Revolutie! En dan?

Elke week één artikel uit HP/De Tijd in zijn geheel op de website. Deze week een artikel over de vraag of volksopstanden zoals die nu plaatsvinden in de Arabische wereld per definitie leiden tot democratie en vrijheid. Vier revolutionaire mythes ontzenuwd.

1. Revoluties zijn van alle tijden
Zeker, al in de oudheid en de Middeleeuwen kwam het regelmatig voor dat onderdrukte en uitgebuite boeren of stedelingen in opstand kwamen tegen een onrechtvaardige heerser. Toch zijn geschiedwetenschappers niet gewend om dergelijke opstanden automatisch van het etiket ‘revolutie’ te voorzien. Reden: het ging bij deze schermutselingen meestal om niet meer dan spontane woedeuitbarsingen, zonder dat de opstandelingen idealen koesterden over een nieuwe politieke of sociale orde. Pas in de achttiende eeuw kwam daar onder invloed van de Verlichting verandering in. Vandaar dat de op 14 juli 1789 begonnen Franse Revolutie vrijwel algemeen wordt beschouwd als de eerste echte revolutie in de hedendaagse zin van het woord. Voor het eerst was er toen namelijk sprake van een opstand die werd gevoed door een revolutionaire, door het Verlichtingsdenken geïnspireerde ideologie. En die ideologie, met ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ als centrale begrippen, was niet alleen gericht op het verdrijven van een heerser – in het onderhavige geval koning Lodewijk XVI – maar ook op het omverwerpen van de hele ‘entourage’ waarop diens heerschappij stoelde, namelijk de standenmaatschappij en het absolutisme.

2. Een revolutie ontstaat als het volk in grote meerderheid gefrustreerd is over het beleid van de regering
Nee, zo eenvoudig is het niet. Polemoloog Leon Wecke, werkzaam bij het Centre for International Conflict Analysis and Management (CICAM) van de Radboud Universiteit Nijmegen zette onlangs in het Reformatorisch Dagblad uiteen wat er allemaal nodig is voor een geslaagde revolutie. Frustraties over het beleid van de regering: daar begint het inderdaad mee. Maar er zijn méér noodzakelijke voorwaarden. In de woorden van Wecke: de overheid moet op een gegeven moment door de bevolking niet langer worden erkend als wettig gezag. Voorts: er mag geen andere actor zijn (zoals een politieke partij of een vakbond) die als zondebok kan dienen en die de regering buiten schot kan houden. Ook moet er voldoende communicatie zijn tussen de ontevredenen om elkaar te mobiliseren, en moet de sterke arm van de overheid (zoals leger en politie) zich op z’n minst neutraal opstellen of zich zelfs helemaal tegen de regering keren. En zelfs als die puzzelstukjes allemaal op hun plaats vallen, is er nog de complicerende factor tijd. Het omslagpunt ligt volgens Wecke ergens bij een week of tien dagen. “Als er binnen die tijd geen succes wordt geboekt, gaat de rek eruit. Heel praktisch: mensen moeten wel eten. En om eten te kunnen kopen, moet er aanvoer zijn. Vroeg of laat moeten er dus weer mensen terug naar de gewone wereld. Zo zakt het revolutionair elan vanzelf. Elke opstand heeft dus een houdbaarheidsdatum.”

3. Revoluties zoals die nu plaatsvinden in de Arabische wereld, leiden tot meer vrijheid en democratie.
Hier past grote voorzichtigheid, want de eerste revolutie waarbij mínder vrijheid en mínder democratie wordt geëist, moet nog plaatsvinden. Toch mag het frappant worden genoemd dat juist drie van de belangrijkste en meest tot de verbeelding sprekende revoluties van de twintigste eeuw – namelijk die in Rusland (1917), China (1949) en Iran (1979) – resulteerden in een dictatuur die oneindig veel wreder was dan het regime dat omver werd geworpen. En hoewel dat nu haast niet meer is voor te stellen, gold ook voor die drie revoluties dat ze – óók in Nederland – door velen met instemming werden begroet. Zo waren er tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw tal van progressieve, zelfs niet-communistische schrijvers en intellectuelen die over de ‘verworvenheden’ van de Sovjet-Unie en maoïstisch China geen kwaad woord wilden horen. Hetzelfde gold aanvankelijk voor de revolutie in Iran, want ook die omwenteling werd door velen in het Westen enthousiast ontvangen. Want was die Perzische sjah geen ongelofelijke ploert die zijn volk keihard onderdrukte? En oogde die ayatollah Khomeini – die tijdens zijn ballingschap in Parijs in een vertederend klein huisje op vriendelijke toon de wereldpers te woord stond – niet als een bedachtzame mysticus van wie geen kwaad leek te duchten? Door menige journalist, en trouwens ook door de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Iran, werd hij met Mahatma Gandhi vergeleken.
Natuurlijk, inmiddels weten we wel beter. Maar toch hebben we nog steeds de neiging om ongebreideld enthousiast te raken als we vernemen van revolutionaire woelingen in ver afgelegen dictaturen, zelfs als het landen betreft die geen enkele democratische traditie kennen. Misschien komt dat wel omdat we stiekem hunkeren naar drama en heroïek, verschijnselen die in ons eigen democratische bestel schaars zijn.
Moeten we dus maar per definitie cynisch reageren als we demonstranten met gevaar voor eigen leven horen roepen om meer vrijheid en democratie? Nee, dat is weer het andere uiterste. Maar wie slim is, houdt bij revoluties toch altijd Animal Farm van George Orwell onder handbereik. Want hoe liep het ook alweer af op die boerderij, nadat de dieren hun wrede meester – de mens – hadden verjaagd en de varkens de macht hadden overgenomen? “De schepselen die buiten stonden keken van varken naar mens en van mens naar varken en van varken naar mens, maar het was reeds onmogelijk geworden te zeggen wie een mens en wie een varken was.”

4. Afgezien van de pittoreske couppoging van Pieter Jelles Troelstra in 1918, is Nederland altijd verschoond gebleven van revoluties. Toch is ook door onze voorouders jarenlang hard gevochten voor het algemeen kiesrecht.
Dat is een nogal overdreven voorstelling van zaken. Want in een vuistdikke studie over de kiesrechtkwestie stelde historicus Gert van Klinken in 2003 vast dat er in vroeger tijden bij niet-stemgerechtigde Nederlanders nauwelijks sprake is geweest van een brandend verlangen om kiezer te worden. Bovendien zagen de fanatiekste voorstanders van het algemeen kiesrecht, de toenmalige socialisten en communisten, dit recht slechts als een breekijzer om het tegendeel van een parlementaire democratie teweeg te brengen, namelijk overdracht van de macht aan één partij, die van het proletariaat. Ook was de uiteindelijke invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1918 een minder grote cesuur dan vaak wordt gedacht. Want het ‘beperkte’, aan (vooral financiële) voorwaarden gebonden kiesrecht dat we voorheen in Nederland kenden, was in de loop der jaren zo ver opgerekt dat bij de Kamerverkiezingen van 1917 reeds 71 procent van de volwassen mannen mocht stemmen. En inderdaad: van opkomstpercentages in die orde van grootte kunnen we anno 2011 bij Statenverkiezingen slechts dromen…

Roelof Bouwman