Hospita met negervriend

Nooit gedacht dat een Nederlandse film nog eens te lijden zou hebben aan een overdaad aan figuranten. In de voorbije jaren was immers altijd sprake van het tegenovergestelde. Nederlandse filmmakers zijn van oudsher gewend zich in de vreemdste bochten te wringen om de suggestie te wekken dat er een menigte op de been is.

Sonny Boy heeft daarentegen géén gebrek aan figuranten. Gaandeweg springen ze zelfs hinderlijk in het oog, al die voorbijgangers die enorm geconcentreerd bezig zijn voorbij te gaan. Misschien lijkt dit een kinderachtig verwijt. Maar ik geloof dat de opdringerige aanwezigheid van figuranten hier een symptoom is van een gro-ter probleem. Alles aan deze film is na-druk-ke-lijk. Regisseur Maria Peters ontpopt zich tot een cinematografische kilo-knaller die ernaar streeft het filmdoek voortdurend zo goed mogelijk te vullen. Bij een korte scène van een auto die over het platteland pruttelt, werd – lekker Hollands – gekozen voor een shot met een molen. Op de ruit van de groentenhandel staat ‘Groentenhandel’ (waarbij de makers over het hoofd zagen dat je dat in de jaren dertig anders spelde). De gluiperige huisbaas is de ultieme belichaming van gluiperigehuisbazigheid. De Duitse soldatenlaarzen stampen voortdurend de kalk van het plafond. Frits Lambrechts was nog nooit zó ontzettend Frits Lambrechts. De SS-bullebak introduceert zichzelf zekerheidshalveals ‘de grootste jodenjager van Nederland’. En op de voorzijde van de trein die joden depor-teert, prijkt een enorme swastika. Let op mensen: hier rijdt een nazi-trein! De makerszijn zó bang dat de kijker iets over het hoofd ziet, dat ze personages, situaties en locaties voortdurend accentueren en uitvergroten. Het ‘less is more’-beginsel is ze onbekend. Gevolg is dat bijna alle zuurstof, alle leven uit de film wordt geperst.

Toch jammer, want het boek van Annejet van der Zijl (meer dan 320.000 exemplaren verkocht) waarop deze film gebaseerd is, vertelt een aangrijpend en waargebeurd verhaal. Sonny Boy gaat over de lotgevallen van de Surinaamse student Waldemar Nods (gespeeld door Sergio Hasselbank) die in 1928 in Den Haag arriveert en daar met zijn donkere huidskleur als een bezienswaardigheid geldt. Hij begint een verhou-ding met zijn hospita Rika (Ricky Koole), moeder van vier kinderen. We krijgen een beeld van het ordentelijke en aangeharkte Holland van de jaren dertig alvorens verzeild te raken in de Tweede Wereld-oorlog, waar beide hoofdpersonen onbarmhartig door het noodlot worden getroffen. Aan dramatiek geen gebrek, en sporadisch breken die emoties ook wel door op het filmdoek. Zo krijgen we iets mee van de onwennigheid en eenzaameid die de jonge Surinaamse student bij aankomst in Nederland moet hebben gevoeld. En door de ogen van Rika ervaren we zo nu en dan iets van het sociale isolement waarin zij – gescheiden vrouw met ‘negervriend’ – terecht was gekomen. Maar de meeste scenes voelen te onwaarachtig om te ontroeren. Maria Peters is vooral bekend als maker van kinderfilms. Ze is er niet vol-doende in geslaagd dat idioom los te laten. Zo wordt Sonny Boy door Grote Gebaren aan het zicht onttrokken.


Sonny Boy. Regie: Maria Peters. Vanaf 27 januari in de bioscoop.

Erik Spaans