Angst voor democratie

De opstand begon in de provincie en sloeg al twitterend naar de hoofdstad Tunis over.

Er gaan grote schokgolven door de Arabische wereld. In Tunesië is president Ben Ali onverwacht na een volksopstand op de vlucht geslagen, en dat heeft ontevreden burgers in andere landen geïnspireerd om ook de straat op te gaan. In Egypte lijkt Hosni Mubarak, die al dertig jaar president is, tot zijn laatste snik te vechten. Ook in Jordanië en Jemen zijn jongeren de straat opgegaan. Nergens in de Arabische wereld kunnen de machthebbers, lange tijd een garantie voor ‘stabiliteit’, zich nog veilig voelen. Iedereen voelt wel aan dat die stabiliteit een aflopende zaak is en dat vroeg of laat het deksel van de pan vliegt. Tegelijkertijd is het vertrouwen in een soepele overgang naar een vorm van democratie gering. Daar hebben de moslimbroeders en de ‘Partijen van God’ voor gezorgd, alsmede de islamitische revolutie in Iran, die de regio al sinds 1979 in gijzeling houdt. Allah is groot en in zijn naam heerst er angst voor chaos, geweld en duisternis.

In dit bedrukte klimaat ruikt de Jasmijnrevolutie in Tunesië naar een Arabische lente. De opstand begon spontaan in de provincie, en sloeg al twitterend naar de hoofdstad Tunis over. Nu eens geen woedende moslims die ‘dood aan Amerika’ en ‘dood aan Israël’ roepen, maar goedopgeleide Franssprekende jongeren, die klagen over werkloosheid en hoge voedselprijzen. Dertig jaar na Khomeini, die uit ballingschap in Parijs was ingevlogen maar uit de middeleeuwen leek te komen en aan elke vooruitgangsgedachte een eind maakte, is dat een historisch wonder, alsof Karl Marx uit de dood is opgestaan. Helemaal juist is dat niet, want het zijn de verguisde regimes in Tunesië en Egypte die nog iets van ‘Arabisch socialisme’ in ere houden en het dagelijks brood van hun onderdanen subsidiëren. Dat dempt de vooruitzichten, want als deze landen ‘vrij’ worden, stijgen de prijzen van de eerste levensbehoeften als eerste. En daar staat niet, zoals bij de anti-communistische revoluties in Oost-Europa, de sensatie tegenover van de verkrijgbaarheid van westerse consumptiegoederen, want die zíjn al in ruime mate verkrijgbaar voor de geprivilegieerde bovenlaag die het betalen kan. Het is die schaamteloze corruptie die deze elites zo onpopulair maakt en ook het Westen – dat deze regimes bij gebrek aan beter steunt – een slechte naam geeft.


Toch is het een verademing dat de opstand in Tunesië zich in eerste instantie tegen de president en de Trabelsi-familie van zijn vrouw richtte, en niet tegen het Westen. Iedereen leek erdoor verrast, niet alleen de Amerikaanse en Franse regeringen (waarvan de Fransen in Noord-Afrika altijd achter de feiten aanlopen en vanwege vanwege hun bloedige koloniale oorlog in Algerije uiterst beducht zijn voor elke volksopstand in deze regio), maar ook de dictators in de Arabische wereld en de moslimbroeders die ervan zouden moeten profiteren. Tunesië ligt dichtbij Italië en is gewend aan westerse toeristen. Dat biedt kansen voor een nieuwe generatie die zich nog niet gek heeft laten maken door de hysterie in de moslimwereld. Dat schept een beter klimaat voor democratische experimenten, die in buurland Algerije in 1992 na een dreigende overwinning voor de moslimfundamentalisten van het FIS op een drama uitliepen. Tunesië gold als stabiel en was zelf een toevluchtsoord, bijvoorbeeld voor PLO-leider Arafat toen hij uit Beiroet werd verdreven, en voor de Italiaanse socialistenleider Bettino Craxi, toen het die begin jaren negentig in eigen land te heet onder de voeten werd. Maffieuze politici: ze komen ook in Europa voor.

Egypte is een giftiger geval. Het land is de bakermat van het Arabisch nationalisme, belichaamd door volksheld Gamal Abdel Nasser, en van de Moslimbroederschappen, in 1981 verantwoordelijk voor de moord op president Anwar Sadat, die vrede met Israël had gesloten. Er vinden geregeld aanslagen plaats, pas nog op een koptische kerk in Alexandrië. De plunderingen van het nationaal museum en het uitbreken van gevangenen doen al angstig aan Bagdad denken. De Amerikaanse regering heeft Mubarak tot hervormingen en respect voor de mensenrechten gemaand, maar zal zich herinneren dat een vergelijkbare oproep van VS-president Jimmy Carter de val van de sjah in 1979 heeft ingeleid. Voor Barack Obama, die in Caïro een verzoenende speech tot de moslimwereld hield en het woord ‘democratie’ niet in de mond nam, is er geen grotere nachtmerrie dan Iraanse toestanden in Egypte. Hij moet hopen dat de diplomaat Mohammed El Baradei, die als hoofd van het Internationaal Atoomagentschap George Bush jr. in verlegenheid bracht, een redelijk alternatief kan zijn. Diezelfde Bush beoogde met zijn inval in Irak een regime change in het Midden-Oosten, tot afgrijzen van alle Amerikaanse bondgenoten in de regio. Velen verklaarden hem voor gek. Maar de Arabische roep om vrijheid en democratie is er nu niet minder om, en uiteindelijk moeten de antistoffen tegen de moslimterreur toch uit de regio zelf komen.

import dirk jan van baar