Weggerukt

René J. Versluis: In de voetsporen van een dwangarbeider. Eigen beheer, € 17. Zie ook www.dwangarbeider.nl.

Zo’n zeshonderdduizend Nederlandse jongemannen werden in 1944 door de bezetter opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland. De omstandigheden voor deze dwangarbeiders waren slecht. Velen overleefden het niet, en zij die na de bevrijding terugkeerden naar Holland kregen niet bepaald een heldenontvangst. Per slot van rekening hadden zij voor de vijand gewerkt, zij het onder dwang, maar die nuance ging vaak verloren.

Over dit onderwerp is slechts een handjevol boeken geschreven, onder meer In het land van de vijand van oud-redacteur van De Tijd Ben Kroon en Retour Berlijn van Jan van Bilsen en Aad Verhoeff. Nu is daar In de voetsporen van een dwangarbeider, een dun boekje, maar rijk aan verbeeldingskracht en informatie. Het vertelt het relaas van John Versluis, een 25-jarige jongeman die bij een razzia in Rotterdam wordt opgepakt en naar Duitsland moet. Het bijzondere aan dit verhaal is dat het wordt verteld door Versluis’ zoon, René, die dat doet aan de hand van dagboekaantekeningen en foto’s die hij vond bij het opruimen van de zolder van het ouderlijk huis, kort na het overlijden van beide ouders.

Weggerukt uit het overzichtelijke leven in Rotterdam schrijft John Versluis brieven en kaarten aan zijn ouders en aan zijn verloofde Willy. De boodschappen zijn zelden uitgesproken of meeslepend, want in die tijd liep je niet te koop met je gevoelens. Maar in die ogenschijnlijke nietszeggendheid krijg je als lezer toch een idee van wat zo’n doodgewone jongen meemaakt. “Lieverdje,” schrijft John aan zijn Willy op 12 november, enkele dagen nadat hij is opgepakt, “je hebt wel gehoord dat ik de sigaar ben. Momenteel sporen we vanaf Amsterdam richting oosten. Verder alles goed. Hou je taai. Snoes tot kijk lfh (liefhebbend) je John.”


Toch is er een hoofdstuk dat wel degelijk een inkijkje biedt in de zieleroerselen van Versluis. Daarin wordt beschreven hoe hij na een maand of vijf in Duitsland, onder barre omstandigheden levend, de heimwee naar thuis en vooral naar zijn verloofde tracht te bezweren. Vaak probeerde John zich voor te stellen wat Willy op dat moment werkelijk aan het doen was. Het enige tijdstip waarvan hij zeker wist waar ze was, was tussen tien en elf zondagochtend. Dan zat zij in de kerk, waar ze samen zo vaak hadden gezeten, en dan wist hij dat ze ook aan hem dacht. “Dat heeft hem op de been gehouden,” schrijft René Versluis, “om door te gaan als het eigenlijk niet meer ging. Hij dacht dan blijkbaar: nog drie dagen en dan zie ik je weer voor me, zittend in het oude kerkje in ‘s-Gravenzande en ik weet zeker dat je dan ook aan mij denkt.”

In de voetsporen van een dwangarbeider is ook informatief. Versluis meldt dat de Duitsers lange tijd niet lijken te weten wat ze met de ‘wagonladingen arbeidskrachten uit Nederland’ aan moeten. De onmiddellijke opvang en tewerkstelling zijn niet of nauwelijks geregeld. Op basis daarvan veronderstelt zoon René dat de razzia’s in Rotterdam maar later ook in Amsterdam, Delft en Den Haag vooral werden ingegeven door de vrees van de bezetter dat de miljoenen weerbare Nederlandse mannen zich bij het na-deren van de geallieerde troepen onherroepelijk bij de geallieerden zouden aansluiten.

Het biedt een andere kijk op het verschijnsel van de Nederlandse dwangarbeiders in Duitsland, maar zeker niet de laatste.

Frans van Deijl