Zenuwpees op het wereldtoneel

Uri Rosenthal had een ‘inschattingsfout’ gemaakt in zijn contacten met Iran, dat de Nederlandse Zahra Bahrami vervolgens genadeloos ophing.Is de voormalige rampenprofessor zelf wel crisisbestendig?

‘Bám, bám, bám,” moet het geklonken hebben in huize Rosenthal. We schrijven eind jaren vijftig, en Uri springt en stampt bij ieder doelpunt van voetbalclub ADO hard op de grond. Zo brengt hij zijn zondagavonden door: aan de radio gekluisterd voor het wedstrijdcommentaar van Bob Spaak. Maar behalve het stampen heeft Uri nog een uitlaatklep voor de spanning: nagelbijten.

Ruim vijftig jaar later betrapt de camera van de NOS hem als hij in vak K van de Tweede Kamer, in afwachting van het spoeddebat over de executie van de Iraans-Nederlandse Zahra Bahrami, zijn vingernagels te lijf gaat. Het is donderdagmiddag 4 februari, en Rosenthals rol zal zo dadelijk ter discussie staan. Heeft hij genoeg gedaan om de terechtstelling te voorkomen? Zat hij er wel écht bovenop, zoals hij in een eerste reactie had gezegd?

Ineens kromt hij zijn vingers alsof hij een klauw wil maken, de nagels op een rij. Zijn wenkbrauwen zakken naar beneden, zijn kin gaat naar voren, zijn hand komt naar zijn mond. Een voor een verdwijnen zijn vingers naar binnen. Om meer kracht te zetten met zijn voortanden, knijpt hij met zijn ogen. Het beeld doet denken aan een papierversnipperaar. Dan schieten de vingers weer naar buiten, met verfomfaaide nagels, glimmend van het speeksel. Rosenthal denkt. Rosenthal knaagt.

In het debat kiest hij zijn woorden zorgvuldig, al hakkelt hij soms wat. Hij zwaait met zijn handen, soms tilt hij aan het begin van een zin zijn hielen van de grond. Rosenthal zegt dat hij misleid is door de Iraanse overheid, en dat hij daarom geen zwaardere stappen heeft ondernomen, zoals zelf bellen met zijn Iraanse ambtsgenoot. Het contact had zich immers steeds op een lager niveau afgespeeld. Maar hij belooft dat hij er lering uit trekt voor de toekomst. “Het klamme zweet is me uitgebroken. Ik zit er persoonlijk mee, wat dacht u?”


Daarmee lijkt de kous af. Rosenthal heeft zijn eigen advies in praktijk gebracht: transparant zijn na een crisis, ook als je het niet goed hebt gedaan. Door zijn jarenlange ervaring bij het Crisis Onderzoeks Team (COT), waar hij allerlei noodsituaties onderzocht, van de overstromingen van 1953 tot aan de rellen in Hoek van Holland, weet hij hoe lastig het is om een crisis tot een goed einde te brengen. Maar kan hij dat zélf? Is deze consciëntieuze, ijverige en analytisch sterke wetenschapper opgewassen tegen de druk van een van de zwaarste ministersposten? Wie is Uriël Rosenthal eigenlijk?

1945. De oorlog was voorbij en de gevolgen waren voor de familie Rosenthal traumatisch. Opa en oma Rosenthal kwamen om in Auschwitz. Vader Sal en moeder Nettie waren Nederland ontvlucht en woonden sinds twee jaar in een door de Nederlandse regering ingericht hotelkamp op neutraal Zwitsers grondgebied. Nu Nederland bevrijd was, besloten Sal en Nettie Rosenthal met hun kinderen Michael, Ruth en baby Uriël naar huis te keren. Het gezin vestigde zich in Den Haag.

Sal was chemicus, Nettie pianiste. Financieel hadden ze het moeilijk. “Mijn ouders kwamen met niets uit de oorlog. Ze moesten de kosten voor hun verblijf in Zwitserland zelfs terugbetalen aan de Nederlandse overheid. Toch heeft dat de sfeer thuis nooit gedrukt,” legt Ruth Rosenthal uit aan de telefoon. Een gewoon interview zit er niet in, want ze woont, net als andere leden van de familie Rosenthal, in Israël, in Ashkelon om precies te zijn, nog geen twintig kilometer van de Gazastrook. Ruth vertelt dat zij veel met haar broers optrok. Het vierde kind, Sabine, viel een beetje buiten de boot.


Behalve Michael hadden de kinderen Rosenthal allemaal een dierenbijnaam. Ruth zelf was ‘de Kat’, zegt ze. “Maar dat werd later ‘de Wolf’.” Sabine was ‘de Olifant’, en Uri ‘de Beer’. Omdat hij niet loskwam van zijn favoriete knuffelteddy? Omdat hij aaibaar was, maar toch gevaarlijk? Ruth weet het niet meer: “Het was gewoon zo.”

Het gezin probeerde in die naoorlogse jaren een zo gewoon mogelijk bestaan op te bouwen. Zaterdagavond was bioscoopavond. “Italiaanse films vonden we leuk,” zegt Ruth. “Als we thuiskwamen, stond mijn moeder klaar met eten en drinken. Dan praatten we na. Een fijne atmosfeer.”

Omdat ze maar een jaar scheelden, zat ze bij broer Uri in de klas op het openbare Maerlant-Lyceum. Uri was ijverig en leerde graag. Bij Frans werkte hij in het Cahier de verbes vast vooruit. “We hebben allemaal van onze ouders meegekregen dat werken en leren belangrijk zijn,” zegt Ruth. “We gingen veel naar de bibliotheek, en mijn ouders spraken Frans en Duits.”

Twee slimme leerlingen die makkelijk mee konden komen, zo herinneren klasgenoten zich ‘de twee Rosenthals’. Toen al woog Uri zijn woorden. Als zijn oudklasgenoten hem nu op televisie zien, herkennen ze hem meteen. Iets boller in het gezicht misschien, en zonder zijn donkere haardos, maar nog met dezelfde puntige lange kin, grote oren en een twinkeling in de ogen.

De jonge Uri Rosenthal was bescheiden en redelijk op zichzelf. Meester Boschma van klassieke talen was zijn favoriete leraar. Urenlang kon Uri naar diens verhalen over Toetanchamon luisteren.

Buiten school deed hij aan sport; hij tenniste met zijn zus en was, zoals gezegd, gek op voetbal.


Hij voetbalde zelf ook met vriendjes op ‘de landjes’, een toen nog braakliggend gebied aan de rand van hun buurt, het Benoordenhout. “Omdat Uri zo goed voetbalde, dwong hij automatisch respect af,” zegt oud-klasgenoot Gerrit-Jan Annevelink. “Hij gaf de anderen aanwijzingen.”

Uri wilde sportjournalist worden, net als zijn voorbeeld Bob Spaak. “En omdat Bob Spaak een hbs-diploma had, vond mijn moeder dat goed,” zegt Ruth. Want leren was belangrijk. “Als een vriendinnetje een cadeautje kreeg voor een goed rapport, vonden wij dat vreemd. Want het was vanzelfsprekend dat je goede cijfers haalde.”

Hoewel Uri in 1963 uiteindelijk koos voor een studie politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, bleef sport altijd belangrijk voor hem. Met zijn broer Michael, die twee jaar geleden aan kanker overleed, fietste hij stukken uit de Tour de France na. Wie het laatst op de top van de berg aankwam, kreeg water over zich heen om af te koelen.

Ruth: “Uri woonde op kamers in Amsterdam. Hij ging helemaal voor zijn studie.”

Ook PvdA-coryfee Harry van den Bergh, desijds Uri’s studiegenoot, kende de latere minister als een ijverige studiebol. “Uri hield geweldige dictaten bij. Hij was heel precies en nauwkeurig.”

Kenmerkend voor Uri’s ontwikkeling was de positie die hij koos toen een deel van zijn Amsterdamse medestudenten in opstand kwam. Ze eisten inspraak bij tentamens en wilden elkaar kunnen beoordelen. Professor Daudt van de UvA was het daar niet mee eens en ging samen met vijf andere hoogleraren in staking, als de zogenaamde groep-Daudt. Uri steunde niet zijn leeftijdgenoten, maar de professoren. Het revolutionaire vrijheidsdenken van de jaren zestig was niet aan hem besteed. Ook toen al had Uri een hekel aan groepsgedrag, zoals hij later toegaf.


Toen Rosenthal in 1970 afstudeerde, was hij uitgegroeid tot een man met vele deugden. Een intelligente harde werker, in staat om snel een situatie te overzien en niet bang om zijn eigen koers te varen. Hij was, kortom, klaar voor een glansrijke carrière. Hij ging naar Rotterdam om te promoveren en werd in 1980 hoogleraar politicologie en later ook bestuurskunde in Leiden.

Samen met zijn collega Roel in ’t Veld richtte hij in 1989 de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur op. De twee hoogleraren wilden met hun school een dimensie toevoegen aan de opleidingen die er al waren voor ambtenaren. “Wij wilden docenten met theoretische kennis én praktische ervaring, niet alleen huiskamergeleerden,” zegt In ’t Veld. “De studenten hadden allemaal al een baan, en wij wilden ze meer diepgang schenken, ook op praktijkgebied. Een docent moet iemand zijn met wie je discussieert, die een commentator en een criticaster is.”

De twee vulden elkaar aan. “Ik was degene met de grote bek en de emotie,” zegt In ’t Veld. “Uri was juist secundair, rustig en analytisch. Hij corrigeerde waar nodig.”

Aan de Erasmus Universiteit leerde Rosenthal Erwin Muller kennen, die daar bestuurskunde studeerde. “Ik was een van zijn eerste studenten, en uiteindelijk was hij mijn promotor,” zegt Muller. “Zodra hij merkte dat je geïnteresseerd was in openbaar bestuur en crisis en veiligheid, liet hij je toe tot zijn denken, en tot zijn netwerk. Hij nam me bijvoorbeeld mee op bezoek bij burgemeesters en politiechefs. In die jaren heb ik niet alleen geleerd hoe je wetenschap bedrijft, maar ook hoe je je boodschap moet overbrengen, door afhankelijk van de doelgroep je houding, taal en manier van praten aan te passen.”


Later ging Muller bij het COT werken. Hij deed het dagelijks bestuur, Rosen-thal haalde opdrachten binnen en hield de kwaliteit in de gaten. “Als ik al tevreden was over een resultaat, wilde Uri altijd nog even twee stapjes dieper graven,” zegt Muller. “Dat kwam onze analyse ten goede.”

Bij het COT leerde Rosenthal hoe makkelijk een crisissituatie kan onstaan. “Afbladderende verf, een kapotte slagboom, twee in plaats van drie keer per jaar een rampenoefening doen, machines niet goed schoonmaken. Dat zijn allemaal aanwijzingen dat het fout kan gaan, waarschuwingslampjes,” vertelde hij in 2000 in een interview met HP/De Tijd.

Intussen timmert hij ook aan de weg binnen de VVD, waar hij in 1984 lid van werd. In 1997 noemde NRC Handelsblad hem de ‘souffleur van Bolkestein’. Later staat hij te boek als vertrouweling van Mark Rutte.

In 1999 gaat hij zijn eerste politieke functie voor de VVD vervullen, als lid van de Eerste Kamer. Ook hier is zijn taak weer om te controleren: zijn de wetsvoorstellen die worden ingediend wel goed genoeg vormgegeven?

Als voorman van de senaatsfractie geeft hij consciëntieus en pragmatisch leiding. Toenmalig collega Paula Swenker: “Hij kon de lastige VVD’ers goed bij elkaar houden. Rosenthal is een integere en betrokken partijgenoot.”

Egbert Schuurman, Eerste Kamerlid voor de ChristenUnie, memoreert het ‘dwarsdenken’ van Rosenthal, die hij ‘onvermurwbaar’ noemt. “In de Eerste Kamer heerst een soort algemene gezindheid. We trekken vaak samen op bij stemmingen. Maar Uri niet. Hij was ook het meest radicaal in zijn kritiek. Onder zijn bewind stemde de VVD-fractie bijvoorbeeld tegen het jaarlijkse belastingplan. Dat komt zelden voor.”


Sinds de koningin hem van de zomer tot veler verrassing als informateur aanstelde en hij de regeringsmogelijkheden mocht gaan verkennen, staat Rosenthal vol in de schijnwerpers. Bij de presentatie van het kabinet-Rutte stond hij op het bordes naast de minister-president himself. De televisiecamera’s die het Bahrami-debat in de Kamer volgen, brengen de hakkelende nagelbijter genadeloos in beeld.

Zijn zus Ruth had niet gedacht dat broer ‘Beer’ de ambitie had om nog eens minister te worden. “Ik dacht dat hij meer op de achtergrond zou willen blijven.” Oud-collega Roel in ’t Veld zegt dat Rosenthal vaker is benaderd voor een ministerschap en toen steeds weigerde. Waarom zei hij nu wel ja? “Leeftijd speelt een rol, het is nu of nooit,” denkt In ’t Veld. “En de politieke situatie is belangrijk. De VVD heeft een vechtersmentaliteit: dit gaan we rooien! Rosenthal zet alles op alles om zijn partij goed te helpen regeren nu ze aan de macht is.”

Volgens zijn oud-student Erwin Muller is Rosenthal zich niet anders dan anders gaan gedragen. “In zijn huidige functie weet hij meer dan hij kan vertellen,” zegt Muller. “Maar hij zal altijd proberen zo transparant mogelijk te zijn.” Het lastige zit hem in de snelheid waarmee Rosenthal nu beslissingen moet nemen, denkt Muller. “Hij heeft weinig tijd om diep te graven. Maar hij heeft wel weer genoeg ervaring opgedaan in de Eerste Kamer om deze omslag te kunnen maken.”

Toch moet het voor de accurate academicus die graag achter de schermen opereert moeilijk zijn om zich te handhaven in de ‘internationale slangenkuil’, vermoedt Pieter Kooijmans, ook academicus en oud-minister van Buitenlandse Zaken. “Hij kende het departement niet en had politiek gezien weinig internationale ervaring. Opeens zit je dan met 27 collega’s in een Europese ministerraad of doe je vijf hoofdsteden in vijf dagen. Dat is even wennen.”


Misschien is dat gebrek aan ervaring de oorzaak van de inschattingsfout die Rosenthal maakte bij de contacten met Iran over de kwestie-Zahra Bahrami. Toch is het Kooijmans nog te vroeg om te oordelen over Rosenthals ministerschap. “De inwerkperiode is een half jaar. Pas dan heb je alle verschillende vergaderingen een keer bijgewoond en weet je een beetje hoe de hazen lopen.”

Ook fysiek is Buitenlandse Zaken een zware post, weet Kooijmans uit ervaring. Het vele reizen noemt hij ‘slopend’. Hoe gaat de 65-jarige Rosenthal dit volhouden? Kooijmans: “Zelf was ik 59 toen ik in 1993 op Buitenlandse Zaken kwam. Je krijgt weliswaar heel wat extra adrenaline van het hectische bestaan, maar je houd het denk ik toch maar een paar jaar vol, helemaal op díe leeftijd.”

Het is belangrijk voor Rosenthal dat zich kan ontspannen, zeggen de mensen die hem kennen. “Hij volgt het voetbal zo veel hij kan,” zegt Muller. “En hij leest graag biografieën van wereldleiders.” Zus Ruth: “Hij is een familieman. Hij ontspant zich thuis door tijd met zijn vrouw Dinah en zijn kinderen Daphne en Isabel door te brengen.” Volgens Muller heeft Rosenthal ook een groeiende belangstelling voor ‘een grote variatie’ aan kunst. En stiekem droomt hij van het maken van ‘dat ene kunstwerk’, gaf Rosenthal zelf in 2007 al eens toe in HP/De Tijd.

Had het niet meer voor de hand gelegen dat hij minister van Veiligheid was geworden, de post die nu wordt bekleed door Ivo Opstelten? Roel in ’t Veld: “Buitenlandse Zaken past ook bij hem. De man heeft op uiteenlopende plekken in de wereld geadviseerd over veiligheidsvraagstukken.” Muller: “En hij heeft ook veel onderzoek gedaan naar en geschreven over het buitenland. Hij heeft een groot internationaal netwerk.”


En is zijn joodse afkomst geen belemmering bij de beslissingen die hij moet nemen? Er is immers voortdurend van alles aan de hand in het Midden-Oosten? Behalve Ruth woont ook zijn zus Sabine in Israël. Hij vliegt regelmatig naar ze toe. Uri heeft zich daar zelf over uitgelaten in het Nieuw Israelietisch Weekblad. “Ik ben niet 24 uur, zeven dagen per week bezig met mijn joodse achtergrond. Ik ben er wel senang mee. Ik ben niet religieus, van jongs af aan al niet.” Zus Ruth: “Uri kan dat heel goed loskoppelen. Hij neemt de best mogelijke beslissing voor Nederland. Zijn afkomst staat daar los van.”

Bart Wallet, docent en onderzoeker bij de vakgroep Joodse studies van de Universiteit van Amsterdam, sluit zich daarbij aan. “Waar politici als Job Cohen en Jacques Wallage hun joodse identiteit gebruiken in hun toespraken, weet je van veel VVD’ers niet eens dat ze joods zijn. Zij scheiden politiek en thuis. Rosenthal is zeker een vriend van Israël, maar hij is zich er terdege van bewust dat er om die reden extra op hem wordt gelet. Juist joodse politici komen daarom weinig op voor de joodse achterban.”

Zijn eerste crisis als minister van Buitenlandse Zaken lijkt Rosenthal zonder kleerscheuren te zijn doorgekomen. Maar om overeind te blijven, zal hij snel het diplomatieke en politieke handwerk onder de knie moeten krijgen, en dat onder moordende omstandigheden in brandende schijnwerpers. Hij zal al zijn deugden in moeten zetten. Zijn nagels krijgen het nog zwaar te verduren.

Karen Geurtsen en Ivo van Woerden