De zaakwaarnemer

Ik word geacht op deze plek over sport te schrijven, dus stilstaan bij het plotselinge overlijden van Gary Moore is not done, ook al is het mijns inziens pure topsport om met honderd kilometer per uur over de hals van een gitaar te razen. “Death is just a heartbeat away,” zong de Noord-Ierse snarengeselaar ooit, en dat gevreesde moment kwam afgelopen zondag op een hotelkamer in het Spaanse Estepona. (Nu ik erover nadenk: een van de snelste nummers die hij ooit opnam, The Blister van het Cozy Powell-album Tilt uit 1981, is gesitueerd op een racecircuit, maar ik zal de boel niet op de spits drijven.)

Voetbal dan maar – en het halfjaarlijkse gesodemieter rond de transferperiode, die paar weken waarin de selectiefoto die traditiegetrouw aan het begin van het seizoen wordt gemaakt, nóg meer aan waarde verliest. De, eh, temperamentvolle Ajacied Mounir El Hamdaoui, bij wie aan de bovenkant iets knapt als hij aan de onderkant het hout van de reservebank voelt, wilde graag weg uit Amsterdam. En hij kón ook weg. Wat heet: de naar eigen zeggen veelgeplaagde Marokkaan had de afgelopen weken de topclubs voor het uitkiezen. “Meer dan tien clubs hebben zich officieel voor hem gemeld. Bordeaux, VfB Stuttgart, Galatasaray: hij kan overal naartoe. Blijkbaar worden zijn kwaliteiten op grote schaal onderkend,” liet zijn zaakwaarnemer met grote stelligheid weten. En wie zijn wij, eenvoudige krantenlezers, om de uitspraken van zo’n man in twijfel te trekken?

Nou…

Ik wil natuurlijk niets insinueren, maar bij het consumeren van de uitspraken van die voetbalmakelaar gingen mijn gedachten toch even heel ver terug. Naar het midden van de jaren zeventig, om precies te zijn. Naar de kantine van de Amsterdamse voetbalclub DCG (algeheel landskampioen in 1968, maar dit tussen haakjes). Mijn moeder werkte daar in de kantine. Voor een appel, een ei en een kop koffie wel te verstaan, want terwijl elders langs de amateurvelden nog weleens een envelop-met-inhoud werd doorgegeven, was DCG een in en in keurige vereniging, ook al werd in de volksmond beweerd dat de clubnaam niet stond voor ‘Door Combinatie Groot’ maar voor ‘De Centen Gappers’. En voor ‘Door Christus Getraind’ trouwens – en dat was weer niet zo’n heel gekke suggestie, want DCG is een katholieke club die tot aan de jaren tachtig geestelijken in het kader had.


Werken in de DCG-kantine betekende op wedstrijddagen bier tappen en (prima) hamburgers serveren en doordeweeks op dezelfde manier de trainingsavonden wat draaglijker maken. En de trainingsmíddagen natuurlijk, zij het in dat geval met roze koeken en oranje limonade.

Elk jeugdteam kreeg na gedane trainingsarbeid een kan ranja van de club. En dat kleverige lekkers was gewild. Op zekere middag – de exacte datum, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, is me helaas ontschoten – kwam een bepaalde ploeg jongetjes limonade halen, terwijl mijn alerte moeder ervan overtuigd was dat de knapen hun traktatie al op hadden. Dus zei ze, zowel glimlachend als retorisch: “Jullie hebben toch al limonade gehad, jongens?”

“Nee mevrouw!” grijnsde de aanvoerder van het stel, een donker jongetje, terwijl op zijn bovenlip duidelijk een streep ranja parelde.

Dat donkere jongetje was Sigi Lens.

De latere zaakwaarnemer van Mounir El Hamdaoui.

import michiel blijboom