Die lollige oom Aristide

Het lezen van De zus die Anna Magnani niet was van Aristide von Bienefeldt, die behalve schrijver ook strijder voor dierenrechten en Facebook Artist is (wat dat ook moge zijn), is een vermoeiende aangelegenheid. Waarom? Driehonderd bladzijden is te doen, en je kunt er, naar analogie van Vestdijk, bij blijven zitten, maar op een bepaald moment dringt zich toch de vraag op: waar gaat dit over? De irritatiegrens is dan allang overschreden, want het verhaal is onmiskenbaar blijven steken in een onbenulligheid die op geen enkele manier de hysterische toon rechtvaardigt die de schrijver aanslaat.

Wat bovenmatig irriteert, zijn de talloze vergelijkingen waarmee Von Bienefeldt zijn tekst doorspekt: niet eens de vergelijkingen an sich, want sommige zijn best grappig, maar het aantal vergelijkingen. Het lijkt wel alsof de schrijver nooit iets gewoon kan uitdrukken, altijd moet er op een dwangmatige manier een draai aan worden gegeven alsof hij wil zeggen: kijk mij eens een gekke vent zijn. Zo krijg je zinnen als: “… ze keek (-) als een verpleegster die na een half uur reanimeren tot de conclusie komt dat de patiënt haar nooit meer zal kunnen bedanken voor haar inspanningen.” Een ander hakkelt ‘met de blik van de onwetende die elke avond de hoogste instantie smeekt om maar nooit uitgezet te hoeven worden naar het land waar de wetenden wonen’. “Lamberto lachte als een kind dat een cadeautje krijgt waar hij niet om had durven vragen.”

Er zijn in De zus die Anna Magnani niet was bijna geen bladzijden waarop niet zo’n al dan niet lollig bedoelde vergelijking voorkomt.

Bij Von Bienefeldt kan iets ‘net zo zeldzaam (zijn) als muizen in een tehuis voor zwerfkatten’ en iemand die aan iets wil denken dat niet bestaat, denkt aan een sprinkhanenplaag op de maan of aan een slapende giraf op de binnenplaats van het gemeentehuis.

Vroeger had je leuke ooms die op verjaardagen zo praatten om hun ontluikende neefjes en nichtjes te imponeren, maar gelukkig onthielden zij zich doorgaans van het schrijven van romans, zodat buiten de familiekring niemand aanstoot hoefde nemen aan hun amechtige ongein. Nu hebben we dus Aristide von Bienefeldt. De zus die Anna Magnani niet was is zijn vierde roman; hij debuteerde in 2002 met Bekentenissen van een stamhouder.


Laten we het erop houden dat De zus die Anna Magnani niet was een ironische, althans ironisch bedoelde roman is. Twee zussen en twee broers proberen er na de dood van hun ouders het beste van te maken. Gevieren bewonen ze het ouderlijk huis in Zwaanstad, ieder heeft zijn eigen kamer en leeft zijn eigen leven. Ze staan in Zwaanstad bekend als pasta-eters, maar dat is natuurlijk omdat hun vader een Italiaan was.

Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van Alice Nola. Blommia, de oudere zus, heeft werkzaamheden buiten de deur; Emiel en Castro zijn hun broers. Al in het tweede hoofdstuk onthult de schrijver dat Alice en Castro in hun tienerjaren een incestueuze relatie onderhielden; Castro is daarom een tijdlang verbannen geweest.

Toch is dat niet de belangrijkste verhaallijn, zo er al een verhaallijn valt te ontdekken. Eerst worden er drollen aangetroffen in de tuin van de Nola’s, een tuin van enorme afmetingen met een Achterland en bospartijen en al, en dan is er een kat die door Alice liefdevol wordt opgenomen. Brenas noemt ze het beest in wie ze de messias meent te herkennen. Tegelijkertijd geeft mevrouw Van der Sijsjes (ook wat namen betreft geeft Von Bienefeldt blijk van gevoel voor humor) haar kat Lulu als vermist op.

Als dat het verhaal is (en dat is het), is al dat hysterische gedoe eromheen nogal eh…, vermoeiend.

Aristide von Bienefeldt: De zus die Anna Magnani niet was. Meulenhoff, €18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Frank van Dijl