Allochtonenslapstick

Als filmvorsers over een jaar of wat terugblikken op het huidige tijdsgewricht, zullen ze ongetwijfeld constateren dat er aan het begin van de 21ste eeuw op Nederlandse bodem twee subgenres zijn ontstaan. Het eerste wordt bevolkt door aantrekkelijke, viriele, hedonistische dertigers die de trits huisje, boompje, beestje zo goed op orde hebben dat ze zich van de weeromstuit op een twééde huisje, boompje en/of beestje (lees: minnaar of minnares) storten. De personages hebben alles wat een mens zich wensen kan en zijn toch niet gelukkig. Recente voorbeelden: Terug naar de kust, De gelukkige huisvrouw, Loft, De eetclub, et cetera. Het tweede genre dat door cinefiele deskundologen onder de loep zal worden genomen, draait om jonge allochtonen die – om de beeldspraak nog maar even door te trekken – onzeker zijn over de vraag hoe huisje, boompje en beestje er eigenlijk uit zouden moeten zien. Ook in dit subgenre (Shouf Shouf Habibi!, Coach, Het schnitzelparadijs, Dunya & Desie) treffen we een breed scala aan sores. Men ligt overhoop met school, ouders, autoriteiten en – niet in de laatste plaats – zichzelf. Op het filmdoek voltrekt zich dan de transformatie van ‘kut-Marokkaan’ tot ‘knuffel-allochtoon’. Of omgekeerd natuurlijk. In zekere zin zijn de hoofdpersonen van deze films eigentijdse variaties op ouderwetse volkse belhamels van het type Kruimeltje en Ciske de Rat. Die dreigden ook op het verkeerde pad te geraken.

In Pizzamaffia, een tragikomische zedenschets naar de gelijknamige bestseller van Khalid Boudou, treffen we ze ook weer: schoffies met een gouden hart. De hoofdpersonen zijn twee neven die zich, naar gelang de omstandigheden, Bram en Haas dan wel Ibrahim en Iliass noemen. Harde werkers. Veel branie. Grote mond. Klein hartje. Ze zijn pizzakoerier en dagen elkaar geregeld uit voor wedstrijdjes waarbij met doodsverachting door het stadsverkeer van Den Haag wordt gejakkerd. De vriendschap van de neven komt onder druk te staan als hun vaders, die samen een pizzeria draaiend houden, hooglopende ruzie krijgen. Oom vertrekt met slaande deuren en opent een eigen zaak, pal tegenover de pizzeria van zijn broer. Dat leidt tot een snoeiharde concurrentiestrijd, die steeds verder escaleert.

Regisseur Tim Oliehoek debuteerde in 2005 met de komische thriller Vet hard, een titel die kon worden opgevat als een beginselverklaring voor de gehanteerde filmstijl. In Pizzamaffia heeft hij zich met zichtbaar plezier uitgeleefd in flitsende gemonteerde scènes waarin de brommertjes door het beeld gieren. Actie volop dus, maar de bijbehorende component, spanning, ontbreekt nagenoeg. Dat geldt ook voor het segment dramatiek. Oliehoek wekt enige interesse voor de twijfels en problemen van zijn personages, maar trekt het vloerkleed vervolgens hard onder ze vandaan door ze op te voeren in slapstick-achtige situaties. Een vet aangezette scène met een kakkerlak wekt de indruk uit de prullenbak van Dick Maas te zijn opgediept tijdens de montage van een Flodder-film. Aan schwung en vaart ontbreekt het niet, en ook de acteerprestaties van Mamoun Elyounoussi, Iliass Ojja en Sallie Harmsen zijn dik in orde. Maar de toonzetting zwabbert te veel. De componenten humor, tragiek en actie zouden elkaar moeten versterken. In Pizzamaffia zitten ze elkaar in de weg.


Pizzamaffia. Regie: Tim Oliehoek. Vanaf 17 februari in de bioscoop.

Erik Spaans