Op de bodem van het ravijn

Een van de voorrechten van het ambacht van de filmrecensent is dat je nog weleens een première mag bijwonen. Dat is overigens niet per se een genoegen. In Nederland worden premières opgeleukt met de aanwezigheid van derderangs BN’ers van de statuur van Maik de Boer, Birgit Schuurman en Marijke Helwegen. Ooit trof ik bij zo’n gelegenheid naast me een min of meer bekende travestiet die – te oordelen naar het klaaglijke gezucht en herhaaldelijk inspecteren van z’n horloge – het bekijken van de film beschouwde als een moeizame en nodeloos lange onderbreking van een feestelijk avondje luchtzoenen en paraderen.

Maar zo’n avond kán ook leuk en boeiend zijn. De meest memorabele première die ik ooit heb meegemaakt vond plaats op 12 september 2010 in het Ryerson Theatre in Toronto en betrof de film 127 Hours. De bezoekers wisten op dat moment niet veel over de film. Hooguit dat het een op ware gebeurtenissen gebaseerd verhaal betrof over een atletische jongeman die in een rotsspleet in Utah bekneld komt te zitten. Dat de film een ongemeen heftige scène bevat, konden we (nog) niet weten. Ik geloof dat ik wel mag verklappen wat er in die scène gebeurt. De kans dat u deze film gaat zien zónder het te weten, lijkt me althans zeer klein. Om zijn leven te redden, ziet de hoofdpersoon zich genoodzaakt zijn eigen arm af te snijden. Hij heeft daartoe de beschikking over een goedkoop zakmes. En o ja, hij moet alvorens tot zelfamputatie over te gaan eerst nog even zijn arm breken.

Zo. Nu weet u het.

De man die naast me zat, wist het niet. Dat is hem lelijk opgebroken. Hij kromp op zijn stoel ineen in een soort foetushouding en maakte geluiden die het midden hielden tussen loeien en kokhalzen. Ondertussen begon hij ook nog verontrustend over zijn hele lichaam te trillen. Hij moest door medisch personeel worden afgevoerd. Een minuut of twintig later betraden regisseur Danny Boyle en hoofdrolspeler James Franco het toneel onder een orkaan van applaus en gejuich. Naast hen stond, enigszins bedremmeld, Aron Ralston, de man die in het écht 127 uur lang bekneld had gezeten. Uit zijn rechtermouw stak een metalen haak. Hij gaf met een van emotie dichtgeschroefde keel antwoord op vragen uit het publiek. Het Ryerson Theatre telt 1200 zitplaatsen. Je kon er een speld horen vallen.


Ralston ontkende dat er uitzonderlijke moed of discipline voor nodig was geweest om tot zo’n daad van lijfsbehoud te komen. “Iedereen is ertoe in staat,” bezwoer hij. Waarmee we op inhoudelijk terrein zijn beland. 127 Hours is méér dan een film over een bizar avontuur en een opmerkelijke daad. Het is veeleer een extreme vorm van zelfonderzoek. Een meditatieve, hallucinatoire, ontregelende film over leven, dood, identiteit en bewustzijn.

James Franco speelt deze hoofdrol zó indringend dat de bezoeker amper in de gaten heeft dat driekwart van de film zich op één locatie – de bodem van een smal ravijn – afpeelt. En Danny Boyle heeft na Trainspotting en Slumdog Millionaire een derde meesterwerk aan zijn oeuvre toegevoegd.

127 Hours. Regie: Danny Boyle. Vanaf 24 februari in de bioscoop.

Erik Spaans