn jonge mannen die zich verzetten tegen uithuwelijking – niet alleen meisjes, maar ook jongens kan dat lot treffen – of mannen die een relatie zijn aangegaan met een meisje dat door hun familie niet wordt geaccepteerd, bijvoorbeeld omdat ze van een andere etniciteit is. Ook mannen die een vriendin hebben wier familie niet toestaat dat ze een vriend heeft, kunnen slachtoffer worden van eergeweld.

Dat laatste overkwam Sherief Mukhtar, een Nederlandse jongen met een Soedanese vader, die in 2005 een Turks meisje ontmoette dat hij Aselya noemde. Hij was twintig, zij zeventien, en ze vielen als een blok voor elkaar. Mukhtar verwachtte niet dat haar familie problemen met hun relatie zou hebben: hij was immers moslim en hij wilde met haar trouwen. Maar dat bleek een ernstige misrekening. Nadat ze samen op straat waren gesignaleerd, begonnen de problemen want Aselya’s vader vond dat Mukhtar de eer van zijn familie had geschonden door een relatie aan te gaan met zijn dochter. “Hij gaf Aselya een vreselijk pak slaag, bedreigde mij onafgebroken per telefoon met de dood en zette samen met familieleden een klopjacht in,” vertelt Mukhtar. “Ze bedreigden zelfs mijn moeder en mijn zusjes.”


Aselya en Mukhtar sloegen op de vlucht, maar ze konden geen kant op. Er bestond voor hen geen opvang. Aselya kon weliswaar in een blijf-van-mijn-lijfhuis terecht, maar daar wilden ze Mukhtar niet: mannelijke cliënten zijn niet welkom in de vrouwenopvang. “Ze hebben twee weken lang heel Nederland afgebeld, maar konden ons niet plaatsen. Er was gewoon geen opvang voor mannen. Ondertussen praatte het maatschappelijk werk en de politie op Aselya in dat ze terug moest gaan naar haar familie. Uiteindelijk zwichtte ze. Via msn vertelde ze me dat dat de grootste fout in haar leven was geweest. De sfeer thuis was vreselijk en haar vader maakte plannen haar uit te huwelijken aan haar neef.” Mukhtar vluchtte een tijdlang naar het buitenland en hoorde nooit meer iets van Aselya.

Hij schreef een boek over wat hij had meegemaakt, Turks goud. Naar aanleiding van zijn geval stelde PvdA-kamerlid Khadija Arib Kamervragen. Datzelfde jaar verscheen een onderzoek waaruit bleek dat mannen inderdaad regelmatig slachtoffer zijn van eergeweld. Anders dan vrouwen uit traditionele migrantenfamilies worden ze weliswaar niet voortdurend in hun vrijheid beperkt, maar als ze een ongewenste liefdesrelatie aangaan, kunnen bedreigingen en geweld volgen – in extreme gevallen met dodelijke afloop.

Naar aanleiding van dit onderzoek begonnen de vier grote steden hun proef. Elke gemeente zou voorzien in tien opvangplekken, waarbij ook een paar plaatsen werden gereserveerd voor mannelijke slachtoffers van mensenhandel omdat het ministerie van Justitie op zoek was naar extra opvangplaatsen voor deze groep. Doel van de proef was te kijken hoe groot de behoefte aan opvang is onder mannen en een beeld te krijgen van hun problemen.


In Rotterdam bestaat de mannenopvang uit vijf driekamerwoningen in een galerijflat op een locatie die strikt geheim wordt gehouden. Die strenge geheimhouding is geen aanstellerij, want een deel van de mannen die worden opgevangen, vrezen voor hun leven. Zoals de twee moslimhomo’s die er op dit moment zitten. “Ze zijn zo angstig dat ze niet eens naar een gesprek met de GGD durven,” zegt coördinator Selma Cürebal. “Een van hen wilde zelfs niet met zijn echte naam in ons computersysteem worden ingevoerd.”

De cliënten delen met zijn tweeën een flat en er is een gezamenlijke ruimte. Op dinsdagavond koken de mannen bij toerbeurt voor de hele groep. “Dat doen we om het groepsgevoel te versterken,” legt Cürebal uit. Elke cliënt krijgt een maatschappelijk werker die met hem een begeleidingsplan opstelt met doelen op het gebied van wonen en werken. Daarnaast kunnen de mannen allerlei trainingen en cursussen volgen: bijvoorbeeld computerles, weerbaarheidstraining, schilderles of Nederlandse les, want tweederde van de mannen is niet in Nederland geboren.

De cliënten blijken vooral praktische hulp te willen: bij het vinden van woonruimte, het aanvragen van een uitkering of het oppakken van een studie. “Anders dan bij de vrouwenopvang, praten de mannen niet zo makkelijk over hun problemen,” vertelt beleidsmedewerker Frans Güppertz. “De meeste mannen die hier binnenkomen, zijn helemaal dichtgeklapt. Pas na twee weken komen ze een beetje los en dan nog moet je hun verhaal er vaak uit trékken.”

Anders dan verwacht, stroomden de opvangplekken niet vol met slachtoffers van eergeweld. Meer dan de helft van de mannen blijkt slachtoffer van huiselijk geweld of, zoals dat tegenwoordig heet: geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ze zijn fysiek of psychisch mishandeld door hun vrouw, familieleden (boer, zus, ouders) of homoseksuele partner.


Een van hen is de Kaapverdische Paulo (37). Gevraagd naar de reden voor zijn verblijf in de opvang, lacht hij een beetje schuchter. “Mijn vriendin en ik zijn zestien jaar samen geweest, maar de laatste zeven jaar ging het niet goed,” vertelt hij. “Ik kwam erachter dat ze enorme schulden had gemaakt en veel rekeningen niet had betaald. Terwijl ik werkte, kwamen allerlei deurwaarders aan de deur, maar daar vertelde ze me niets over. Ze verstopte aanmaningen. Totdat we bijna het huis werden uitgezet.”

Paulo mocht voor de schulden opdraaien. En dat terwijl hij na negentien jaar zijn werk kwijtraakte, “omdat ik elke keer eerder weg moest vanwege de problemen.” Zijn vriendin bleek een dwangmatige leugenaar, thuis was het altijd ruzie. “Op een gegeven moment werd ik zo boos, ze dacht dat ik haar ging slaan. Toen sloeg ze me met een televisiekastje. Opeens lag ik op de grond met een gat in mijn hoofd. In het ziekenhuis is de wond gehecht. Toen begreep ik dat ik weg moest, maar ik had geen idee waarheen. Ik heb er serieus over gedacht om zelfmoord te plegen, zo wanhopig was ik.”

Via zijn huisarts kwam Paulo achter het bestaan van de mannenopvang. Hij zit er nu acht maanden, heeft weer werk en gaat weer sporten. Het wachten is nog op woonruimte. Met zijn vriendin heeft hij zo nu en dan contact over hun twee kinderen, maar de situatie escaleert niet en hij is niet bang dat er weer klappen zullen vallen. “Als ze weer met praatjes begint, ga ik er gewoon niet op in.”

De locaties voor mannenopvang zijn redelijk goed bezet, maar zitten niet voortdurend vol. Hoe groot het aantal mannelijke slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties nu werkelijk is, heeft de proef niet duidelijk gemaakt. Frans Güppertz van ArosA denkt dat een onbekende groep slachtoffers zich niet meldt, vanwege een taboe dat op huiselijk geweld tegen mannen zou liggen. “De gangbare gedachte is toch: je bent een mietje als je je door een vrouw laat slaan. Tegen die beeldvorming moeten mannelijkeslachtoffers opboksen. Je hebt echt geluk als je huisarts en de politie je serieus nemen als je met dit probleem bij ze komt. “


Tegelijkertijd signaleert hij dat de echt zware problematiek vooral ligt bij de slachtoffers van eergeweld ligt en niet bij slachtoffers van huiselijk geweld. “Wij zien vooral veel psychisch geweld: mannen die het leven vreselijk zuur is gemaakt door hun partner. Maar geen zware fysieke mishandeling zoals de cliënten van de vrouwenopvang vaak hebben ervaren.”

Daarom ook zetten sommigen vraagtekens bij de noodzaak van de opvang van mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld. Een van de critici is Renée Römkens, hoogleraar interpersoonlijk geweld aan de Universiteit van Tilburg. “Dat er opvang nodig is voor slachtoffers van eergeweld en mensenhandel staat buiten kijf. Maar ik zet wél vraagtekens bij de noodzaak van opvang van mannelijke slachtoffers van partnergeweld. Mannen zijn zeker ook slachtoffer van geweld in relaties. Maar de ene klap is de andere niet,” zegt zij.

“Het geweld dat mannen in relaties ervaren, heeft meestal plaats wanneer beide partners elkaar te lijf gaan. Het is over het algemeen niet levensbedreigend. Anders dan het relationele geweld waar veel vrouwelijke slachtoffers mee te maken hebben, is er bij geweld tegen mannen alleen in uitzonderlijke situaties sprake van een veiligheidsprobleem waarbij de overheid de plicht heeft bescherming te bieden. Is specifieke opvang dan nodig? Ik denk dat deze mannen net zo veel baat kunnen hebben bij ambulante hulp.”

Römkens, die al jaren onderzoek doet naar geweld binnen relaties, constateert dat relationeel geweld tegen mannen een marginaal probleem is. “Als je leven op het spel staat, ren je heus wel naar de politie. Zolang er geen mannen smekend op de stoep van de opvang staan, omdat ze vrezen voor hun leven, zoals bij de vrouwenopvang wél dagelijks gebeurt, geloof ik niet in een groot verborgen probleem.”


Mariet Lohman van de Stichting Wende, die de Haagse mannenopvang verzorgt, is het niet met Römkens eens. “Geweld tegen mannen in relaties komt inderdaad veel minder voor en ook doodsdreiging speelt inderdaad niet zo’n rol. Maar ik zie ook bij onze mannelijke cliënten een grote angst om terug te keren in de relatie die ze zijn ontvlucht.

Het zijn mannen die niet weerbaar zijn. Die vastzitten in een situatie waarin ze geslagen en geïntimideerd worden, en ze weten niet hoe het anders moet. Daar staan mensen van te kijken.”

Ze geeft het voorbeeld van een man die bij zijn zus inwoonde en die jarenlang door haar en haar man werd mishandeld en zich daar niet tegen durfde te verzetten. “Uiteindelijk kwam hij bij ons. Hij is ontzettend bang dat die twee hem zullen vinden. Want doen ze dat, dan gaat hij terug. Hij durft zich niet tegen hen te verzetten.”

Nog onduidelijk is hoe het na afloop van de proef, in 2012, verder zal gaan met de mannenopvang. “Ik verwacht nog wel een discussie,” zegt Lohman. “De vier grote steden steken er geld in, maar ze vangen mensen op uit het hele land. Het is de vraag of ze dat als hun verantwoordelijkheid zullen blijven zien. Dat baart mij zorgen, want we hebben de laatste tijd erg veel aanmeldingen. Wij vangen hier in Den Haag veel slachtoffers van mensenhandel op. Mannen die zijn gedwongen tot prostitutie of uitgebuit in de horeca. De gemeente Den Haag wil serieus werk maken van het opsporen van slachtoffers en daders in de mensenhandel. Maar als je geen opvang hebt, waar moeten die mensen dan heen?”


Hoe het ook zij, Paulo noemt de mannenopvang het ‘beste wat me in mijn leven is overkomen’. “Ik kwam binnen als een soort kasplantje en ik heb mijn kracht weer gevonden. De opvang was voor mij een uitkomst. Ik kon misschien wel voor een paar dagen terecht bij mijn familie, maar ik zie me toch echt niet zes maanden bij een tante zitten. Als ik hier niet terecht was gekomen, was ik misschien wel op straat beland.”

Uit veiligheidsoverwegingen is de naam van Massoud gefingeerd.

De proef met de mannenopvang begon najaar 2008 in de vier grote steden. De opvang wordt gefinancierd door het Rijk (300.000 euro per jaar per gemeente) en door de steden (100.000 euro per jaar per gemeente).

In het eerste jaar is driehonderd keer contact gezocht met de opvang en zijn negentig mannen geplaatst. 56 procent van de mannen vroeg om hulp vanwege huiselijk geweld, 21 procent vanwege eergeweld, 21 procent vanwege mensenhandel, 2 procent vanwege andere geweldsproblemen.

Van de opgevangen mannen was een derde in Nederland geboren (onduidelijk is of het gaat om autochtonen of allochtonen van de tweede en derde generatie), een vierde van Marokkaanse of Turkse afkomst. Daarnaast werden mannen van onder meer Somalische, Indonesische en Chinese afkomst opgevangen.

Bij de gevallen van huiselijk geweld ging het voor het merendeel om geweld tussen (ex-)partners. Een aantal maal was sprake van geweld van een ouder tegen een (volwassen) kind. Ook was een aantal maal sprake van gedwongen prostitutie binnen een homoseksuele relatie.

Bij de mannen die vanwege eergeweld hulp zochten, ging het om homoseksuele moslims en mannen met een relatie die niet door de familie werd geaccepteerd. Het merendeel van de opgevangen mannen was tussen de twintig en de vijftig jaar. De opgevangen mannen bleven meestal niet langer dan een half jaar in de opvang.


Ter vergelijking: in Nederland zijn ongeveer dertig opvangcentra voor vrouwen die met geweld in afhankelijkheidsrelaties te maken hebben. Jaarlijks worden daar 16.000 vrouwen en kinderen opgevangen. Relationeel geweld tegen vrouwen komt vele malen vaker voor en is veel ernstiger van aard dan relationeel geweld tegen mannen, dat meestal plaats heeft in een context waarbij beide partners gewelddadig zijn.

Renate van der Zee