Het zwarte schaap

Ondanks haar gereformeerde achtergrond heeft schrijfster Marian Donner – inderdaad, familie van – niet zo veel op met het Woord Gods. In haar tweede roman ‘Lily’ kiest de hoofdpersoon voor een leven als prostituee om de ultieme vrijheid te vinden. ‘God is dood.’

Marian Donner is een nachtvlinder. Zodra de klok middernacht slaat, wordt ze energiek. Terwijl buiten alles stil en donker is, zit zij binnen te schrijven: alleen in haar appartement, sigaretten onder handbereik, in de prettige wetenschap dat de meeste mensen slapen.

De 36-jarige schrijfster is een telg uit het bekende Donner-geslacht. Zeer gereformeerd en koningsgezind, dat is de familie Donner ten voeten uit. Een Donner heeft een verantwoordelijke maatschappelijke functie: in het recht, in de politiek of als verspreider van het Woord Gods.

Woorden verspreidt Marian Donner wel, maar daar zit geen Woord Gods bij. Lily, haar tweede roman die eind januari verschijnt, gaat nota bene over een prostituee die haar ‘royale’ lichaam geheel vrijwillig verkoopt. Ook verdient Donner haar geld niet als minister, zoals haar opa of haar neef Piet Hein, maar als telefoniste bij een escortbureau. “Ik weet niet hoe de familie daar tegenaan kijkt – er komen daar trouwens ook gereformeerden! Misschien wordt er wel schande van gesproken, maar dat maakt me niet uit. Ik ben min of meer in de voetsporen van mijn vader getreden. Hij was absoluut het zwarte schaap van de familie en ging een heel andere weg dan de rest.”

Haar vader, dat is Hein Donner: de in 1988 overleden schaakgrootmeester en publicist en boezemvriend van Harry Mulisch, die over hun vriendschap De ontdekking van de hemel schreef. Net als hij heeft ze het van-negen-tot-vijf-keurslijf van zich afgeschud. Ze gaf een goede baan op om zich meer aan het schrijven te kunnen wijden, met als bijkomend voordeel dat ze niet meer om half negen ’s ochtends hoeft te beginnen met werken. Het is genetisch bepaald, zegt ze: ook haar vader leefde ’s nachts, sliep een gat in de dag en zat de donkere uren rokend en drinkend te werken in zijn kamer.


Ze koestert dat beeld. “Ik wachtte vaak tot mijn moeder ging slapen, om een uur of elf, en dan sloop ik in het donker de trap af en ging ik bij hem zitten. Het was echt zo’n hol: blauw van de rook, warm en gezellig. Misschien is mijn voorkeur ook wel deels psychologisch: dat ik de nacht zo fijn vind omdat die nachten met hem zulke geluksmomenten waren.”

Vier jaar geleden verscheen Donners debuut 8:30 uur: opstand, een verhaal over de grijze kantoorklerk Alexander die elke dag van zijn huis naar z’n werk gaat en van zijn werk weer naar huis. Zo gevuld als zijn huis is met de mooiste nieuwe spullen, zo leeg is zijn leven: volkomen verstoken van bevlogenheid, doel, contact, liefde. Pas als de hele wereld in brand lijkt te staan, wordt Alexander ‘wakker’.

Ook Lily gaat over iemand die zonder al te veel drive in het leven staat, of het moet haar seksdrive zijn. Lily meent als prostituee – zelf spreekt ze liever van ‘courtisane’ – ultiem vrij te zijn. Ze leeft en werkt op tijden die ze zelf verkiest, verdient veel geld, kan kleren en spullen kopen op internet, eet en drinkt naar hartelust en betrekt haar bijzonder voluptueuze lichaam behendig in het liefdesspel: “Aan mijn lichaam kun je zien dat ik geen grenzen heb,” zegt ze tegen haar klanten. “En vertel me nu eens wat je met al die vrijheid gaat doen?”

Waar haar vriendinnen Suzanne en Jasmin nog zingeving vinden in hun ideeën – Suzanne in astrologie, Jasmin in haar strijd tegen het onrecht in de wereld, culminerend in een (verloren) strijd tegen de registratie van prostituees – maakt Lily zich geen illusies meer en laat ze zich niet voor ideologische karretjes van anderen spannen. Een gevoelsarme opvoeding door een moeder die gelooft dat de mens en zijn hele leven slechts biologisch gestuurd zijn, heeft Lily’s bestaan van alle magie en betekenis beroofd. Lily vult de leegte – tevergeefs- met televisieprogramma’s, internet en overmatig eten, drinken en roken.


Donner had al een heel andere roman klaar over hoofdpersoon Lily toen ze op zoek ging naar een ander bijbaantje naast het schrijven, en haar oog viel op een advertentie van escortbureau Women of the World: ze zochten telefonistes. De werktijden en -uren bleken ideaal en Donners hese, diepe en lome stem is er perfect voor. De verhalen die ze vervolgens hoorde van de vrouwen die er werken, waren in haar ogen te goed om niet te gebruiken: ze gooide de roman weg en begon opnieuw. “Toen ik bij Women of the World ging werken, wist ik helemaal niets van de wereld van de betaalde liefde. De escortwereld is een schaduwwereld, eentje die parallel loopt aan de maatschappij en totaal onzichtbaar is. Ik weet nu dat eigenlijk iedereen wel iemand kent die in de escortbranche werkt, alleen weten ze dat niet. De vrouwen die in dit hoogste segment werken, zijn vrouwen zoals jij en ik: slim, sociaal, vaak hoogopgeleid, leuke vrouwen met een gezin, die studeren of een goede baan hebben. Deze vrouwen doen het vrijwillig en bepalen zelf hun grenzen; sommigen doen echt alles wat wordt gevraagd. Het is een aparte wereld waar de maatschappelijke regels niet gelden. Het is een wereld van verlangen zonder verantwoording of consequenties.”

Geen verheffend of vernieuwend onderwerp voor een roman misschien, maar het is Donner, zegt ze, om iets groters te doen: belangrijker dan een mooi of spannend verhaal vertellen vindt ze het om een beeld te geven hoe het is om in de huidige tijd te leven en wat voor invloed dat heeft op individuen. “We leven in een wereld waarin alles te koop is en waarin verlangen regeert. Schrijver Jonathan Franzen zei: ‘Mensen zijn op dit moment een soort tieners die op hun impulsen leven en zich niet kunnen beheersen, als kinderen in een snoepwinkel.’ In de escortwereld wordt dat nog veel meer uitvergroot, omdat die het legitiem maakt. Het universum is leeg, God is dood en allerlei maatschappelijke en ideologische vergezichten – zoals het socialisme of communisme – zijn weggevallen. Veel mensen zijn op zoek naar houvast, naar iets wat wél betekenis kan geven. Onze maatschappij lijkt erg vrij, maar is in veel opzichten juist heel onvrij. De manier waarop er continu prikkels worden gegeven om te consumeren, de invloed die grote bedrijven hebben – dat maakt ons helemaal niet vrij om eigen keuzes te maken. Er wordt weleens gezegd dat de maatschappij te veel is geïndividualiseerd, maar ik denk juist dat mensen nog méér zouden moeten individualiseren. We zitten er nu tussenin: ik wil lekker kunnen doen wat ik wil, maar de staat moet er wel voor zorgen dat mijn rotzooi wordt opgeruimd.”


Vrijheid is niet hetzelfde als grenzeloosheid of bandeloosheid, benadrukt ze. “Het gaat niet om de vrijheid om maar een beetje te doen waar je zin in hebt, maar om de vrijheid om je eigen keuzes te kunnen maken. Ware vrijheid vraagt veel verantwoordelijkheid, kiezen waar je je aan wilt verbinden en zin toekennen aan wat je doet.”

Vrijheid: het is een woord dat vaak valt tijdens het gesprek. Marian Donner hecht sterk aan haar vrijheid en wil zelf kunnen bepalen hoe ze haar leven inricht en met wie ze banden aangaat; die zijn dan ook heel hecht. Niet alleen dat heeft ze van haar vader, eigenlijk lijkt ze maar in één ding niet op hem: haar goede humeur. “De Donners zijn nogal zwaarmoedig en zwaar op de hand.”

Hein Donner was al een keer eerder getrouwd geweest en had uit die verbintenis een zoon en een dochter. Marian, uit zijn tweede huwelijk, bleef enig kind. Haar ouders waren extreem verschillend, zowel in ritme als in karakter. “Mijn moeder was raadsvrouwe, dus van de rechtlijnigheid, regels en begrenzing. Mijn vader zei dat zij er voor de opvoeding was en hij voor de lol. In mijn herinnering is dat ook zo. Mijn moeder was overdag naar haar werk, dus ik deed ’s middags als hij wakker was veel met mijn vader, vooral leuke dingen. Hij heeft me zelfstandig leren denken. Dan waren we bijvoorbeeld naar een musicalfilm geweest en dan zette hij me op een stoel: nou, wat vond je ervan? En dan mocht ik niet zeggen ‘leuk’, maar moest ik – hoe klein ik ook was – beredeneren wat ik wel en niet goed had gevonden. Ik was voor hem echt een gesprekspartner. En hij luisterde ook echt.”

De herinneringen van vóór haar negende jaar betreffen allemaal haar vader. Van de ene op de andere dag was het voorbij. Hij kreeg een hersenbloeding, Marian was erbij toen het gebeurde. De vijf jaar daarna, tot zijn overlijden, woonde hij in een verpleeghuis. “Alles veranderde. Ik herinner me dat vreemd genoeg vooral door concrete dingen. Mijn vader gaf me altijd mijn zakgeld: ik kreeg twee gulden vijftig, wat toen heel veel was voor een kind van negen. Daarna kreeg ik het van mijn moeder en was het ineens vijftig cent. Zij moest veel werken en ging ook elke dag naar haar zieke man, dus voor mij was het best eenzaam in dat huis. Ik zocht troost bij mijn beste vriendin. Vanaf haar vijftiende had ze een eigen verdieping, los van haar ouders. Daar waren weinig regels en ouderlijke begeleiding, we konden zo laat thuiskomen als we wilden. Af en toe woonde ik gewoon een tijdje bij haar: ultieme vrijheid.”


Na allerlei herdenkingsschaaktoernooien kwam in 1994 – Marian was inmiddels twintig – een biografie uit over haar vader. “Ik heb de hele nacht zitten lezen en vond het helemaal niet zo’n goed boek. Nogal onaardig ook. In een opwelling ben ik op de fiets gesprongen, naar Zorgvlied gereden en daar over het hek geklommen. Als een soort wonder heb ik zijn graf gevonden; ik wist namelijk helemaal niet waar het was, of op welk gedeelte van de begraafplaats ik moest zijn. Ik was er na mijn veertiende, na de begrafenis, nooit meer geweest. In mijn herinnering ben ik er in één rechte lijn naartoe gelopen, ik heb een sigaret opgestoken en een biertje gedronken. Tja, en dan zit je daar midden in de nacht in de kou en het donker. Ik ben weer gegaan en heb het boek daar achtergelaten.”

Ze mist haar vader vooral in het schrijven; hij was iemand die veel wist en veel gelezen had, en zou een waardevol klankbord zijn geweest. “Het is heel goed om je eigen weg te vinden, maar soms is het ook fijn als iemand even zegt: nu is het goed om naar rechts te gaan. Al was het maar om vervolgens juist links af te slaan. Ik mis hem ook omdat hij hetzelfde karakter had als ik – ik had zeker toen ik rond de twintig was graag wat meer bevestiging gekregen dat ik niet al te raar was. Ik heb hem niet lang genoeg meegemaakt om me tegen hem af te zetten en om het mooie beeld dat je als kind van je ouders hebt, vernietigd te zien worden. Ik kijk erg tegen hem op, hij staat op een voetstuk. In de buitenwereld heb ik niet het gevoel dat ik uit zijn schaduw moet stappen, maar persoonlijk wel. Hij is een schaduw waar ik tegelijkertijd tegen opkijk en me aan optrek. Dat heeft iets moois: het is fijn om je eigen vader te bewonderen en iets te hebben om naar te streven. Ik wil het goed doen voor hem, ook al kan hij het niet meer zien.”


Marian Donner: ‘Lily’. Prometheus, €17,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Vivian de Gier, foto Arenda Oomen