‘De blues is toch wel heel eng’

Met de blues wil Daniël Lohues niks meer te maken hebben – de duivel kwam hem te dichtbij. Nu maakt hij gewoon weer Drentse liedjes en produceert hij Hollandse helden als Harry Muskee en Rob de Nijs. ‘Ik hou van de traditie van écht Nederlandse muziek.’

De TomTom is in paniek. We rijden op een weg die er niet is, en daar kan het kleine driftkikkertje op de voorruit niet zo goed tegen. Want voor je het weet, zit je in het Drentse equivalent van de Bermudadriehoek. Wij zijn, zo blijkt al snel, op weg naar een golfbaan die er óók nog niet helemaal is. Een aantal greens ligt al, zij het wat onwennig, als een fremdkörper in het Drentse landschap, maar enkele tientallen meters verderop doet het panorama vermoeden dat we op een andere planeet zijn beland. Heuvels van wit zand en zwarte turf wisselen elkaar, al dan niet in mengvorm, af in een vervreemdend lijnenspel. En op het kruisvlak van deze werelden in wording staat een hotel dat golfend Nederland binnenkort met open armen zal ontvangen. In de vide, die uitziet over de lobby, zit Daniël Lohues al te wachten. In zijn bonte camouflagepak en geel gestikte Dr. Martens is de muzikant in deze vrijplaats der golfsport net zo’n fremdkörper als de groene landschapsbulten die ons door de glazen pui bijna verontschuldigend lijken aan te staren.

“Zo, dus het is toch allemaal nog gelukt,” constateert hij bij wijze van begroeting. Lohues staat op om ons de hand te schudden en gaat weer zitten. Het wordt al snel duidelijk dat hij, op een halfuurtje voor de fotoshoot na, ook van plan is daar te blíjven zitten. De met enthousiasme gemaakte principeafspraak om met de auto een tocht door zijn habitat te maken, lijkt van de baan. Zelfs een gitaar voor op de foto kan er vandaag niet meer van af. Jammer. We hadden met de man die niet alleen het Drentse lied maar ook de blues diep in zijn ziel heeft zitten, graag de bakermat van de Nederlandse blues willen bezoeken, want in het Looner Diep, het Oudemolensche Diep en het Gastersche Diep – het meanderende bekenstelsel dat tezamen de Drentsche Aa vormt, valt een heuse, Hollandse delta te herkennen, die vergelijkbaar is met die van de Mississippi. Daar vinden we ook Grolloo, het dorp waar Harry ‘Cuby’ Muskee samen met de Blizzards de Nederlandse blues definitief op de kaart zette. In 2009 produceerde Lohues voor Muskee het succesvolle album Cat’s Lost. Zelf oogstte Lohues veel lof met zijn Louisiana Blues Club, een band waarmee hij twee albums opnam en zelfs in de voorprogramma’s van de Stones en Van Morrison belandde. Maar sinds hij in 2006 zijn inmiddels vier delen tellende Allennig-project startte, is de hartekreet van de blues bij hem nog maar zelden te horen.


Is het vuur van de blues een beetje gedoofd?

“De blues als levensstijl als, ja, bijna religie, is toch wel heel eng. Er gebeuren in dat wereldje rare dingen. Het is leuk om af en toe tegen aan te schurken, maar ik heb dingen meegemaakt waarvan ik na afloop dacht: daar moet ik niet wezen. Ik heb een drummer, een Afro-Amerikaan met wie ik drie jaar heb getoerd, uit een crackpand van Baton Rouge moeten halen. Zijn moeder was daarbij; die wist precies waar ze moest zijn. Hij kwam er, brilletje scheef op de kop, helemaal vies en besmeurd uit. Hij keek ook ineens anders uit z’n ogen. Het was net alsof de duivel in hem zat. Ik voelde me toen ontzettend rot. Het was ook nog eens een keer met mijn geld gebeurd, want ik had hem wat gegeven. Ik was zo van slag dat ik er zelfs een beetje van moest huilen. En daar ging hij dan – little Daniël’s got to cry – grappen over zitten maken. Er was gewoon iemand anders in hem gevaren. Toen hij de volgende dag weer een beetje bij de mensen was, heb ik tegen hem gezegd: ik ga hier weg, man. Ik vind dit te gevaarlijk. ’s Nachts voortdurend schoten op straat, alsof het heel normaal was. En de hele nacht door allerlei vreemde vogels over de vloer. En toen heeft hij mij, een beetje om zijn excuses aan te bieden, uitgelegd hoe het zat. Voordat ik in de trein naar Chicago stapte, vertelde hij me dat God hem, als drummer, zoveel talent had gegeven, dat de duivel daar jaloers op was. Daarom verleidde de duivel hem af en toe tot dingen die hem zouden afleiden van dat talent. Hij geloofde daar echt in. Dus ik ben ‘m gesmeerd. Ik wilde met die hele blues niks meer te maken hebben. Want ik wist door alle verhalen van die bluesvogels dat de duivel nooit ver weg is. Robert Johnson die op de crossroads bij Dockery Plantation in ruil voor talent zijn ziel aan de duivel verkocht. Dat is de kern. En als je daar in gelooft, dan is dat ook zo. En ik wil daar niet in geloven, omdat het gewoon níet zo is.”


Daarna ben je begonnen met het Drents gezongen Allennig-vierluik. Klopt het dat die liedjes meer geïnspireerd zijn door het Nederlandstalige kleinkunstidioom dan door de Engelstalige pop of blues?

“Klopt ja. Ik heb een ontzettend grote bewondering voor iemand als Harry Bannink. Ik heb laatst zijn dochter ontmoet, en die vertelde mij dat haar vader de dag altijd begon met het spelen van Bach. Eerst Bach, en dan pas koffie, bij wijze van spreken. Dat doe ik ook. In mijn jeugd hoorde je de muziek van Harry Bannink veel. In het kindertelevisieprogramma De Film van Ome Willem zat Harry Bannink, als ‘hoofdgeitenbreier’, muziek te maken. Dat zijn mijn eerste herinneringen aan muziek op de televisie. De teksten werden dan ook nog eens geschreven door Willem Wilmink, wiens werk ik pas goed leerde kennen nadat Herman Finkers tegen mij had gezegd: ‘That’s the man!’ Nu ben ik helemaal dol op alles wat Wilmink gemaakt heeft. Zijn complete werk staat naast mijn bed, en daar lees ik iedere avond in. Dat is het Nederlandstalige dat mij ontzettend aanspreekt. Van die traditie hou ik. Dat is écht Nederlandse muziek. Veel Nederlandse muziek is toch geïnspireerd door muziek uit het buitenland. In de muziek van De Dijk zit heel veel soul uit de Stax-traditie. En zelf ben ik ook geïnspireerd door Amerikaans folkmuziek.”

Je speelt van alles – folk, blues, kleinkunst, klassiek – op heel veel verschillende instrumenten, en daarnaast ben je je ook aan het profileren als theatermaker en producer. Wat is nou je échte kern?

“Ik zie mezelf voornamelijk als een songwriter, maar als ik een Amerikaan was, dan zou mezelf heel toch heel anders voorstellen. Daar moet je wel een award winning recording artist, composer, lyricist, singer, multi-instrumentalist en ga zo maar door zijn. Maar ik ben te veel Drent om dat allemaal achter elkaar te roepen. Maar in Amerika, waar ik vaak kom en rondtrek, werkt die bescheidenheid niet. Als hier in Drente iemand aan mij vraagt wat ik doe, dan zeg ik: ‘O, ik maak een beetje muziek.’ Dat snappen ze daar niet. Wanneer je dat zegt, dan denken ze dat het een hobby is. In Nashville heb ik geleerd dat je jezelf moet profileren. Wanneer je niet begint te zeggen dat je een recording artist bent, dan gaat de deur daar al dicht. Maar voor mijn gevoel maak ik gewoon muziek. En daar vloeien al die andere dingen logisch uit voort.”


Een van die dingen is het produceren van andermans platen. Je deed naast Cuby and the Blizzards onder anderen ook Herman Finkers, Herman van Veen en Rob de Nijs. Voel je je de Nederlandse Rick Rubin?

“Die man is zeker een inspiratie voor mij. Rubin vind ik heel cool. Neem de Dixie Chicks. Ik had een bepaald beeld bij de Dixie Chicks. Ik vond het wel goed, maar toen ik die plaat hoorde die hij met ze heeft gemaakt, toen dacht ik: zó kan het dus ook. Echt te gek. Je kunt gewoon horen dat hij zich op een hoger plan met de muziek heeft bemoeid. Die heeft die chicks echt wel verteld wát ze moesten zingen. Want die plaat gáát ergens over, hoor. En hoe hij die band laat klinken! Rubin is over de vooroordelen die over de Dixie Chicks bestaan heengestapt. Hij wilde met die meiden gewoon een goede plaat maken.”

Zoals Daniel Lohues met Rob de Nijs, ongeacht wat hij van hem vindt, ook gewoon een goeie plaat wilde maken.

“Laten we een vergelijking maken met Neil Diamond. Met Neil Diamond heeft Rubin óók een plaat gemaakt. Ik hou niet zo van Neil Diamond. Hij is wel een goeie muzikant, maar ik vind het niet zo mooi. Maar toen Rob mij vroeg voor Eindelijk vrij moest ik inderdaad aan Neil Diamond denken. Ik ben toen toch een keer met hem gaan praten, en ik kan niet anders zeggen dat ‘de man’ Rob de Nijs een heel vriendelijke vogel bleek te zijn met wie ik heel goed kon opschieten. Ik was heel erg onder de indruk van zijn verhalen over wat het is om vijftig jaar on the road te zijn. Maar hij komt uit een heel andere ‘school’ dan ik. Dat geldt trouwens ook voor Harry Muskee, met wie ik ook een plaat heb gemaakt. Beide mannen zitten vijftig jaar in de muziek, maar daar houdt de vergelijking op. De verschillen tussen hen en mij vormen geen barrière om met ze te werken. Dat is het voordeel van in een dorp wonen. In het dorp waar ik woon, ga je met iedereen om. Wanneer je in de stad woont, wat ik ook heb gedaan, zit je met muzikanten, journalisten, nou ja, dat soort volk dus, bij elkaar. Alle andere mensen zitten op hun eigen eilandjes. In een dorp zit je aan dezelfde tafel met de timmerman, de bakker, de kok, de dokter, de notaris. Je moet daar niet in kiezen. Dat vind ik met muziek ook. Ik wil niet alleen maar met een bepaald soort muzikanten te maken hebben. Ik vond het heel mooi om in Nashville met Rob te werken aan Eindelijk vrij. En de magie van de muziek is toch altijd weer zo dat je erachter komt dat er meer overeenkomsten zijn dan verschillen.”


Hoe bereid je je voor op zo’n sessie? Ik neem aan dat je niet alle platen van Rob de Nijs thuis in de kast hebt staan.

“Nee, dat klopt. Ik heb eigenlijk helemaal geen Nederlandstalige platen in de kast staan. Ik luisterde daar ook nooit naar. Voor mij waren het de Beatles, de Stones, Bob Dylan en Neil Young. Pas later, in de tijd van Skik, ben ik naar De Dijk gaan luisteren. Die kende ik alleen maar van de radio. En vroeger thuis hadden wij alleen maar Sonneveld en Kan op vinyl. Dat soort dingen en wat kinderplaten.”

Waar luisterde je in die tijd nog meer naar?

“Orgelmuziek. Mijn vader had platen van Bach. Daar was ik gek op. Hij heeft op een gegeven moment een speakertje doorgetrokken naar mijn slaapkamer boven. Als kant één van de plaat was afgelopen, bonkte ik op de grond, en dan draaide hij de plaat om. Halverwege kant twee viel ik dan meestal in slaap. Daarom ken ik die plaat, op het eind na, dan ook helemaal uit mijn hoofd.”

Bach wordt gezien als zwaarmoedige muziek. De titel van je nieuwe album, Hout Moet, en een lied als Prachtig mooie dag, waarin je jezelf dwingt om van het leven te genieten, doet vermoeden dat je af en toe lijdt aan neerslachtigheid.

“Ik had dat als kind al. Zonder enige aanwijsbare reden overigens. Het zal misschien iets chemisch zijn. Dan waren er van die dagen dat ik het liefst alleen op het land ging lopen. Dat heb ik op deze plaat een beetje proberen te duiden. Want ik heb gemerkt dat wanneer ik ergens over schrijf, dat het dan klaar is.”

Klaar is ook het interview. Lohues hijst zich in zijn camouflagejas en verdwijnt in de schemering van het Drentse land. Na een korte sanitaire stop stappen wij weer in de auto.


Het is inmiddels stevig gaan regenen. Op de weg voor ons, die door de TomTom nog steeds stelselmatig wordt genegeerd, doemt een duistere gestalte op. Het is Daniël Lohues die zich ploeterend door de regen voortbeweegt richting huis. Op de fiets, natuurlijk.

Daniel Lohues: Hout Moet. Zie voor de tournee www.lohues.nl.

Ruud Meijer