Dilemma-dag

Op 2 maart worden de belangrijkste Provinciale Statenverkiezingen sinds decennia gehouden. Dit leidt tot allerlei hoofdbrekens voor de kiezer. Vier visies op de verkiezingen.

Zoals bekend beschikte Nederland decennialang over een ‘verzuild’ medialandschap. Het grote voordeel daarvan was dat aan journalisten zelden werd gevraagd op welke partij ze gewend waren te stemmen. Het antwoord op die vraag konden we in de meeste gevallen immers wel raden. Zo werd de hoofdredacteur van Het Vrije Volk, tot halverwege de jaren zestig Neerlands grootste dagblad, benoemd door het partijcongres van de PvdA, stond Trouw tot 1971 jarenlang onder leiding van (voormalig) ARP-fractievoorzitter Siewert Bruins Slot, was staatkundig hoofdredacteur C.P.M. Romme van de Volkskrant tevens aanvoerder van de KVP en wemelde het bij de NRC en het Algemeen Handelsblad van journalisten die banden hadden met de VVD.

Het ontzuilingsproces maakte de afgelopen veertig jaar aan deze situatie een eind. Sindsdien moeten we gissen naar het stemgedrag van het vaderlandse journaille, want doorgaans zijn de leden van deze beroepsgroep niet genegen daar zelf mededelingen over te doen. Toch is dat gissen ook weer niet overdreven moeilijk als u bedenkt dat een paar jaar geleden uit een door Mark Deuze uitgevoerd promotieonderzoek bleek dat slechts één procent van de Nederlandse journalisten zichzelf als ‘rechts’ typeert. De overgrote meerderheid (79 procent) positioneert zich links of links van het midden.

Toevalligerwijs ben ik zelf indertijd ook door Deuze telefonisch bevraagd over mijn politieke voorkeuren, en ik vermoed dat hij mij toen heeft ingedeeld bij de categorie ‘weet niet/geen antwoord’. Want hoewel ik reeds sinds 1983 stemgerechtigd ben, heb ik nauwelijks van dat recht gebruik gemaakt. De laatste keer was bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2002, toen ik van plan was op Pim Fortuyn te gaan stemmen. Ik heb daar echter van afgezien toen de LPF in de peilingen boven de twintig zetels klom (dat leek mij als waarschuwingssignaal wat al te gortig) en Fortuyn vervolgens ook nog eens werd vermoord. Om toch blijk te geven van mijn afkeer van de fletse generatie politici die onder Paars II in Den Haag aan de touwtjes trok – Ad Melkert en Hans Dijkstal voorop – heb ik toen, voor het eerst van mijn leven, op het CDA gestemd. Als u zegt dat dat weinig heeft geholpen, heeft u misschien wel gelijk. In elk geval ben ik sindsdien thuisgebleven als er iets te stemmen viel, en dat zal ik ook op 2 maart weer doen.


Want ik mis dus iets bij Mark Rutte, Maxime Verhagen, Geert Wilders, Job Cohen, Alexander Pechtold, Emile Roemer en Jolande Sap. Bloed, zweet, tranen, krassen op de ziel, deuken in de vangrail. Waar zitten hun dubbele bodems, wat hebben ze nou echt méégemaakt toen ze nog níet op het Binnenhof vertoefden? Waarom ontstaan er geen files als ze ergens een spreekbeurt houden, zoals vroeger bij Hans Wiegel? Waarom twijfelen ze niet zo mooi als Hans van Mierlo? Waarom laten ze mij niet luidkeels lachen, zoals vroeger Marcus Bakker? En – ’t is zonde dat ik het zeg – waarom zal ik niet vloeken als ze plotseling iets overkomt, zoals bij Pim Fortuyn?

Aan Mark Deuze heb ik het toen allemaal niet verteld, maar nu weet u het toch.

Roelof Bouwman

Als zo veel Arabieren hun leven wagen voor zoiets begerenswaardigs als democratie, zou je het een gotspe kunnen noemen dat waarschijnlijk nog niet de helft van de Nederlandse kiezers zich zal verwaardigen om te gaan stemmen bij de Provinciale Statenverkiezingen.

Mocht het op 2 maart toevallig regenen, dan scheelt dat ook al snel een paar procent, zeggen onderzoekers. Als ik zoiets hoor, heb ik altijd zin om iets naar mijn tv-toestel te gooien. Je kunt nog zo blasé of cynisch zijn, mogen stemmen is – zie Egypte, Bahrein en Libië – een voorrecht. Daarvan afzien omdat je permanentje uit model kan regenen, is iets waarvoor ik persoonlijk niet bijster veel begrip kan opbrengen.

Toch zou ik niet willen pleiten voor een daadwerkelijke herinvoering van de stemplicht. Thomas von der Dunk schreef onlangs in dit blad dat de mate waarin Nederlanders over kennis van politiek beschikken zacht uitgedrukt nogal wisselend is. De columnist genereerde er weer een hele berg boze lezerspost mee, maar hij had natuurlijk groot gelijk. Dat door hem gesignaleerde gebrek aan kennis is echter niet alleen voorbehouden aan Tokkie-achtigen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn wonen.


Zo heb ik prima geschoolde dertigers horen roepen dat het ‘schandalig’ is om rijke ouderen te laten meebetalen aan hun eigen AOW, want ‘die mensen hebben er toch hun hele leven voor gewerkt?’ Alexander Pechtold, toch ook geen domme man, vertelde op tv dat hij geen enkel begrip kan opbrengen voor PVV-stemmers ‘omdat je er maar gewoon aan moet wennen dat het in je portiek een beetje anders ruikt omdat je exotische buurman anders kookt’. Ook aangrijpend: hoogopgeleide rechtse Nederlanders die beweren dat het heus wel mee zal vallen met het klimaatprobleem, ‘want we hebben de laatste paar jaar lekker kunnen schaatsen’.

Mag je van een kiezer verwachten dat hij de tijd neemt om alle partijprogramma’s punt voor punt te toetsen aan de realiteit? Natuurlijk niet, alleen al omdat maar heel weinig mensen weten wat die realiteit precies ís. Waar hij politiek staat, weet de doorsnee Nederlander dan ook slechts bij benadering; zijn stemgedrag laat hij in hoge mate afhangen van de sympathie die hij op de dag van de verkiezingen voelt voor een bepaalde voorman of voorvrouw. Zoals Hans van Mierlo in 2009 in een sombere bui concludeerde: “De kiezers doen maar wat. Die pakken elke trein die voorbijkomt en er een beetje leuk uitziet.”

De trein die Provinciale Staten heet, boemelt al vele decennia vrijwel onopgemerkt door het politieke landschap. Ook ik heb moeten opzoeken hoe de lijsttrekkers van de partijen waartussen ik twijfel eigenlijk heten. Ik ben hun namen nu alweer vergeten. Lastig is ook dat ik blijkens het Kieskompas voor de Provinciale Staten op partij A zou moeten stemmen, terwijl ik, zo weet ik, voor Eerste Kamer bij partij B moet zijn.


Die keuze is deze keer snel gemaakt, want op 2 maart wordt er vooral ‘strategisch’ gestemd. Mag dit gedoogkabinet verder of wil het volk – althans, het deel dat niet bang is voor een eventuele natte jas – dat linkse senatoren elk wetsvoorstel van Rutte I aan flarden kunnen schieten? Die vraag is te belangrijk om thuis te blijven.

Boudewijn Geels

Bij strategisch stemmen gaat het niet om de inhoud, maar om de gedachte: alles beter dan… Eigenlijk vind ik dat flauw. Je hoort immers voor de partij te kiezen die het best bij jouw overtuigingen past. Het gaat toch om de inhoud?

Nu de Provinciale Statenverkiezingen aanstaande zijn, heb ik me eens georiënteerd op de materie. Ik woon in Rotterdam en klikte dus op Stemwijzer.nl ‘Zuid-Holland’ aan. Ik raakte al in verwarring bij stelling 7 en 8: “De provincie moet stoppen met de plannen voor een tramlijn tussen Gouda en Katwijk” en “In Zuid-Holland mogen meer helikopterhavens voor het vervoer van personen komen”.

Wat moet ik als Rotterdammer vinden van een tramlijn in Katwijk? Ik zal ook meteen maar opbiechten dat ik me – heel gek – niet eerder heb bezighouden met helikopterhavens.

Bij Kieskompas.nl is het van hetzelfde laken een pak. Wil ik een extra tunnel onder de Nieuwe Waterweg? Geen idee of dat een verrijking voor mijn leven zou zijn. Waar komt die tunnel dan te liggen? In het hart van Rotterdam, zodat niet de halve maar de hele stad jarenlang in een bouwput gaat veranderen?

En dan stelling 9 van Kieskompas.nl: wanneer heeft u zich voor het laatst opgewonden over overlastgevende herten en of die afgeschoten moeten worden? Dan wil ik weten: wat is ‘overlastgevend’ in dit verband? Een hert dat met andere herten in bushokjes hangt, dingen schreeuwt in een onverstaanbare taal, en zijn rommel niet opruimt?


In mijn geval bevindt het dichtstbijzijnde hert zich stilzwijgend achter het hekwerk van een vijf kilometer verderop gelegen kinderboerderij. Het staat daar goed.

Kortom, de waarde van mijn stem en het nut van de provincie zijn mij nog lang niet duidelijk. Dan moet de bijkomende macht van de provincie maar de doorslag gaan geven. Statenleden kiezen immers de leden van de Eerste Kamer. Wellicht komt hier een kans op revanche na mijn teleurstelling over het kabinet dat na de Tweede Kamerverkiezingen is aangetreden.

Bij die verkiezingen koos ik namelijk op de inhoud en maakte ik het hokje rood van de lijsttrekker van een kleine partij. Na een ingewikkelde formatie moest die langs de zijlijn blijven staan. Was ik niet beter af geweest met een kabinet dat tenminste nog een béétje recht deed aan mijn overtuigingen, in plaats van de rechtse gedoogconstructie die nu aan de macht is? Had ik toen niet strategisch moeten stemmen, zodat dit kabinet er misschien niet was gekomen?

Nu kan ik dat misschien rechtzetten. Als de Eerste Kamer de wetsvoorstellen van de regering kan frustreren, komt het toch nog een beetje goed met de voor mij belangrijke inhoud. Dan moet ik op de grootste partij aan de linkerkant stemmen. Vol goede moed lees ik hun verkiezingsprogramma, maar ik moet constateren dat het me allerminst aanspreekt.

Daarom beste lezer, zal ik weer naar het stemhokje gaan en eerlijk kiezen voor de lijsttrekker van een kleine partij die in alle abstractie het dichtst bij mij staat. Maar o wee als mijn woonplaats straks verandert in een grote bouwput bezaaid met helikopterhavens en hertenlijken. Dan was dit wel de laatste keer.


Ivo van Woerden

Zoals mijn collega Roelof Bouwman op pagina 20 schrijft: slechts één procent van de Nederlandse journalisten typeert zichzelf als rechts. “Journalistieke objectiviteit is een illusie, dus je kunt maar beter voor je mening uitkomen,” zei Eef Bos in 2009 bij zijn afscheid als hoofdredacteur van De Telegraaf.

Wat niet betekent dat je als journalist partijgebonden zou moeten zijn. Een goede journalist is onafhankelijk en, zover mogelijk, objectief binnen een bepaald kader. Maar een journalist heeft wél een mening en gaat net als ieder ander stemmen – of niet. Ik stem altijd. En zeker nu, want de verkiezingen voor de Provinciale Staten gaan natuurlijk vooral over het al dan niet blokkeren van het kabinet Rutte-I.

Ik denk graag van mezelf dat ik politiek dakloos ben, maar ik werd er laatst op gewezen dat daar niets van waar is. Althans, bíjna niets van waar. Ik stem namelijk altijd rechts, zo merkte een collega bij dit weekblad terecht op. Ook bij de aanstaande Provinciale Statenverkiezingen ga ik op een van de partijen ter rechterzijde stemmen. Ik weet dat dat hoogst uitzonderlijk is binnen mijn beroepsgroep, zeker omdat ik er ook nog eerlijk voor uitkom.

Goed, het wordt dus rechts. Maar verder twijfel ik nog. Op welke partij stem je als je vindt dat dit gedoogkabinet een steuntje in de rug verdient? De VVD en PVV gaan hoe dan ook winnen. Die partijen hebben mijn stem dus niet echt nodig. De PVV wacht zelfs een monsterzege in de Provinciale Staten en in de Eerste Kamer.

Dan blijft er nog één coalitiepartij over: het CDA. Zoals CDA-lijsttrekker Elco Brinkman zei in een van de debatten: hoe meer stemmen voor het CDA, hoe stabieler de coalitie. Immers, het zou niet goed zijn als het CDA al te slecht uit de verkiezingen komt. Daardoor zouden er wrijving en irritatie ontstaan binnen de coalitie en bij de toch al kritische achterban, wat weer kan uitmonden in een discussie over de positie van vicepremier Maxime Verhagen.


Als de coalitie zou worden opgeblazen, bestaat de kans dat bij nieuwe onderhandelingen PvdA-leider Job Cohen, zonder dat hij daar ook maar iets voor heeft gedaan, van de oppositiebankjes verkast naar vak-K in een Paars-plus-constructie. Ik kan me niet voorstellen dat rechts dáár op zit te wachten.

Verhagen en minister van Defensie Hans Hillen maken van de typische middenpartij CDA langzaam maar zeker een gematigd rechts-conservatieve partij. Dat vind ik prima. Het is ook logisch, want dat is de vijver waar de VVD-, PVV- en CDA-kiezers in zwemmen.

Maar er zijn nóg twee partijen die interessant zijn voor rechtse kiezers. De ChristenUnie heeft weliswaar linkse trekjes, maar vooruit, lijsttrekker Roel Kuiper durft tenminste op televisie tegen PVV’er Machiel de Graaf te zeggen dat het christendom te verkiezen valt boven dan de islam, in tegenstelling tot zijn Tweede Kamercollega Arie Slob.

En dan de SGP. Die zit weliswaar in de oppositie, maar vóért geen oppositie. Die constructieve houding, die zij op haar beurt ook verwacht van de liberale VVD (dus geen uitbreiding van het aantal koopzondagen), zorgt voor een versteviging van de fundering van het kabinet-Rutte. Dat kan ook in de senaat van groot belang blijken.

Alles afwegende ga ik stemmen op het CDA. Uit medelijden, vooral.

Frank Verhoef

De opkomst voor de Provinciale Statenverkiezingen is de laatste jaren steeds lager geworden. De laatste tien jaar schommelt die zo rond 45 procent, terwijl in 1978 nog bijna tachtig procent van de kiezers ging stemmen.

Op 2 maart worden er 564 Statenleden gekozen. Dat lijkt veel, maar voor 2007 waren dat er nog 764. Het aantal Statenleden dat een provincie heeft, is afhankelijk van het inwonertal. Grote provincies als Noord- en Zuid-Holland en Brabant hebben er ieder 55, een kleine provincie als Zeeland ‘slechts’ 39. Op hun beurt kiezen de Statenleden op 23 mei de leden van de Eerste Kamer, die op 7 juni worden geïnstalleerd.


De samenstelling van de Eerste Kamer is van cruciaal belang voor het kabinet-Rutte. Nu heeft dat in de senaat een minderheid (35 van de 75 zetels). Als dat zo blijft, wordt het lastig voor de regering om ingrijpende veranderingen door te voeren, al ontkent vicepremier Maxime Verhagen (CDA) dat een meerderheid per se noodzakelijk is voor de uitvoering van de regeringsplannen.

Uiteraard is het voor het kabinet prettig als VVD, CDA en gedoogpartner PVV samen minstens 38 zetels halen, en dus een meerderheid in de senaat. Anders hebben ze de steun van partijen als de SGP en misschien zelfs D66 en de ChristenUnie nodig om hun wetsvoorstellen door de Eerste Kamer te kunnen loodsen.

Hoewel de aanstaande Provinciale Statenverkiezingen vooral een landelijke aangelegenheid lijken te zijn, kan de zwevende kiezer terecht bij online stemwijzers die op basis van stellingen over provinciale issues stemadvies geven.

Er zijn verschillende mogelijkheden. Zo is daar de enige echte StemWijzer, gemaakt door het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP). De site werkt met dertig stellingen over kwesties als de komst van nieuwe bedrijventerreinen en de aanleg van nieuwbouwwijken ten koste van de bloembollenteelt.

De grote concurrent van de StemWijzer is het Kieskompas van VU-politicoloog André Krouwel, die eveneens per provincie aan de hand van dertig stellingen stemadvies geeft.

Dan is er een StemWijzer speciaal voor de Eerste Kamer, die gericht is op landelijke thema’s als de maximumsnelheid op snelwegen, de verhoging van de AOW-leeftijd en het voortbestaan van de monarchie.


Ten slotte is er nog een stemwijzer voor traditionele CDA- en VVD-stemmers, de TegenStemWijzer. Deze site vraagt de bezoekers of zij ook willen dat hun partij niet langer samenwerkt met de PVV. “Dan is dit uw kans om een duidelijk signaal af te geven.”

Als je aangeeft in welke provincie je woont en of je normaal gesproken CDA of VVD stemt, krijg je een TegenStem-advies dat het dichtst bij de politieke standpunten van die partij ligt. (In het geval van Zuid-Holland komen CDA- en VVD-stemmers dan beiden uit bij het Platform Lokale Partijen.) Dit onder het motto: “Help uw partij weer de goede kant op, zodat u bij de volgende verkiezingen weer met gerust hart CDA of VVD kunt stemmen.”

Roelof Bouwman, Boudewijn Geels, Frank Verhoef en Ivo van Woerden