Weggaan om terug te keren

Emigreren zit de Ieren in het bloed. Net als verhalen vertellen. De Ierse emigrantenliteratuur vormt dan ook een rijk genre. In Brooklyn geeft Ierlands belangrijkste schrijver van dit moment, Colm Tóibín, een verrassende kijk in de ziel van de landverhuizer.

Premier Brian Cowen en zijn minister van Financiën, Brian Lenihan, tekenden de akkoorden met het IMF en de EU. Na afloop gingen teleurgestelde Ieren boos de straten van Dublin op en stonden beide heren er een beetje besmuikt bij. Machteloze schaamte was van hun gezichten af te lezen. De televisiebeelden rolden mijn kamer binnen terwijl ik een roman las van Ierlands belangrijkste auteur van dit moment: Colm Tóibín. Zijn zesde boek, Brooklyn, is niet alleen geweldig goed geschreven, het legt ook de vinger op een oude wond die door de economische crisis bloot is komen te liggen.

Eerst de wond.

Als aardappeloogsten mislukken, oorlogen uitbreken, banken failliet gaan of andersoortige rampspoed toeslaat, pakken de Ieren hun biezen. Op een bevolking van 4,5 miljoen vertrokken er afgelopen jaar al 65.000, en de komende jaren zullen het er alleen nog maar meer worden. Ditmaal zijn het vooral jonge IT’ers, bankiers en advocaten die het vaderland verruilen voor Groot-Brittannië, Canada, Australië of de Verenigde Staten. Dat is wat Brian Cowen besefte: hij is bezig een hele nieuwe generatie hoogopgeleide arbeidskrachten te verliezen.

“Does Ireland actually produce anything other than immigrants?” verzuchtte onlangs een lezer van The New York Times.

“Maybe if it did, the Irish wouldn’t be in this predicament.”

De Ierse regering wil er weleens van af. Van het imago van de Ier als zwervende gelukzoeker en landverhuizer. De Celtic Tiger, zoals het land sinds de snelle economische groei van 1995 werd genoemd, zou korte metten maken met het stereotype van een door 150 jaar emigratie weglekkende natie. In 1998 haalde Ierland zelfs een record aantal ímmigranten (22.800) binnen, waarvan zeker de helft bestond uit terugkerende Ieren. Enthousiaste demografen voorspelden een bevolkingsgroei die in 2030 zou zijn opgelopen tot 8 miljoen, iets waarvan men na de grote emigratiegolf van 1840 slechts had kunnen dromen.


Maar Ierland is terug bij af. De Ieren raken opnieuw op drift. Emigreren lijkt hun enige antwoord op de economische misère van de laatste jaren. Het zit ze in het bloed. Maar zo simpel is dat hardnekkige emigreren niet. Er komt iets raadselachtigs bij. Iets complexs en dubbelhartigs dat tabellen en cijfers niet blootleggen, maar literatuur wel. De Ieren ontvluchten hun vaderland. Maar nooit vrijwillig en zelden voorgoed.

Emigratie werd nooit beschouwd als ‘a way to strike it rich in the New World’, schrijft de Amerikaanse historicus Charles F. Fanning. In The Exiles of Erin – Nineteeth Century Irish-American Fiction bracht hij de negentiende-eeuwse migrantenliteratuur in kaart, en hij won er in 1989 de American Book Award mee.

Voor de Ieren was emigreren een noodzakelijk kwaad. Een pijnlijk, afgedwongen verbanning. Weggaan om terug te keren. Integreren zonder aan de overkant van de oceaan kerk, moeder en vaderland uit het oog te verliezen. Geen makkelijke opgave.

Het verklaart meteen het opvoedende karakter van veel migrantenromans.. Om de parochianen te steunen in hun strijd tussen goed en kwaad in de Nieuwe Wereld schreven priesters (John Roddan, Hugh Quigley en Peter McCorry) godvruchtige verhalen over helden die vochten tegen aardse verleidingen. Hun boeken droegen klinkende titels: John O’Brien; or, The Orphan of Boston (1850), The Cross and the Shamrock: or, How to Defend the Faith (1853) of The Lost Rosary; or, Our Irish Girls: Their Trials, Temptations, and Triumphs (1870).

Daarnaast was er de parodie. Ook functioneel. Van aanvang af moesten de immigranten zich in de VS weren tegen het imago van drinkebroer, landloper en dief. Die slechte naam hadden de Britten hun bezorgd. In schelmenverhalen als The Adventures of Tom Stapleton (1842) van John McDermott werden die stereotypen met zelfspot en satire bestreden.


Opvallend bijtende humor, grappen en grollen en ongenadige (zelf)ironie behoren nog steeds tot de karakteristieken van Ierse literatuur. Zoals in Paddy Clarke Ha Ha Ha, waar Roddy Doyle in 1993 de Booker Prize mee won.

De hamvraag was en bleef: hoe kan de migrant zijn Ierse identiteit behouden? Buitengewoon leerzaam en populair op dit vlak waren de boeken van Mary Anne Sadlier (1820-1903), de Ierse tegenhanger van Jane Austen. Ze woonde in Montreal en New York, was getrouwd met uitgever James Sadlier en hield haar katholieke lezeressen een deugdzaam leven voor dat bestond uit hard werken, de armoede ontstijgen en integreren zonder je geloof te verliezen.

Haar sociaal-realistische verhalen over het leven in huiselijke kring publiceerde ze eerst als feuilleton in het katholieke dagblad The Boston Pilot.

Willy Burke: or, The Irish Orphan in America (1850) en Bessy Conway: or, The Irish Girl in America (1861) werden echte bestsellers. In een van haar bekendste romans, The Blakes and the Flanagans (1850), laat ze iemand zeggen dat niemand tegelijkertijd Iers en Amerikaans kan zijn. “They must be either one or the other.”

“Ik ben er zelf het levende bewijs van,” riposteert neef Ned Flanagan.

“Ik ben zoals u best weetkatholiek, nee, méér, ik ben Iers in hart en nieren en katholiek – hoop ik – in geloof en praktijk, en toch ben ik geheel bereid deze geweldigerepubliek, mijn geboorteland, te verdedigen, toten met mijn laatste druppel bloed, mocht dat nodig zijn. Ik hou van Amerika, het is als het ware het land dat mij heeft geadopteerd, en ik ben er geboren, maar ik kan en zal Ierland nooit vergeten.”


In twintigste-eeuwse romans over het leven van de Ier in Amerika is die zekerheid van het geloof verdwenen en doemt vooral het beeld op van een innerlijk verscheurd mens, verlangend op te gaan in de nieuwe cultuur maar onmachtig zijn taaie Ierse wortels door te snijden. Een personage dat zo langzamerhand cliché is geworden.

Met Brooklyn schaart Tóibín zich dus in een lange en rijke traditie van migrantenliteratuur. Met dit verschil dat schrijvers als William V. Shannon, Edwin O’Connor, George V. Higgins, Frank McCourt of Dennis Lehane hun verhalen schreven vanuit het perspectief van de Amerikaan voor wie het geboorteland verlaten het meest logische was wat je kon doen, en Tóibín dat perspectief kantelt. Zijn twintigjarige hoofdpersoon Eilis Lacey worden de kansen in de schoot geworpen, ze neemt ook de boot van Liverpool naar New York, maar eigenlijk wil ze helemaal niet weg uit Enniscorthy, een plaatsje in het zuidoosten van Ierland.

In dat plaatsje, waar de schrijver zelf ook is geboren, begint zijn verhaal. We schrijven vroege jaren vijftig. Eilis leidt haar kalme meisjesleven. Ze doet een avondstudie boekhouding, op zaterdagavond wordt er gedanst in de kerk, overdag helpt ze haar moeder die weduwe is. “Tot nu toe,” schrijft Tóibín, “was Eilis er altijd van uitgegaan dat ze, net als haar moeder, haar hele leven in de stad zou wonen waar ze iedereen kende, dezelfde vriendinnen en buren zou hebben, met het alledaagse leven in de vertrouwde straten. Ze had verwacht dat ze een baan in de stad zou vinden en dan zou trouwen en kinderen krijgen.”

Het is haar oudere zuster Rose die met het emigratieplan op de proppen komt. Rose heeft belangrijke vrienden, ze is knap, ongetrouwd, heeft een kantoorbaan en golft nog ook. Met hulp van Father Flood – altijd die hulpvaardige priesters! – bedisselt zij de overtocht. Eilis kan op kosten van de kerk vertrekken, Flood zorgt dat ze in Brooklyn een baan krijgt in het mooiste en grootste warenhuis.


En Eilis zelf? Ze is te jong om de consequenties te overzien, te dociel om tegen wat besloten is in opstand te komen, en te bescheiden om te begrijpen dat ze haar leven in eigen hand kan houden. In een zorgvuldige, elegante stijl maakt Tóibín ons deelgenoot van haar twijfels:

“Het zou beter zijn als de voorbereidingen, alle commotie en gepraat, iemand anders aangingen, iemand zoals zij, iemand van dezelfde leeftijd en lengte, die misschien zelfs wel op haar leek, en dat zij, degene die nu lag te denken, elke ochtend wakker kon worden in dit bed en zich in de loop van de dag door deze vertrouwde straten kon begeven en kon thuiskomen in de keuken, bij haar moeder en Rose.”

Colm Tóibín (1955) vertegenwoordigt de literaire generatie die in de jaren vijftig geboren is. Schrijvers als Dermot Bolger (Een tweede leven, 1998), Patrick McCabe (De slagersjongen, 1998), Niall Williams (Een beter leven, 2002), Joseph O’Connor (Redemption Falls, 2007), Hugo Hamilton (Het leven van de ander, 2008), Roddy Doyle (De dode republiek, 2010) of Sebastian Barry (Annie Dunne, 2010) die internationale bekendheid verwierven. Hun popuariteit is opvallend vergeleken met de schrijvers van na 1922, het jaar waarin James Joyce zijn Ulysses publiceerde – William Trevor (1928), Edna O’Brien (1932), John McGahern (1934) en John Banville (1945).

Er zijn twee dingen die me bij het lezen van Brooklyn verrasten. Ten eerste de subtiele manier van schrijven. Toíbín gaat te werk als een fijnschilder, hij stapelt zin op zin tot een hecht bouwwerk ontstaat. Het passieve karakter van zijn personage brengt een wonderlijke traagheid in, iets slomigs, dat het ogenschijnlijk simpele verhaal een grote, poëtische kracht geeft.


En ten tweede de kracht van de absentie. De diepte en literaire schoonheid zit bij hem niet in wat hij vertelt, maar juist in wat hij weglaat. Geen overrompelende eerste indruk van de Manhattan skyline. Geen roaring fifties, Brooklyn Dodgers of Singin’ in the Rain.

Eilis vindt het drukke Manhattan eerder beangstigend dan opwindend. Van het swingende New York City gaat voor haar weinig aantrekkelijks uit. Tóibín richt haar oog op het sluimerende racisme. Vooroordelen tegen Italianen, zwarten, joden en lower-class Irish.

“Ik ben toch zeker niet helemaal naar Amerika gekomen om mensen op straat Italiaans te horen praten en mensen met rare hoeden te zien rondlopen,” zegt juffrouw McAdam, die in hetzelfde pension logeert.

Brooklyn verandert, de oude klanten trekken weg naar Long Island en Manhattan, er komen buitenlanders bij en warenhuis Bertocci besluit zwarte klanten aan te trekken. In een meesterlijke scène schildert Toíbín de krampachtige reactie van het personeel. Of de verwarring van de preutse Eilis als ze de erotische belangstelling van haar cheffin bespeurt. De vrouw heeft een stel badpakken voor haar uitgezocht en vraagt het meisje ze te passen.

Toíbín laat de vrolijke, Italiaanse loodgieter Tony opdraven; hij is echt verkikkerd op dat beheerste Ierse meisje en komt een heel eind. Maar zelfs hij kan haar ‘vreemdzijn’ niet weghalen.

Het valt niet direct op. Alleen wie goed kijkt, ziet dat Toíbín erop uit is geweest een ander geluid te laten horen dan we tot nu toe gewend zijn. Bij hem is het Ierland in de jaren vijftig niet ‘opgetrokken uit turf, jenever en achterdocht’ zoals bij schrijvers als Dermot Bolger. Het accent ligt op de vertrouwdheid en rust die uitgaan van een plattelandsbestaan tussen mensen die elkaar kennen. Ongemerkt komt het tegenover het leven in New York te staan: ‘vreemde mensen, vreemde accenten, vreemde straten’. “Een leven als een beproeving.”


Hij lijkt het niet uit te roeien idee van de Ieren dat het gras aan de andere kant altijd groener is te willen nuanceren door zijn lezers een spiegel voor te houden. Waarom zou een jonge, intelligente vrouw die op een natuurlijke manier is geworteld in haar geboortegrond staan te trappelen om in Brooklyn te wonen? Wat heeft een gehaast, hectisch land als Amerika een bescheiden en eerlijke ziel te bieden? Wegen de voordelen van de American dream – geld, status, vrijheid – op tegen isolement en vervreemding?

Toíbín koos niet voor het makkelijke antwoord. In dat geval zou hij Eilis gewoon naar Ierland terugsturen, waar haar een simpel maar rustig leven wacht met de zoon van de kastelein in Rafter Street: Jim Farrell. Toíbín maakte de zaak juist veel pijnlijker door haar aan het eind voor een keuze te stellen als ze wegens omstandigheden door haar familie is teruggeroepen naar Enniscorthy.

In de keuken van haar moeder lijkt haar nieuwe leven met Tony in New York al snel ‘onderdeel van een droom waaruit ze was ontwaakt’. Haar geliefde is ‘een schim geworden, bijna al niet meer voor haar aanwezig’. Tegelijkertijd beseft ze dat als ze nu in New York zou zijn, haar vertrouwde en gezellige leven in Enniscorthy haar als ‘een vreemde, wazige droom’ zou voorkomen. Dat is het moment waarop ze de verraderlijke consequenties van haar vertrek overziet. De onmogelijkheid om zowel de vrouw van Tony als de dochter van haar moeder te zijn.

Er bestaat geen keuze, lijkt Toíbín te willen zeggen. De keuze tussen twee werelden wordt die tussen twee dromen, omdat wat eerder zo echt en tastbaar leek, kan vervagen waar je bij staat. Het landschap krijgt het laatste woord, in de zin dat zaad groeit waar het wordt uitgestrooid en de mens op den duur opgaat in zijn omgeving en zijn vorderingen in dat andere leven zal staken. Als Eilis aan het eind probeert een voorstelling te maken van de jaren die voor haar liggen, sluit de schrijver haar de ogen. Het lijkt hem beter als ze zich ‘niets meer probeerde voor te stellen’.


Colm Tóibín: Brooklyn. Vertaling: Anneke Bok. De Geus. € 19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Ingrid Hoogervorst