Makkum heeft alles

Wat nou Spanje of Griekenland? Wie zijn ogen de kost geeft, kan zomaar een Nederlands walhalla aan het water ontdekken. Waar je tegen betaling kunt slapen in de plaatselijke nor.

In gesprek raken met Johann en Nannie Schmid is meer dan zomaar een vakantiepraatje. Dit echtpaar uit Assen (‘we kennen elkaar al veertig jaar’) is hevig verliefd geworden op wat reeds in vele blogs van toeristen als een ‘fantastische plek’ is omschreven, en heeft vervolgens de uiterste consequentie van hun verliefdheid op de schouders genomen: investeren met lef, en verbouwen tot je erbij neervalt. Ter bevestiging van de verliefdheid surft Nannie, uitkijkend over ‘de baai van Makkum’, met het puntje van haar nagel naar de immense collectie luchten die ze heeft geschoten. “Echt! Ik overdrijf niet als ik zeg dat je hier de hele dag bezig kunt zijn met verbaasd omhoog kijken. Je ziet hier zo’n verscheidenheid qua wolken, lichtval en kleur!” Om tóch nog weer even in mierzoete vakantiesferen terug te keren: ze heeft een apart bestand met zonsondergangen. “Hier! Zie je dat? Is het niet schitterend? Ik zit hier regelmatig ademloos naar die zakkende zon boven de waterspiegel te staren.” Haar foto’s doen inderdaad qua romantiek en esthetisch niveau niet onder voor de meest gelikte strandtaferelen in Spanje of Griekenland. En al dat moois genomen vanuit de oer-Friese baai te Makkum!

Terwijl Johann (60) met stemverheffing over misschien wel het grootste avontuur uit zijn leven vertelt – de merkwaardige aankoop van het politiebureau -, zwaait hij ondertussen naar het jonge schoolmeisje, naar de stoere meneer met de hond, naar de vrouw op de fiets en naar het stelletje dat hand in hand tegen de wind in zwoegt. Steeds als Johann zwaait, draai ik mijn hoofd en zie ik de voorbijgangers met een gulle lach terugzwaaien. Een gulle lach die extra lading krijgt door het miezerige weer. Vergiftigd door het zien van The Truman Show denk ik een paar seconden dat ik in een film zit. Maar nee – het is allemaal spontaan! En volkomen natuurlijk! Of toch niet? Wordt de weekbladjournalist briljant gemanipuleerd? Uit het lokale krantje, de Makkumer Belboei, zou je kunnen opmaken dat het plaatsje in een doodsstrijd verwikkeld is. En dat het, gezien de omvang van de catastrofe, een relatief kleine moeite is via een gemleerd gezelschap van vrolijke passanten die ene binnengewaaide journalist uit Holland een idyllisch beeld voor te schotelen. “Zet het verval door in Makkum?” schrijft het krantje vanwege de recente sluiting van supermarkt Van de Wal. Om inktzwart te vervolgen: “Als het de trend wordt in Bolsward, Sneek en Harlingen te gaan winkelen, kan ook de rest van de winkeliers hun deuren wel sluiten. Let wel: geen winkels, geen toeristen. Geen toeristen, geen inkomsten. Maar ook geen braderieën, geen sinterklaasintocht, geen kerstmarkt, geen sponsoring van verenigingen.”


Terwijl de oude economie zich amechtig terugtrekt, hebben Johann en Nannie met de consequent doorgevoerde verbouwing van het politiebureau en de bijbehorende gevangeniscellen onmiskenbaar een nieuwe dimensie aan Makkum toegevoegd. Via hun website prikkelen ze gezinnen, gezelschappen en stellen uit heel Nederland om in de Baaies.nl te overnachten onder het stemmige boekenplankje met titels als Onder dienders, De baas op straat en Waakzaam en dienstbaar. Zouden de Makkumers – andere mogelijkheid! – zo trouw zwaaien uit diep respect voor hun allernieuwste pioniers? In de wetenschap dat zij een elan en levendigheid injecteren die hun woonplaats van zichzelf niet meer heeft? “In alle eerlijkheid heeft het me wel verbaasd,” zegt Johann, “dat er vanuit de omgeving geen belangstelling is getoond voor dit pand. Vooral als je ziet wat voor een beperkte ruimte ze zelf hebben en wat voor een fantastische uitspanning ze hier, op een steenworp afstand, hadden kunnen beginnen.”

Ondertussen is hij maar wat blij dat het zo gelopen is. Johann en zijn vrouw zijn, om maar even op J.C. Bloem te alluderen, domweg gelukkig in hun politiebureau. Zeker voor hem is het een late thuiskomst. “Ik ben in Makkum geboren. En heb hier tot mijn vijfde mijn jeugd doorgebracht. Verderop, op de begraafplaats, ligt mijn moeder. Als ikzelf kom te overlijden, wil ik naast haar komen te liggen.” Johann blijkt bij navraag antropoloog te zijn, hetgeen zijn liefde voor de gebruiken van de Makkumers verklaart. “Ik neem je mee naar het vishok,” had hij eerder al over de telefoon aangekondigd. “Dat is een schuurtje hier verderop, waar een select groepje mannen uit de omgeving de week bespreekt. Wel een tip: trek ouwe kleren aan. Want als je na twee uur weer buiten staat, stink je een uur in de wind.” Ik vraag wat er in dat illustere vishok zoal te sprake komt. “Handel, roddel, grappen, kortom, alles!” roept Johann.


Een van de grootste grappen heeft Johann zelf meegemaakt. “In de periode dat we aan het opknappen waren, kwam ik hier ooit aanrijden met een aanhangwagentje. Ik wilde mijn auto met aanhanger op het dijkje parkeren, maar ik durfde niet goed. Komt er een bonk van een kerel aan die zegt: ‘Ik help je wel effe.’ Want zo zijn de Makkumers: ongecompliceerd en uiterst behulpzaam. Enfin. Nadat we samen de aanhangwagen op de dijk hebben getild, vertelt die bonk dat zijn vader er jarenlang als politieman gediend heeft. Vervolgens vraagt-ie: ‘Ga jij hier wonen?’ Ik zeg, bij wijze van grap: ‘Ja. We gaan hier een gastenverblijf maken. En in de cellen kun je straks sm bedrijven.

‘ De stevige bonk tilt zijn wenkbrauw op en zegt: ‘Misschien kunnen we dan zaken doen. Ik zit in het leer.’ Hahahaha! Wat blijkt: hij is de enige fulltime producent van leren kaatsballen in Europa! Een paar weken later wordt het nóg maffer. Komt er iemand in de kroeg naast me zitten, die begint te fluisteren: ‘Héééé, ik heb gehoord dat jij hier een kinky nachtclub gaat beginnen…’ Tja. In een dorp als dit gaat elk verhaal als een lopend vuurtje rond.”

Nadat Johann en Nannie zich hebben verkleed in respectievelijk politieuniform en boevenpak, en de fotograaf de gewenste plaatjes met ‘ironische toets’ heeft geschoten, staan we allemaal in het halletje, startklaar om naar het illustere vishok te vertrekken. “Het is een voorrecht, hoor!” benadrukt Johann als we door het dorp lopen en de schaduw van de boomtakken over zijn wangen glijden. “Alleen omdat ik hier vandaan kom en het vertrouwen geniet van de groep, kunnen we erheen. Anders kom je er niet tussen!” Na het slechten van enkele brandgangetjes en tuinpaden staan we opeens bij een provisorisch, houten gebouwtje met een puntdak. “Jas uit,” souffleert Johann en hangt onze dikke textielmonsters gezwind op een haakje.


We duiken het vishok in en geven iedereen een hand. “Bezoek uit Holland!” schreeuwt iemand. Even later krijg ik een stoel, een vers stuk kabeljauw en een biertje aangeboden. Wat opvalt is de onnoemelijke hoeveelheid troep die als een deken om de mannen heen hangt: emmers met bierdoppen (allemaal Amstel), oude potten en pannen, allerlei soorten bouwmateriaal en, niet in de laatste plaats, overal teksten en foto’s van de overleden leden van de vishokgroep; een genoeglijk gezelschap dat ondernemers, timmerlieden, tegelschilders, concièrges, monteurs en winkelmanagers herbergt. U weet wel, wat in een ver verleden zo vredig ‘een dwarsdoorsnede van de samenleving’ werd genoemd.

Albert, de man die de vis bakt en het meest welbespraakt lijkt, geeft een korte inleiding terwijl Johanns tenen van plezier bijna uit zijn schoenen krullen (alsof hij zeggen wil: “Nou, is dit couleure locale of niet?”). “We komen hier al zo’n 25 jaar bij elkaar. Soms gaat het over serieuze zaken, soms over de lichte kant van het leven.” Die laatste kant wordt halverwege de bijeenkomst vertegenwoordigd door hilarische grappen over de achternaam Poepjes, die in deze streek kennelijk veel voorkomt. Maar naarmate de tijd vordert, wordt Albert serieuzer en wil hij mij overtuigen van de totale overbodigheid van het leven buiten Makkum: zijn dochters wonen er en zullen er zijn inziens altijd blijven wonen, uitgevlogen familieleden keren vroeg of laat terug, en ook hijzelf en zijn vrouw doen weleens knotsgekke pogingen Makkum achter zich te laten, maar lang duurt dat nooit. “Afgelopen zomer zat ik samen met mijn vrouw in een huisje in Normandië,” vertelt Albert ernstig. “Maar dan kijken we elkaar na een week ineens aan en dan zeggen we bijna gelijktijdig: ‘Het is hartstikke leuk hier, maar in Makkum horen we thuis!'”


Weer wat later, als ik huns inziens misschien tóch nog onvoldoende onder de indruk ben, laten alle vishokkers hun licht nog eens schijnen over hun eigen loyaliteit jegens dit zaterdagse festijn. De meesten gebruiken het woord ‘jus’. “Dit is de jus van het leven,” zegt de een. “Dankzij deze jus kun je de rest ook weer aan,” zegt de ander. “Als deze jus er niet meer zou zijn, wordt het zwaar,” meent een derde.

Ook de rest van de avond dartelt Johann (met Nannie in zijn kielzog) jongensachtig vief door nachtelijk Makkum, alsof hij warmdraait voor de titel nachtburgemeester. Als we in het spiksplinternieuwe ‘multifunctionele centrum’ naar het stuk Chez Dolly gaan, uitgevoerd door de plaatselijke toneelvereniging, maakt hij met iedereen een praatje en iedereen met hem. Sommige Makkumers kijken wat onzeker tegen mij aan (via via is mijn aanwezigheid razendsnel doorgesijpeld), en proberen, in een aanvechting volwassenheid te tonen, nadrukkelijk hun banden met de Randstad of de globalisering up te graden (“Ik kom net uit Canada” of “Vanavond heb ik Russen te logeren”). Johann zie ik daarentegen intens genieten van zijn herwonnen plek in deze kleine gemeenschap. Of het nu gaat over dorpspolitiek, hondenpoep of lokale criminaliteit, hij vliegt elke conversatie druk gebarend binnen en schildert zijn visie met verve. Al met al vormt hij een tamelijk hilarisch commentaar op de gloednieuwe partij 50PLUS, die steen en been klaagt over de benarde positie der babyboomers. Als ze ooit een spotje gaan opnemen, zou ik adviseren plankgas langs Makkum te sjezen. Want Johann is als van oor tot oor stralende vijftigplusser een levende ontkenning van hun raison d’etre.


Zelf geniet ik trouwens met Johann mee. Zeker na afloop van het toneelstuk, als de spelers een voor een uit de kleedkamer komen en in de armen van familie of bewonderaars vallen. Een van de blonde hoofdrolspeelsters, vertelt Johan, verdient haar centjes achter de toonbank bij de slager en zal de komende week veel mondelinge recensies ontvangen. De slager zelf is ook in het feestgedruis aanwezig en glimlacht: “Ik heb haar eindeloos geholpen met de teksten. Maar het was gelukkig niet voor niks.”

Wanneer ik na een avondje stappen in Makkum en afscheid van Johann en Nannie eindelijk in mijn cel beland, sla ik enkele van de zorgvuldig gerangschikte boeken open en geniet ik van de stemmige zwart-witfoto’s waarop dienders op hun fietsen over het Makkumse dijkje peddelen. Volgens Johann zijn er nooit ernstiger schooiers dan stropers en zatlappen opgepakt en in deze cel gegooid. Die wetenschap ademt knusheid. Evenals het antwoord dat ik zo-even, vlak voor sluitingstijd in de kroeg kreeg toen ik aan een Makkumer vroeg hoeveel moslims er naar zijn beste weten in het plaatsje woonde en hij, in de verte turend, tot de slotsom kwam: “Twee.”

Hans van Willigenburg