De zomers van Post

In het post-Post-tijdperk had nooit meer een ploegentijdrit moeten worden georganiseerd.

Het is godgeklaagd druk daarboven. “Zijn het hier ook Hamsterweken?” moet Albert Heijn hebben gevraagd, toen hij de enorme rij bij de inschrijfbalie zag. “Ja, het is nummertjes trekken,” schijnt Coen Moulijn daarop gevat te hebben geantwoord, waarna beiden zich volgens onbevestigde berichten kostelijk hebben vermaakt met de hemelse fratsen van een wild om zich heen zwaaiende Arubaan van wie hen de naam niet zo één, twee, drie te binnen wilde schieten.

En toen kwam daar ineens al luchtfietsend Peter Post voorbij, die geenszins van plan was in de achterste waaier te blijven en pas aan de kop van het peloton in zijn remmen kneep. Daar werd hij meteen hartelijk begroet door Jean Nelissen, die nog altijd op de drempel bivakkeerde omdat je binnen tegenwoordig niet meer mag roken. Dat was de reden dat De Neel daar zo geanimeerd stond te, eh, ouwenelen met Harry Mulisch, die de pijp inmiddels had teruggepakt van Maarten.

Het begint eentonig te worden, maar na Moulijn is met Peter Post opnieuw een symbool heengegaan van een periode waarin we met z’n allen gebroederlijk van vaderlandse sport genoten. De voormalige baas van de Posttrein, de enige Nederlandse trein die áltijd op tijd heeft gereden, heeft een hele generatie landgenoten geïnfecteerd met het wielerbacil en daar zijn we hem tot in lengte van dagen dankbaar voor. Natuurlijk, de op 77-jarige leeftijd overleden slagerszoon heeft veel méér op zijn palmares dan alleen het leiden van de legendarische TI-Raleigh-ploeg – de eretitel ‘Keizer van de Zesdaagse’ krijg je immers niet bij zes pakken koffie – maar het is wel die hoedanigheid van Post die de meesten van ons meteen in gedachten schoot, toen we met zijn jammerlijke verscheiden werden geconfronteerd (‘Post kwam nog wel achter de schermen in actie als saneerder bij de Farm-Frites-ploeg’ las ik aan het einde van zijn doodsbericht, maar om hem nu als patatsnijder te gedenken…).


Het waren gruwelijk mooie zomers, de zomers van Post en TI-Raleigh. Zomers met Tourflitsen van reporter Theo Koomen, wiens tong meer toeren maakte dan de motor waarop hij zich met ware doodsverachting van de Tourmalet stortte. Zomers met de volstrekt onbegrijpelijke, maar daarom niet minder pakkende liedjes van de Amazing Stroopwafels, al kan het ook zijn dat die pas geplugd werden toen Post al bij de Panasonic-ploeg zat – het menselijk geheugen is soms een niet al te strak gespannen fietsketting. En Panasonic was, zeker vanuit het heden bezien, een prachtploeg, maar verhoudt zich toch tot het legendarische TI-Raleigh als Captain Scarlet tot de Thunderbirds.

Het waren zomers waarin de zon altijd scheen, menen we ons anno nu te herinneren. Tourzomers met zalige finishreportages vanuit onbeduidende Franse bergdorpjes vol boze boeren, waar Henk Lubberding als een ontketende leeuw met wapperende manen over de gloeiend hete kasseien raasde en Gerrie Knetemann na afloop voor de NOS-microfoon grappig was zonder het per se te willen zijn. Het waren de jaren waarin de ploegentijdrit bij het wielrennen mooier was dan welke Europese voetbalfinale ook, te meer daar Ajax en Feyenoord er in die tijd niet veel van bakten. Soms moet je als organisator van sportevenementen gewoon besluiten te stoppen met bepaalde wedstrijden als duidelijk wordt dat het hoogtepunt is bereikt. Daarom had er in het post-Post-tijdperk eigenlijk nooit meer een ploegentijdrit moeten worden georganiseerd. Zoals Nederland zich misschien wel helemaal uit de wielrennerij had moeten terugtrekken, als ultiem eerbetoon aan de énige ploegleider die een garantie was voor succes. Want laten we eerlijk zijn: de slagerszoon heeft ons nooit een worst voorgehouden!


NB: Hoewel ik volkomen nuchter was, schreef ik vorige week dat Frits Flinkevleugel medio jaren zeventig naar Feyenoord had gekund. Dat had natuurlijk ‘medio jaren zestig’ moeten zijn. En, strikt genomen, Feijenoord. Toen hadden ze de punten nog.

Michiel Blijboom