‘Een nieuwe Gerard Aalders willen ze niet’

Als NIOD-historicus publiceerde hij in een razend tempo geruchtmakende boeken over onder meer de roof van Joodse bezittingen, spionage en prins Bernhard. Maar op 1 maart gaat Gerard Aalders met pensioen. ‘Van de directie moest ik mijn laatste onderzoek maar gewoon in de shredder flikkeren.’

Uw pensioen begint op 1 maart, maar u zit al een paar weken thuis, bij wijze van vakantie.
“Ja, sinds 18 november, om precies te zijn. Ik was op het NIOD bezig aan een project over chemische en biologische oorlogvoering. Ik had dat onderzoek graag willen afronden – een klein jaar was voldoende geweest, want ik zat al in de schrijffase. Ik heb nog geprobeerd om een regeling te treffen, maar daar bleek met de directie van het NIOD niet over te praten. Bizar, want er was al 150.000 euro in het project gestoken.”

Wat zegt dat over het NIOD?
“Ach, ik heb ondanks alle toestanden een geweldige tijd gehad op het NIOD, dus laat ik niet rancuneus doen. Maar ik denk dat ze er nooit over hebben nagedacht hoe demotiverend zoiets is. Dat je gewoon aan het werk bent met een onderwerp en dat er dan dus eigenlijk tegen je gezegd wordt: over een paar maanden is je 65ste verjaardag, flikker het dan maar in de shredder. Het boek komt er trouwens wel, ik maak het nu gewoon in mijn eigen tijd af. Maar eerst verschijnt nog een boek over WikiLeaks dat ik heb gemaakt met Maarten van Rossem en Perry Pierik. Verder ben ik bezig met een boek over de Lockheed-affaire en daarna staan nog vier andere boeken op stapel. Dus ja, ik vermaak me uitstekend.”

Eigenlijk is er voor u sinds 18 november weinig veranderd.
“Klopt. Alleen de dagelijkse gang naar het instituut, de collega’s die je niet meer ziet, dat mis ik wel. Want met die collega’s had ik geen enkel probleem. Alleen met de directie en met die ontzettende bureaucratie die gaandeweg op het NIOD is ontstaan.”

U bent in 1993 bij het NIOD gaan werken. Toen was het nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), dat op de kaart was gezet door de legendarische Loe de Jong. Het was het Ajax van de historische wereld.
“Dat weet ik nog heel goed, ja. Ik was 49, want ik was pas heel laat begonnen met studeren, en het was mijn eerste vaste baan. En dan ook nog bij het RIOD – ik was in totale euforie. Het was er toen nog een beetje een vrijgevochten boel ook. Iedereen deed eigenlijk waar-ie zin in had; je kon onderzoeken wat je wilde. Heel bijzonder was dat. Tegelijkertijd speelde toen in de politiek de discussie of we na vijftig jaar niet eens klaar waren met het onderzoeken van de oorlog.”

Maar daar werd een mouw aan gepast. Het onderzoeksterrein van het instituut werd verruimd tot bijkans de hele twintigste eeuw en in 1996 kwam er in de persoon van Hans Blom tevens een nieuwe directeur. Was u blij met zijn komst?
“Nou… nee. Ik was toen bezig met een boek over de Nederlandse dubbelspionne Leonie Brandt, en een van de eerste dingen die Blom tegen mij zei, was: ‘Die Leonie, die wordt geschrapt, dat gaan we niet doen als instituutsonderzoek.’ ‘Waarom niet?’ vroeg ik. Nou ja, het kwam er op neer dat hij Leonie in haar nadagen nog had meegemaakt als getuige in de zaak-Menten, toen ze permanent in de lorum was. Geen sterk argument, vond ik zelf, dus dat boek heb ik toen maar geschreven tijdens een vakantie. Nee, Blom en ik hadden niet echt warme gevoelens voor elkaar. We zijn ook verschillende types. Blom keek toch meer tegen autoriteiten op dan ik dat deed. En verder… Je kon Blom alles aan z’n verstand peuteren, mits je dat schriftelijk deed. Hij was een beetje Oost-Indisch doof. Lezen deed-ie snel en goed, maar verder was het moeizaam.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Roelof Bouwman en Boudewijn Geels