Mythes rond de suites

De meesterlijke cellosuites van Johann Sebastian Bach, die schuilgaan in een wolk van mythes en halve waarheden, blijven een dankbaar onderwerp voor musici en musicologen. Voormalig popjournalist Eric Siblin schreef er een boek over, waaruit blijkt dat iedereen ooit een Bach-fanaat kan worden.

Scène 1: Barcelona, 1890. Een dertienjarig jongetje loopt naast zijn vader op de Ramblas en zeult een cello met zich mee die gezien zijn kleine postuur groter is dan hijzelf. Hij heeft het instrument – zijn eerste model voor volwassenen – vandaag gekregen. Op zoek naar tweedehands bladmuziek duiken vader en zoon het doolhof van smalle straatjes van het havenkwartier in, waar ze elke brocante en uitdragerij omkeren op zoek naar buit. In een winkeltje gelegen aan de Carrer Ample vinden ze in een stapel beschimmelde partituren een paar cellosonates van Beethoven. Maar er is nóg een bundel die hun aandacht trekt. Op een tabakskleurig schutblad lezen zij Six Sonates ou Suites pour Violoncello Seul par Johann Sebastian Bach. Heftige emoties maken zich meester van het jongetje: dat Bach ooit solostukken voor zijn instrument had gecomponeerd, was tot op die dag volslagen onbekend. Zijn hart gaat nog sneller kloppen wanneer hij het notenbeeld van de eerste prelude leest. Er mag worden aangenomen dat de tiener, een wonderkind op zijn instrument, dit meesterwerk al lezende als eerste in zijn hoofd kon horen. Het was een ervaring die hij nooit meer zou vergeten, een ontdekking die zijn leven in de ruim tachtig jaar die nog zouden volgen voor een groot deel zouden bepalen. Hij nam de manuscripten mee naar huis en zou er dagelijks op studeren. Het zou nog twaalf jaar duren voordat hij de suites in het openbaar durfde te spelen, en pas na 35 jaar legde hij de werken vast op grammofoonplaat. Zijn naam is Pablo Casals.

Scène 2: Toronto, 2000. Een voormalig popjournalist van de Montreal Gazette zit zich te vervelen op zijn hotelkamer. Een tijdje terug had hij tussen het oorverdovende gekrijs van twaalfjarige meisjes tijdens een concert van de tienerband Hanson besloten dat hij te oud was geworden voor dit beroep. Hij wilde nog wel iets doen met muziek, maar wist niet wat. Op de uitladder van een plaatselijke krant ziet hij dat er vlak bij zijn hotel een cello recital zou plaatsvinden. Een cellist van wie hij nog nooit had gehoord zou in het Royal Conservatory of Music muziek spelen waarvan hij óók nog nooit van had gehoord: de cellosuites van Johann Sebastian Bach. Voorafgaand aan het concert leest hij in het programmaboekje dat de cellist, Laurence Lesser, een gerenommeerd musicus uit Boston is – een aanbeveling die hij voor kennisgeving aanneemt. Dan volgen er een paar regels die de journalistieke radertjes in zijn hoofd wat sneller doen draaien. Hij leest dat er geen origineel manuscript van de hand van de componist van dit werk bestaat. Dat er eigenlijk geen enkele betrouwbare bron van deze werken de tand des tijds heeft doorstaan. Dat het eigenlijk niet eens zeker is dat deze suites voor een solo-instrument wel voor de cello zijn geschreven. De onderzoeksjournalist die in de eenzame concertbezoeker huist, is nu helemaal wakker. Zodra Laurence Lesser begint te spelen, gebeurt er iets wonderlijks: de man die nog nooit eerder écht naar klassieke muziek heeft geluisterd, raakt betoverd. De muziek die hij uit de f-vormige klankgaten van het logge, bruine monster hoort komen, blijkt aardser en extatischer te zijn dan wat hij ooit eerder aan muziek heeft gehoord. Hij wil, sterker nog, hij móet alles van deze muziek weten. Het is een besluit dat de volgende tien jaar van zijn leven in beslag zal nemen. Zijn naam is Eric Siblin.


Scène 3: Een freelance cultuurjournalist is in opdracht van HP/De Tijd in Londen voor een interview met Yoko Ono naar aanleiding van de zeventigste geboortedag van haar in 1980 vermoordde echtgenoot John Lennon. Na afloop wipt hij nog even binnen bij Hatchards, de oudste Londense boekhandel. Op de muziekafdeling krijgt hij sjans met een boek dat de titel The Cello Suites – In Search of a Baroque Masterpiece draagt. Auteur: Eric Siblin. De en profil afgebeelde kop van de cello, met een wulpse houten krul op de kruin, lijkt naar hem te knipogen. ‘Pak me! Neem me mee naar huis!’ luidt de non-verbale boodschap, een smeekbede die hij maar moeilijk kan weerstaan. Hij pakt het boek van de plank, bladert erin, zet het terug, loopt – playing hard to get – naar een andere afdeling, maar net voordat hij het pand wil verlaten, wordt de lokroep van de cello hem te machtig en bezwijkt hij. Dankzij de intellectuele tak van zijn familie had hij zich de muziek die men ‘klassiek’ placht te noemen eigen gemaakt. Debussy, Ravel, Stravinsky en Bartók waren favoriet, maar bovenal zo goed als alles van Bach. Zo goed als alles, behalve de Suites voor Cello dan – die hadden hem net iets te duister en te ‘moeilijk’ geleken. Nu de kassa van Hatchards rinkelt, is de teerling geworpen. Ruim een half jaar lang klinkt er dagelijks een suite in zijn huis. Eerst Rostropovich, daarna Casals, Wispelwey, Kirshbaum en Queyras. Op een dag verschijnt er een e-mail op zijn scherm. “Op donderdag 3 februari aanstaande is Eric Siblin in Nederland ter gelegenheid van de boekpresentatie van De cellosuites. Een fascinerende ontdekkingsreis, geïnspireerd door een muzikaal meesterwerk: de ooit verdwenen cellosuites van Bach.”


Toeval bestaat niet. De cirkel is rond. In het intieme, Amsterdamse Ambassade Hotel steekt Eric Siblin, klein van stuk en vroegtijdig grijzend, zijn hand naar hem uit. Twee criticasters der populaire muziek, gevallen voor de charmes van een ouwe man met een pruik, hebben elkaar gevonden.

Nadat de glaasjes mineraalwater zijn ingeschonken en de beleefdheden zijn uitgewisseld – ‘I loved your book!’ – ontstaat een gesprek dat, zoals zo vaak wanneer het om non-fictie boeken gaat, enigszins kunstmatig is. Alles wat de auteur over het onderwerp te melden heeft, staat (als het een goed boek is tenminste) in het zojuist gepubliceerde werk. Zoals bijvoorbeeld het antwoord op de vraag wat deze 36 stukjes – elke suite bestaat op zich weer uit zes delen – nu zo bijzonder maakt. Zoals Eric Siblin al in zijn boek schreef (‘maar hij vertelt het graag nog een keer’) bestaat er maar weinig muziek voor de cello als solo-instrument. Dat maakt dat deze suites voor de cellist het ultieme studiemateriaal zijn geworden. Aanvankelijk werden zij na de vondst van Pablo Casals ook als études gezien. Langzaam maar zeker kwam men er achter dat er meer aan de hand was. De cello is in principe een monofoon instrument; dat wil zeggen dat je er alleen melodieën op kunt spelen, en geen akkoorden. De dubbelgreep, het gelijktijdig spelen van twee tonen, is het maximaal haalbare. Het feit dat slechts vijf van de 36 delen puur uit enkele melodielijnen bestaan, bewijst dat Bach de suites vooral heeft geschreven om het klankpalet van de cello te vergroten. Hij maakt veel gebruik van zogenaamde imaginaire harmonieën, waarbij twee tonen daadwerkelijk worden gespeeld en de derde – een akkoord bestaat altijd uit een stapeling van drie of meer tonen – wordt gesuggereerd. Zoals een illusionist met behulp van rook en spiegels zijn publiek dingen laat zien die er helemaal niet zijn, laat Bach de luisteraar dingen horen die niet daadwerkelijk worden gespeeld. “Die magie kruipt,” stelt Siblin met nadruk, “bij iedereen die de moeite neemt om goed naar dit werk te luisteren langzaam onder de huid – of je nu een geschoolde kenner bent of niet.”


Dat Siblin bij zijn eerste kennismaking met de suites zo getroffen werd door het aardse karakter van de muziek is niet zo verwonderlijk. Naast de hemelse harmonieën bevatten de suites ook diep menselijke emoties, die maken dat de klanken heel dicht bij ons komen te staan. Dit is geen muziek die werd gecomponeerd in een ivoren toren of op het hoogste topje van de Parnassus. Sterker nog: het zou zelfs kunnen – er is zo weinig bekend over het leven van Bach en het ontstaan van zijn werken, dat het altijd gissen blijft – dat Bach de prelude van de eerste suite in de bajes schreef. Hij was daar terechtgekomen nadat hij zijn toenmalige werkgever Wilhelm Ernst, de hertog van Weimar, te kennen had gegeven dat hij graag eervol van zijn plichten zou worden ontslagen, zodat hij Kapellmeister van de prins van Cöthen zou kunnen worden. De hertog was not amused en gooide hem in de bak.

Er bestaat literatuur waaruit blijkt dat Bach tijdens die korte gevangenschap zou zijn begonnen met het componeren van Das wohltemperierte Klavier, zijn monumentale werk voor één enkel toetsen-instrument. En aangezien de openingsmaten van dit werk weer ontzettend doen denken aan de prelude van de eerste suite, zou het kunnen dat de genesis van de cellosuites plaatsvond in een kille kerker van een paleis in Weimar. Klassieke muziek is vaak minder verheven dan men denkt: Franz Schubert, niet vies van een borrel, schreef bijvoorbeeld een groot deel van zijn liederencyclus Winterreise op een gitaar in de kroeg.

Dus, willen wij van Eric Siblin weten, mensen die genieten van 36 stukkies gekras op een altviool met obesitas zijn niet per definitie intellectuele, pretentieuze übernerds? “Nee,” lacht de gesjeesde popjournalist, “tenzij je Sting ook een nerd vindt.” Hij refereert aan het feit dat de omhooggevallen ex-voorman van The Police ooit een filmpje liet maken waarop hij de prelude van de eerste suite op gitaar speelt en de ballerina Alessandra Ferri op de puls van het stuk door het beeld huppelt. En dan is er nog de Chinees-Amerikaanse cellist Yo-Yo Ma, die geïnspireerd door de suites zes filmpjes liet maken, waarin onder meer een tuinarchitect, een kunstschaatser en een kabuki-acteur hun visie op Bachs meesterwerk geven. “Muziek uit de suites zit meer in het dagelijks leven dan je zou denken,” weet Siblin. “In een film als The Pianist of een tv-serie als The West Wing hoor je flarden voorbijkomen. En dan heb je nog cd’s met titels als Bach for Babies en Bach for Barbecue.”


Puristen zullen niet zo blij zijn met deze ongepaste popularisatie van de heilige Bach. Want schuilt zijn aantrekkingskracht niet juist in de elitaire nimbus die boven zijn hoofd zweeft? En maken de nevelen van de mythes en halve waarheden die de cellosuites omhullen het werk niet juist extra aantrekkelijk? We leggen er maar een paar bij Siblin op tafel. Zo zouden volgens de Australische hoogleraar Martin Jarvis de cellosuites helemaal niet door Bach zijn geschreven, maar door zijn vrouw Anna Magdalena, een hypothese die in Bach-kringen niet veel bijval heeft gekregen. Siblin reageert met een citaat uit zijn boek, een uitspraak van de Britse cellist Steven Isserlis: “We kunnen niet stellen dat het beslist niet waar is, zoals we ook niet kunnen bewijzen dat Anne Hathaway niet een deel van Shakespeares werk heeft geschreven.”

Dan is er nog de theorie dat Bach de suites helemaal niet oorspronkelijk voor de cello heeft geschreven. In zijn boek vertelt Siblin dat de Belgische violist Sigiswald Kuijken er na jarenlang bronnenonderzoek van overtuigd is dat Bach deze werken schreef voor de vijfsnarige violoncello piccolo, een kleinere, in onbruik geraakte variant van het snaarinstrument dat niet da gamba (tussen de knieën) wordt bespeeld, maar da spalla (horizontaal met een band om de nek tegen de schouder). Niet alleen schrijft de zesde suite expliciet een vijfsnarig instrument voor (‘onze’ cello heeft er maar vier), maar ook andere liggingen en vingerzettingen worden volgens Kuijken da spalla gespeeld.

Hoe het ook zij: er zijn inmiddels zo veel briljante opnamen op de viersnarige, ‘moderne’ cello gemaakt dat Kuijkens recente registratie op de violonocello piccolo eerder als een verrijking van dan als afrekening met de geschiedenis van dit werk moet worden gezien. De magie van de composities, op welk instrument dan ook, blijft.


Als Bach ooit begon met het componeren in de gevangenis van de hertog van Weimar, had hij bij gebrek aan een instrument misschien ook helemaal geen bepaald instrument in gedachten. In de partituur huist een intrinsieke, absolute schoonheid die van alle tijden is. Dus wees op uw hoede: de Six Sonates ou Suites pour Violoncello Seul par Johann Sebastian Bach liggen overal op de loer. Zij sloegen eerder toe in Barcelona, Toronto en Londen. Morgen bent u aan de beurt.

Eric Siblin: De cellosuites. De Bezige Bij, € 24,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Ruud Meijer