Moe van het Malieveld

Nederland demonstreert er dezer dagen lustig op los. Met z’n allen en in schoolreisjesstemming naar Den Haag, gezellig. Maar hoeveel demo’s kan een mens verdragen?

Lezeres Els Bakker-De Vries uit Dinteloord verbaasde zich er vorige week in een ingezonden brief in de Volkskrant over dat haar krant daags na een grote onderwijsdemonstratie in Utrecht niet op de voorpagina had geopend met dat nieuws, maar met een foto van Ruud Gullit op zijn eerste dag als trainer in Tsjetsjenië. “Vinden jullie dat belangrijker dan de enorme bezuiniging die in het speciaal onderwijs gaat plaatsvinden?” vroeg ze de redactie.

Kennelijk, en die keuze heeft vermoedelijk alles te maken met een zekere protestvermoeidheid. Sinds het aantreden van het kabinet-Rutte staat het Malieveld bijna wekelijks vol met demonstranten. Ook deze week is het weer raak met acties in het openbaar vervoer.

Ze steken bleek af bij de uitzinnigheid van het Tahrirplein in Caïro. In Egypte gaat het over leven en dood, vrijheid en gevangenschap, bij ons over bezuinigingen in het openbaar vervoer, het speciaal onderwijs, de kunstsector, de zorg, de postbezorging. Natuurlijk is het niet leuk als je minder uit de staatsruif kunt eten dan je gewend was te doen, maar enige relativering van het vermeende toegebrachte onheil zou op z’n plaats zijn. Er vallen hier geen doden als gevolg van welk kabinetsbeleid dan ook.

Eigenlijk is Nederland niet zo’n demonstratieland. De eerste echte massale betoging van na de oorlog dateert uit 1973, en toen betrof het de dreigende opheffing van het illegale radiostation Veronica. Voor die tijd was de natie amper te porren voor een massaal kritisch geluid. Tegen het regime van Jozef Stalin is nooit een demonstratie van enige betekenis georganiseerd. Mao? Pol Pot? Het mag geen naam hebben.


Ergens in de jaren zestig waren er demonstraties tegen de toenmalige Amerikaans president Lyndon B. Johnson, inzake de Vietnam-oorlog, maar die waren zelden massaal en veelal ludiek. Omdat Johnson een bevriend staatshoofd was en derhalve niet mocht worden beledigd, hadden de demonstranten bedacht hem niet uit te maken voor een ‘moordenaar’, zoals ze hadden gewild, maar voor ‘molenaar’, wat uit duizenden kelen gescandeerd ongeveer hetzelfde klonk. Mobiele Eenheid was in de verste verte niet te bekennen, er stonden achter een dranghek alleen een paar oom agenten die het allemaal hoofdschuddend aanhoorden.

Dat niveau is de Nederlandse protestdemonstratie nooit meer ontstegen. Ook dezer dagen herkennen we in de meute protesterenden steevast de ‘kraaien’ die een lege doodskist van karton dragen waarmee zij die vermaledijde landsbestuurders willen laten zien dat door deze bezuinigingen de hele sector ‘ten grave’ wordt gedragen. Naakte of schamel geklede studentenmeisjes, afhankelijk van weer en seizoen, zie je ook altijd, want zij voelen zich letterlijk ‘uitgekleed’ door deze of gene maatregel.

Ook de spreekkoren zijn vaak van een bedenkelijke kwaliteit, want melig, voorspelbaar en net niet swingend genoeg om iedereen mee te krijgen. En dan de sprekers. Meestal zijn het de dikbuikige, shag rokende vakbondsjongens, die in hun zenuwen en opwinding niet in de microfoon praten maar schreeuwen. Eén uitzondering moeten we hier noemen: oud-vakbondsleider Herman Bode. “Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam!” riep hij strijdvaardig bij een staking in 1980 in de RAI, en even later trok de opgepookte massa daadwerkelijk helemaal naar de Dam – al leek de grootste verontwaardiging daar aangekomen alweer geluwd.


Wat beweegt de demonstrant, wat brengt iemand ertoe in alle vroegte in een riekende bus te stappen, opgescheept met jolige collega’s, om na uren rijden en stilstaan in de file een arena te betreden waar men geacht wordt op afroep en in koor verschrikkelijk boos te worden? Wat bezielt een volwassen man of vrouw, vader of moeder van een gezin, om een van vakbondswege verstrekt wegwerp-petje of hoedje op te zetten met daarop uitingen als ‘Boos!’ of ‘Wij pikken het niet langer’?

Elke journalist die een demonstratie moet verslaan weet dat je, zeker bij kwesties van economische aard, niet dóór moet vragen. Dat levert alleen maar genante taferelen op, omdat de meeste demonstranten alleen de vage contouren van het conflict kennen.

Vorige week ging het ook weer zo. “Waar ik tegen demonstreer? Ja, tegen de bezuinigingen hè,” zei een alleraardigste mevrouw op zo’n vraag van een NOS-verslaggever. Die liet het er maar bij.

De protestdemonstratie lijkt des te meer passé daar dit kabinet koud noch warm wordt van fluitconcerten en joelende menigtes op en rond het Binnenhof. Ze lusten hen zelfs rauw, getuige het recente optreden van onderwijsminister Marja van Bijsterveldt, die oog in oog met haar opponenten op het Malieveld zonder blikken of blozen aankondigde het gewraakte beleid gewoon uit te voeren. Een appel werd in haar richting gegooid, en gelukkig was het geen tomaat, luidde het begeleidende commentaar in het Journaal.

Ze zullen gruwen van het idee, maar misschien spelen de demonstranten zelfs een rol in het politieke spel. Want wat doet een minister? Die zet hoog in, die overvraagt, wetende dat dat rumoer geeft, en als hij zich onder druk daarvan een beetje toegeeflijk toont en de morrende menigte tot zwijgen brengt, dan zal hij nog genoeg overhouden om zijn oorspronkelijke plan door te drukken.


Hoeveel ‘Malieveld’ kan een mens anno 2011 nog verdragen? Het gaat te ver om het actiemiddel bij het oud vuil te zetten, maar in elk geval mag het aantal demonstraties drastisch worden ingeperkt en kunnen de thema’s wel wat doorleefder en zwaarwegender; nu gaat het maar al te vaak over dat ene procentje erbij of eraf.

Ter overweging: volgende week, op 25 februari, herdenken wij een demonstratie annex staking van geheel ander kaliber: de Februari-staking van 1941, bij het beeld van de Dokwerker in Amsterdam. Komt allen!

Frans van Deijl