Helletocht

Fremantle kent natuurlijk iedereen. AC/DC-voorman Bon Scott groeide op in dit West-Australische kustplaatsje. Hij leerde er doedelzak en drums spelen. Deze maand is het 31 jaar geleden dat de hardrockzanger met schuurpapieren stem overleed aan acute alcoholvergiftiging.

‘HEY SATAN, PAYIN’ MY DUES!

PLAYIN’ IN A ROCKIN’ BAND!

HEY MOMMA, LOOK AT ME!

I’M ON MY WAY TO THE PROMISED LAND!

I’M ON THE HIGHWAY TO HELL!

HIGHWAY TO HELL!

I’M ON THE HIGH:”

Klik!

“We moeten aan de buren denken.”

Gedecideerd legt Ross Ingraham de geluidsinstallatie, die eerder nog op oorsuizend volume AC/DC-songs uitbraakte, het zwijgen op. In meer dan één opzicht wil hij geen herrie in deze keurige buitenwijk van Fremantle, een vissersplaatsje ten zuiden van Perth, Western Australia. Bovendien, het voertuig waarin hij door dit zonovergoten suburbia tuft, is van zichzelf al schreeuwerig genoeg. ‘HIGHWAY TO HELL’ staat er op de flanken van het trammetje geschreven, in vlammende letters en vergezeld van de bliksemschicht die we kennen uit het logo van de Australische hardrockgroep AC/DC, die in 1979 met Highway to Hell een klassiek geworden album afleverde. De kreet ‘Highway to Hell’ prijkt ook op het T-shirt dat Ross over zijn buik heeft getrokken. Want Ross is reisleider op de Highway to Hell-tour, die sinds twee jaar toeristen naar Freman-tle moet lokken. De tocht is een eerbetoon aan Bon Scott, oud-leadzanger van AC/DC en de bekendste zoon van Fremantle. Zijn hoogbejaarde moeder Isa woont er nog steeds en toucheert volgens Ross nog elke maand tienduizend Australische dollars aan royalty’s voor door haar zoon geschreven klassiekers als Whole Lotta Rosie, Dirty Deeds Done Dirt Cheap, Rock ‘n’ Roll Damnation en Kicked in the Teeth. En Highway to Hell dus, zijn eigen zwanenzang.

Op 19 februari is het 31 jaar geleden dat Ronald Belford Scott overleed. In Londen, met een kleine hoeveelheid bloed in zijn alcohol. Opgerold in een veel te krap autootje na een avond stevig stappen, stikte de zuipschuit met de schuurpapieren strot en de duivelse grijns in zijn eigen kots, slechts 33 jaar oud. ‘Death By Misadventure’ vermeldt de officiële akte van overlijden. En: ‘Acute Alcoholic Poisoning’. Bon bekeek de wereld bij voorkeur door de bodem van een whiskyfles.


Geboren in het Schotse Forfar, op 9 juli 1946, en opgegroeid in Kirriemuir, verhuisde de jonge Ronald in 1952 met zijn familie naar het Australische Melbourne, waar hij op school zijn bijnaam Bon kreeg. Er was al een Ronald in zijn klas en ‘Bonnie Scotland’ was ook toen al een bekende uitdrukking, vandaar. Omdat er astma in het gezin voorkwam, verhuisden de Scotts in 1956 naar het gezondere Fremantle, aan de andere kant van het immense land. Bon werd er een gewaardeerd lid van het lokale doedelzakkenkorps. Met zijn trommeltje, blaasbalg en geruite kilt deed hij in 1962 mee aan de openingsceremonie van de Commonwealth Games. Braver is hij nooit meer geweest, want niet lang daarna begon hij aan zijn persoonlijke highway to hell, een weg die geplaveid zou worden met lege flessen en damesslipjes. Bon Scott werd de verpersoonlijking van de heilige drie-eenheid sex, drugs & rock-‘n-roll. Een no-nonsense wildeman die zo authentiek was als maar mogelijk. De Bon van de bühne was dezelfde als de Bon uit de kroeg. Vandaar dat hij, ondanks het leeftijdsverschil met de rest van de groep, zo prima paste bij het eveneens pretentieloze AC/DC, de enige band ter wereld wier leden ooit zijn aangezien voor hun eigen roadies.

Terug naar Fremantle, 2011. Naar het begin van de Highway to Hell-tour van Ross Ingraham, een man die eruitziet alsof hij zojuist melk heeft gedronken. Maar dat is niet zo. Ross heeft die spierwitte snor van zichzelf. Hij begroet me bij het standbeeld van Bon Scott in de haven, schuin tegenover het fameuze fish & chips-restaurant Cicerello’s (anno 1903), waar de terrassen zijn opgeleukt met het opschrift ‘Please don’t feed the seagulls or they will S.O.Y.’ Dat laatste is gekuist taalgebruik voor Shit On You. De 90 minute tour of Fremantle visiting places connected with Bon Scott belooft een tocht langs het ouderlijk huis, de scholen waar Bon op heeft gezeten, de gevangenis waarin hij heeft moeten brommen, het kerkhof waar zijn laatste resten liggen, het standbeeld ‘en meer’. En vooral dat laatste is opmerkelijk, want niet alleen voor Australische begrippen is Fremantle maar een kleine plaats.


Ross heeft Bons vader Charles, ‘Chick’ voor intimi, persoonlijk gekend. Ze werkten samen in de koekjesfabriek. “Maar als ik eerlijk ben,” zegt Ross, “kwam ik er pas later achter dat hij de vader was van de zanger van AC/DC. Chick sprak nooit over Bonnie en wat hij allemaal bereikt had. Bescheidenheid? Nou, eigenlijk denk ik dat Chick en Isa zich een beetje schaamden voor hun zoon…”

Wat als eerste opvalt aan het beeld, is dat het kleiner is dan dat van André Hazes op de Albert Cuyp. Des te opmerkelijker dat Ross beweert dat het op ware grootte is gemaakt. “Bonnie was maar een heel klein mannetje, dat vergeten de meeste mensen. Een meter zevenenvijftig, groter was-ie niet.” Schalks: “Maar kennelijk was-ie niet overál klein, want de meiden waren gek op ‘m!” Wijzend op het geprononceerde, in brons gegoten kruis: “Vrouwen die zich hier laten fotograferen, grijpen hem daar ook altijd even stevig vast.” Grote kans dus dat de gulp van Bon Scott over een aantal jaren net zo glimt als de borst van Romeo’s Julia, in de Via Capello te Verona.

“Okay, let’s crank this up a bit!” zegt Ross, als hij achter het stuur van het Highway to Hell-trammetje heeft plaatsgenomen. Hij voegt de daad bij het woord en draait de volumeknop van de dvd-speler aan boord de enig juiste kant op: de rechter. Niet veel later schuurt het smerige geluid van AC/DC langs de wanden van het voertuig. “It’s a long way to the top, if you wanna rock ‘n’ roll,” blèrt Bon in deze autobiografische klassieker, die door spitsvondige reclamemakers ooit is verbasterd tot ‘It’s a long way to the shop if you want a sausage roll’. Voor dappere Ross moet het een kwestie van doorbijten zijn: hij groeide op met The Beatles en ‘het hardste wat ik vroeger draaide, was Creedence Clearwater Revival’.


Ongemerkt zijn we opgestoomd naar een gebouw dat een rol heeft gespeeld in de jonge jaren van Bon Scott. “Dat daar is de Caledonian Hall,” zegt Ross, terwijl ik me met lichte tegenzin losscheur van het tv-scherm, waar een oorverdovende versie van mijn favoriete AC/DC-song Riff Raff ten beste wordt gegeven. “Daar heeft Bon doedelzak en drums leren spelen. Hij heeft er zelfs prijzen mee gewonnen.”

Nadat ik het aanbod om een foto van het gebouw te maken heb afgewezen, zet de rijdende jukebox koers richting North Fremantle, waar de familie Scott woonde. Het gaat om het huis met de meest rommelige tuin van allemaal – en dat terwijl de Scotts er toch alweer jaren geleden zijn vertrokken. Wat volgt op de route, zijn Bons lagere en middelbare school, al heeft hij dat laatste instituut voornamelijk van de buitenkant gezien. “Hij was een slechte leerling en lag meestal met een van z’n vriendinnetjes in de bosjes,” zegt Ross – en er lijkt iets van jaloezie in zijn stem te door te klinken. Dan: “Als je wilt, kan ik je ook even naar ons oorlogsmonument brengen. Een eerbetoon aan de mannen die in de Eerste Wereldoorlog bij Gallipoli naar de slachtbank zijn geleid. Heeft niets met Bonnie te maken, maar dan kan ik tenminste even naar het cricket luisteren.”

Een paar innings later staan we voor de majestueuze poort van de Fremantle Prison, een Rijksmonument uit 1860. Hier werd Bon Scott als puber veroordeeld voor het stelen van 55 liter benzine. En het opgeven van een vals adres. En, en passant, voor het hebben van geslachtsgemeenschap met een eveneens minderjarig meisje. Hij werd er veroordeeld tot twee jaar en zat negen maanden daarvan daadwerkelijk uit – in een elders gelegen jeugdgevangenis. “Bonnie heeft hier maar een paar uur gezeten,” grijnst Ross. “Daarom moet ik ook altijd zo lachen als ik mensen tegenkom die zeggen dat ze hem nog uit Fremantle Prison kennen. Die uurtjes moeten dan wel een enorme indruk hebben gemaakt!” Waarom Fremantle Prison dan wel in de route is opgenomen, wordt niet geheel duidelijk. Wellicht om mensen lekker te maken voor de Fremantle Prison Tour, die door hetzelfde bedrijf wordt georganiseerd.


En dan wordt het tijd om de Highway to Hell-tour te sublimeren. We gaan Bon zelf opzoeken. Al is ‘zoeken’ een misplaatste term, want als we het kerkhof naderen weten we al precies waar we moeten zijn.

Bon Scott heeft zijn eigen ingang!

Een fraai gietijzeren hek, de Bon Scott Memorial Entrance, afgewerkt met de bekende AC/DC-bliksemflits, geeft toegang tot het grindpad dat leidt naar de plek waar Bons as ligt. “Ze hebben ‘m destijds gecremeerd omdat ze bang waren dat fans ‘m zouden opgraven,” weet Ross te vertellen.

Voor iemand die miljoenen platen heeft verkocht en hele volksstammen heeft vermaakt – en dan doel ik niet alleen op de vrouwelijke fans – is het een zeer bescheiden gedenksteen waaronder de resten van Bon Scott rusten. Het is eerder de steen van iemand die zijn leven lang in een koekjesfabriek heeft gewerkt. Die vergelijking is eenvoudig te maken, want schuin tegenover de steen van Bon ligt die van Chick – net zo simpel en zonder franje. Wel wordt Bon extra geëerd met een bankje, gedoneerd door de familie. Wat opmerkelijk mag heten, aangezien Schotten doorgaans lijm aan hun vingers hebben zodra ze geld in handen krijgen. “Ik heb hier eens een Amerikaanse marinier gehad,” zegt Ross, “die de hele wereld over was geweest en overal had gevochten. Keiharde jongen. Barstte in janken uit toen hij het graf van Bon Scott zag. Dat betekende ontzettend veel voor hem.”

Ook bij mij zoekt het traanvocht een uitweg, maar dat komt omdat de zon zo onfatsoenlijk hard schijnt.

“Bon Scott is niet de enige beroemde inwoner van Fremantle die hier ligt,” declameert Ross, bladerend in zijn pape-rassen. En hij vertelt over Moondyne Joe, een paardendief die uit elke gevangenis wist te ontsnappen tot ze er speciaal eentje voor hem bouwden. Over Eric Edgar Cooke, een seriemoordenaar die geldt als de laatste man die in Western Australia is opgehangen. En over Martha Rendell, die aan het begin van de twintigste eeuw drie van haar stiefkinderen vergiftigde (de vierde rende op tijd weg).


Ja, Satan heeft aardig kunnen verdienen aan Fremantle!

Michiel Blijboom