‘Straffen moet je eerst uittesten’

Het boek ‘Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab (1944) is een bestseller. De hersenonderzoeker betoogt dat we in de baarmoeder in hoge mate zijn voorgeprogrammeerd. Nu blikt hij vooruit: waar gaat alle kennis toe leiden? ‘We gaan grote vooruitgang maken bij de behandeling van depressie.’

Hoe voelt het om bestsellerauteur te zijn?

“Het is een slopend bestaan. Er zijn ook nog promovendi die vechten om mijn tijd. En die laat ik niet zitten. Ik merk dus dat alle aandacht vooral ten koste gaat van mijn nachtrust. Het succes heeft me erg verrast.”

In het boek geeft u vooral een stand van zaken in het hersenonderzoek. Ik wil graag met u vooruitkijken. Als u in 2011 aan het begin zou staan van een wetenschappelijke loopbaan, wat zou u dan gaan doen?

“Ik zou me eerst realiseren dat hersenonderzoek tegenwoordig bestaat uit verschillende disciplines die vaak moeite hebben elkaars taal te verstaan. Die werelden moeten worden overbrugd om nog goed onderzoek te kunnen doen. Het is ongelooflijk complex geworden, de apparatuur is enorm ontwikkeld.

“Ik zou eerst een aantal technieken leren bij goede wetenschappers. Ik zou de cv’s van die mensen gaan bekijken en hun laboratoria bezoeken, waar ook ter wereld. Ik zou de taal willen leren van de technieken die je later nodig hebt. Functionele scanning is belangrijk, moleculaire biologie, cognitieve neurowetenschappen.”

Wat wordt de titel van uw eerste onderzoeksaanvraag?

“Ik denk dat de dingen waar ik nu mee bezig ben nog steeds actueel en belangrijk zijn. We zijn nu bezig met de moleculaire achtergrond van depressie. We geven depressieve mensen tegenwoordig prozac om het tekort aan serotonine aan te vullen. Dat is echter niet waar het om gaat. Serotonine dient als ingang naar het brein om iets te veranderen, maar we weten niet precies wát.


“Inmiddels hebben we daar ideeën over. Patiënten hebben in verschillende hersensystemen een veranderde activiteit, die uiteindelijk tot een depressie leidt. Dit ontstaat door kleine verschillen in het DNA in combinatie met hun vroege ontwikkelingsgeschiedenis. Mijn toekomstbeeld is dat we voor een patiënt kunnen gaan blootleggen wat de zwakke plekken zijn in die hersensystemen. Dan kunnen we zeggen: met uw genetische achtergrond en uw vroege ontwikkeling, plus de situatie die de depressie heeft getriggerd, is dít de beste ingang om de moleculaire veranderingen in uw brein te normaliseren. En dan zou u dus dít geneesmiddel moeten nemen. Wat er nu vaak gebeurt is dat je prozac geeft en drie, vier, vijf maanden later kijkt wat er is gebeurd. Is dat te weinig, dan wordt er een ander middel voorgeschreven. Het kan een uitermate langdurige geschiedenis zijn om een depressie te behandelen en het risico op terugval is groot.”

U heeft er échte hoop op dat u hierin grote stappen kunt zetten?

“Ja, ik denk dat we op dit gebied de komende decennia echt grote vooruitgang boeken en je straks meer tailor-made therapieën krijgt voor depressie.”

Ook de techniek schrijdt voort. Uw Twentse collega Richard van Wezel hield in 2009 een oratie waarin hij een grote toekomst voorzag voor technieken waarbij met elektrische naalden, implantaten en zelfs laserlicht tot in de hersenen wordt doorgedrongen. Hij vindt MRI-scanners eigenlijk al achterhaald omdat die te onnauwkeurig zijn.

“Er wordt nog erg veel geld uitgegeven aan MRI-scanners, en terecht. Ze hebben een hoop opgeleverd en de apparatuur wordt steeds beter. De magneetsterkte gaat enorm omhoog. Je krijgt steeds meer gedetailleerde informatie.


“Elektrodes [elektrische naalden, red.] inbrengen om hersengebieden te stimuleren doe je alleen als niks anders helpt, want dat blijft tenslotte een operatie. Voordat je ze bij mensen kunt inzetten, zul je ze eerst moeten uittesten bij proefdieren. En ik ben er steeds meer van overtuigd dat proefdieronderzoek een beperkte waarde heeft bij complexe psychiatrie. We hebben geen goed proefdiermodel voor depressie, voor schizofrenie, voor borderline. Ik denk dat we de komende tijd steeds meer gaan ontdekken dat er grote verschillen bestaan tussen wat we aantreffen in muizen en wat we in de kliniek tegenkomen. Zo’n alzheimermuis vertelt ons niet wat we willen weten van het menselijke alzheimerbrein. Het is en blijft een muis. Het komt voor dat promovendi zeggen dat ze bezig zijn met een model voor alzheimer en vervolgens één molecuul dat hierin een rol speelt gaan onderzoeken. Dat is mooi, maar ik zeg dan altijd: ga eens een paar maanden werken in een verpleeghuis en zeg dan nog eens dat je bezig bent geweest met een model voor alzheimer.”

Geeft dit ook aan dat we aan het einde van uw virtuele tweede loopbaan, zeg in 2050, nog niet zo verschrikkelijk zijn opgeschoten met de strijd tegen alzheimer?

“Dat is goed mogelijk. Alzheimer is een versnelde, vervroegde veroudering van het brein. Als je alzheimer wilt oplossen, moet je dus het verouderingsproces van het brein oplossen. Nou, ga er maar aan staan. Ik zou niet durven voorspellen wanneer dat is voltooid. Daarom vind ik het belangrijk dat we ook op de korte termijn bezig zijn: laat mensen zich bewust worden van de keuzes die ze moeten maken voor hun naderende levenseinde. De komende jaren zullen wetenschappers namelijk niet voor een oplossing zorgen. Mensen moeten zich realiseren dat het onderzoek dat we nú doen bestemd is voor volgende generaties. We weten niet wanneer er iets van klinisch belang uitkomt. Er bestaan grote afstanden tussen het laboratorium en de kliniek.”


Wat vindt u van het onlangs geopperde idee voor een kliniek voor een vrijwillig levenseinde?

“Ik zou willen dat het niet nodig was. Ik zou willen dat artsen hun verantwoordelijkheid namen en dat mensen gewoon thuis kunnen doodgaan. Maar laten we ook reëel zijn: de hospices die je tegenwoordig steeds meer ziet, zijn prima plaatsen waar je je laatste periode kunt doorbrengen met de mensen die je dierbaar zijn. Men moet wat soepeler zijn met de opvattingen over deze zaak. Je moet in elk geval een goede arts uitzoeken die het einde van je leven begeleidt. Het is heel belangrijk dat je weet hoe die hierover denkt, want je bent afhankelijk van hem. Er zijn rampen gebeurd met mensen die dachten dat hun arts wel zou meegaan in hun streven tot levensbeëindiging. Maar hij bleek zich terug te trekken op het moment dat het zover was, en dan vind je geen arts die het wil overnemen. Zo’n kliniek zou in een dergelijk geval een oplossing kunnen bieden.”

Stel, u bent minister-president. Wat is het eerste dat u verandert?

“Ik zou afstappen van het idee dat iedereen aan het werk moet. Ik zou erkennen dat er nu eenmaal een deel van de bevolking is die steun van ons nodig heeft. We moeten niet doen alsof zij slappelingen zijn en zeggen dat ze maar eens de handen uit de mouwen moeten steken. Mensen willen in het algemeen echt wel werken. Maar er zijn mensen die door ontwikkelingsstoornissen of psychiatrische problemen niet kúnnen. Je kunt ze nog zo onder druk zetten, maar het lukt niet. Daarom moet je een plek voor ze vinden waar ze actief zijn op een niveau dat ze aankunnen. Dat er nu wordt beknibbeld op sociale werkplaatsen vind ik een schande. Dat vind ik immoreel en onvoorstelbaar voor een rijk en beschaafd land.”


U bent 66. Er staat zo veel te gebeuren op uw vakgebied. Is het vooruitzicht om dat te missen niet verschrikkelijk?

“Ik ga nog een poosje door, hoor. Maar het is heel vervelend omdat ik eindelijk het gevoel heb dat ik een beetje begrip van het vak heb gekregen. Ik ben op het punt dat ik maximale prestaties kan leveren. Maar het kwelt me niet, ik ben met veel dingen bezig. Ik kan me niet voorstellen dat het ineens ophoudt. Ik heb het idee dat mijn kalenderleeftijd weliswaar 66 is maar mijn brein nog ergens in de twintig is.”

U kunt nog wel opgewonden raken van iets nieuws dat u tegenkomt?

“Elke dag. Neem het succes dat je kunt krijgen met het implanteren van een groot aantal elektrodes in het brein. Bij iemand met een dwarslaesie die zijn armen en benen niet kon bewegen, is een plaatje met negentig elektrodes geïmplanteerd in de hersenen. Er werd gezegd: kijk naar het beeldscherm en dénk dat je de computermuis verplaatst. En na een paar minuten lukte dat. De beweging die je gaat maken wordt geprogrammeerd vanuit het brein, vanuit de motorische hersenschors. Als je die signalen oppikt, kun je de bewegingen laten uitvoeren door apparatuur of bijvoorbeeld een kunsthand. In principe kun je zo het uitgeschakelde ruggenmerg passeren. Fantastisch. Fantástisch.

Zo zal het gaan, stapje voor stapje. Met elektroden blijken de tremoren als gevolg van de ziekte van Parkinson inmiddels aardig te kunnen worden onderdrukt. En ook bij mensen met obsessief-compulsief gedrag werkt het. De hele dag handen wassen wordt teruggebracht tot een kwartiertje. Fantástisch.


Heeft hersenonderzoek in de toekomst iets te bieden in de rechtszaal?

“Laat Justitie allereerst eens systematisch onderzoeken wat het effect is van de straffen die worden opgelegd. Er wordt steeds geschreeuwd om langere, hardere, snellere straffen. Maar er wordt nooit op een goede manier onderzocht wat er beter is. Juristen hebben een enorm gebrek aan wetenschappelijke scholing. Ze toetsen niet datgene wat ze aanrichten. Net zoals je een nieuwe pil test, moet je ook een nieuwe straf testen.”

Het is toch al bewezen dat strenger straffen amper helpt? Maar los daarvan is er ook nog het aspect van de vergelding.

“Ja, in de apenmaatschappij slaat een aap er meteen op los als een ander zich niet aan de regels houdt. Wij hebben dat uitbesteed aan Justitie. Er moet vergolden worden, anders functioneert een maatschappij niet.”

U zegt het alsof u het er niet mee eens bent.

“Nee, nee. Mensen moeten weten dat ze zich aan de regels moeten houden. Maar je wil ook dat de recidivekans zo gering mogelijk is. Je moet dus toetsen wat de beste straf is. Je moet groepen definiëren die je met elkaar vergelijkt wat betreft de uitkomst van verschillende straffen. Dat duurt jaren, maar alles is beter dan wat er nu gebeurt aan onderzoek: bijna niets. Zo’n minister roept dan dat een bepaalde straf minder recidive geeft. Maar ik zeg dan: vergeleken met wat? En voor welke groep? Dat wordt nooit gezegd. Allemaal onwetenschappelijke flauwekul.”

Ziet u het gebruik van hersenscans in het strafrecht toenemen?

“Ja. We hebben ooit afgesproken dat je alleen kunt worden gestraft als je een gezond brein hebt. Advocaten zullen alles aangrijpen wat in het voordeel kan zijn van hun cliënt. Ook in de apenmaatschappij zie je dat dieren die zich niet aan de regels houden worden gestraft, maar dat ene aapje met het syndroom van Down kan doen wat-ie wil. Met zijn toestand wordt rekening gehouden. Zo zou het bij ons ook moeten gaan. Maar als je in de gevangenis rondkijkt bij de adolescenten is 95 procent onder psychiatrische behandeling.”


Zou u die mensen liever iets anders willen aanbieden?

“Ik zou zeggen: laten we het systeem veranderen en het meer op een wetenschappelijke manier aanpakken. Wat is het beste voor hen: een psychiatrische behandeling of een taak- of gevangenisstraf?”

Als ik het zo hoor, dan denk ik: stuur ze eerst langs de psychiater.

“Als het helpt. En dat moet je eerst nagaan. Heel veel psychiatrie helpt namelijk niet. Maar het klimaat is er nu niet naar. Ik heb het idee dat voor alles tijd nodig is. Ik begrijp soms niet waarom men dingen niet begrijpt.”

Het sentiment is: pedofilieverdachte Robert M. moet aan de hoogste boom worden opgeknoopt.

“Die emotie begrijp ik. Maar je moet ook weten dat pedofilie altijd zal blijven bestaan. Daar moeten we mee leren omgaan. Je zult naar een situatie toe moeten waarin mensen ervoor kunnen uitkomen, om vervolgens de maatregelen te kunnen nemen om schade aan kinderen zo veel mogelijk te voorkomen.”

Gaat u dat nog meemaken?

“Ach, ik ga het meeste niet meer meemaken en soms is dat best een geruststellend idee.”

Mark Traa, foto's Jean-Pierre Jans