For Makreel’s Sake!

Letterlijk centraal in mijn eerste herinnering aan makreel staat mijn vader. Als tienjarige zie ik hem nog de luie trap naar onze keuken bestijgen, noodgedwongen langzaam, in beide knuisten een transparante plastic zak met in ieder tenminste twintig kilo. Zijn wekelijkse dagje sportvissen had zich die keer op de Noordzee afgespeeld. “En wat je ving, mocht je houden,” verklaarde hij, zijn vangst met een doffe plof op het zwart-wit geblokte zeil plaatsend. De vraag van moeder wat we met al die vis gingen doen, resulteerde in de penetrante lucht van gebakken vis die nog weken in het trappenhuis heeft gehangen. Mijn vader, behalve fanatiek sportvisser tevens ambitieus amateurkok, probeerde alle mogelijke bereidingen van makreel op het gezin uit. Bovendien kregen de buren een paar kilo. En ook de katten ontkwamen niet aan makreel: gekookt (ruikt nadrukkelijk, vooral als de vis wat ouder wordt) en vervolgens geprakt door oud brood. Op een bepaald moment haalden zelfs zij er hun neus voor op. Aan mij had mijn vader overigens een slechte makreeleter – als kind had ik het sowieso niet op vis. Het mondgevoel van een visbotje, hoe klein ook, ontnam mij acuut de eetlust. Wellicht werd deze rem op de all you can eat-gedachte van de Captain Iglo des huizes mij onwillekeurig ingegeven door het liedje Advocaatje ging op reis. Tijdens een klassenoptreden had ik dit moeten opvoeren en daarin komt de hoofdpersoon lelijk aan zijn eind omdat er een graatje in zijn keel was blijven steken. Nooit had ik gedacht dat er ooit nog eens een rol zou zijn weggelegd voor makreel bij een hoogwaardige gastronomische prestatie. Toch gaat de uitverkiezing van mijn mooiste wijn-spijscombinatie van het afgelopen jaar naar het langzaam gegaarde ruggetje van een jonge makreel met umami dat Jonnie Boer in de Librije maakte. Thérèse had daar een koele sake bij bedacht. Zou mijn vader nu trots op me zijn geweest als hij had gezien hoe snel ik toen mijn bordje leeg had? Of juist verdrietig?

import eetteam