Het abosulute niets

Aan het eind van Nederland, tussen het Wad en de Noord-Groninger kust, ligt de kwelder. Op avontuur in de leegte.

Ik ben dit vak in gegaan omdat ik van avontuur hou. Journalistiek, zo hield ik mezelf altijd voor, dat is overal op de aardkloot uit het rauwe leven happen, terwijl de man met de zeis je geen seconde uit het oog verliest. Behangen met bloedzuigers door de dichtbegroeide jungle van Borneo struinen, terwijl gemeen stekende horzels zich als kamikazepiloten op je sudderende vlees storten. Je tot op het bot verkleumde lijf met een pikhouweel langs de bevroren hellingen van de Nanga Parbat omhoog takelen, waarbij de ijle lucht ervoor zorgt dat het lijkt alsof je met je hoofd in een te strak aangedraaide bankschroef zit. Met ware doodsverachting in een rubberbootje over de schuimbekkende Zambezi-rivier de duizelingwekkende diepte in raften, links en rechts rotspunten ontwijkend die je rug over de gehele lengte zouden kunnen openritsen zodat je bloederige ingewanden als steak tartaar naar buiten gutsen en een feestmaal vormen voor de geduldig toekijkende gieren. Aan de boorden van de erwtensoepgroene Amazone een zelfgeschoten capibara roosteren, terwijl je duizend priemende ogen in je rug weet en het moment vreest waarop je ten prooi valt aan een horde primitieve indianen die met behulp van blaaspijpjes gifpijlen door je flink pulserende halsslagader jagen.

En dus wandelde ik op een dag door een aardappelveld.

In Noord-Groningen.

Klei zo ver het oog reikte.

Naast me liep een man met een puntige stok. En een schepnetje, zo eentje waarmee kinderen in de grote vakantie twee of drie garnalen proberen te vangen. De Amazone was nog nooit zo ver weg.

Desondanks waren we op avontuur, de man met de puntige stok en ik. En met ons hadden nog vier waaghalzen het aangedurfd zich in te schrijven voor een zogeheten Wadavontuur. Ze droegen rubberlaarzen, fototoestellen en verrekijkers. Om uitdroging te voorkomen, hadden ze een flesje water bij zich gestoken. De man met de puntige stok niet; die torste een kartonnetje Chocomel met zich mee.


En zo liepen we door het aardappelveld, wel een uur lang. Op weg naar een dijk aan de einder, die gelukkig met het kwartier dichterbij kwam.

De man met de puntige stok, die prettig allitererend Wigbold Wierenga heette, praatte onderweg honderduit. Over het belang van aardappelen voor de economie van de regio Noord-Groningen. Met stemverheffing: “Naar die boerderij daar…”

We volgden de puntige stok.

“…is vorig jaar een Oekraïner gereden. Om aardappelen te kopen.”

Ik noteerde het. Keek nog eens naar de boerderij, waar vorig jaar een Oekraïnse trucker in de remmen had geknepen. En toen moest ik flink de pas erin zetten om aan te haken, want Wigbold Wierenga was alweer doorgelopen.

“Allemaal zavelgrond,” hoorde ik Wigbold zeggen, wijzend op de Groninger leegte om ons heen. “Dat is een combinatie van zandgrond en kleigrond. Ideaal voor aardappelen. En als je goed kijkt…”

We deden precies wat hij zei.

“…kun je in de grond ook schelpjes zien zitten. En die zorgen weer voor kalk.”

Ik keek op m’n horloge. Nee, dit kón eenvoudigweg nog geen deel uitmaken van het Wadavontuur.

Aanhaken maar weer, want stilstaan bleek niet een van Wigbolds kwaliteiten.

Zo’n zestig minuten eerder waren we vertrokken uit de dorpskern van Pieterburen, een plaatsje met zo’n vierhonderd inwoners, de zeehonden in de crèche van Lenie ’t Hart niet meegerekend. De 64-jarige Wigbold Wierenga, een oud-onderwijzer, geldt er al sinds jaar en dag als een van de meest markante figuren. Iemand met wie de politiek rekening zou moeten houden, vindt Wigbold zelf. Alleen gebeurt dat maar niet.


Wigbold Wierenga heeft zijn hart verpand aan de kwelders, stukken ‘begroeide buitendijkse landaanwas die bij een gemiddeld hoogwater niet meer onderlopen en alleen bij erg hoge waterstanden blank komen te staan’ (bron: Wikipedia). Wigbold wil dan ook dat deze Groningse variant van de Everglades volop wordt opengesteld voor het publiek. “Met mooie wandelroutes, een avonturenpad met overgangetjes, bruggetjes, doorwaadbare plekken en leuke informatieborden.”

Precies een jaar geleden, aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen, begon Wigbolds loopbaan als kwel(der)geest van de politiek. In een open brief trok hij fel van leer. “Nergens in Europa worden cultuurhistorische terreinen en natuurgebieden in de kustgebieden zo ouderwets-conservatief beheerd als in Nederland,” schreef hij, met de tong uit de mond. “En van de twaalf provincies in Nederland springt Groningen eruit als de meest behoudende. Het provinciebestuur laat zijn oren hangen naar instanties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Stichting Het Groninger Landschap. Uit persverslagen van de laatste tijd hoef ik u niet te vertellen dat deze ‘grootgrondbezitters’ (-) lekker langs elkaar heen werken en in de praktijk alleen maar chique vogelbeschermingclubs zijn. Nergens in Europa is de vogellobby zo sterk als in Nederland. Nergens in Nederland is de vogellobby zo sterk als in Groningen. Nergens ter wereld zijn de kuststreken voor het gewone publiek ontoegankelijker dan in Noord-Groningen.”

En wij ons in die dagen maar druk maken om Uruzgan.

“Op korte termijn gaan met gelden uit het Waddenfonds de kwelders op de schop. Nu al voeren Het Groninger Landschap en Natuurmonumenten het hoogste woord over hoe een en ander ingericht zal worden. Voor de nabije toekomst zal dat betekenen dat de buitendijkse gebieden nog ontoegankelijker zullen worden dan dat ze nu al zijn en dat je er alleen maar mag vertoeven met een truttige en oubollige huifkar, nota bene vervoerd door een broeikasgasuitstotende trekker, onder leiding van een helemaal niet zo deskundige gids van ver buiten de streek.”


De kachel in huize Wierenga kon die avond op een laag pitje, want Wigbold schreef zichzelf warm.

“Kwelders zijn, vanaf het moment dat ze zijn ontstaan, in beslag genomen door de mens. Elke cultuurhistoricus ingevoerd in de Groninger geschiedenis zal dat beamen. Heel Noord-Groningen, voor het jaar 1200 één groot kweldergebied, is gemaakt door de natuur én de mens. Dit ging ook na 1200 gewoon door, toen de eerste redelijk betrouwbare dijken werden opgeworpen. Wat deden en doen de bovengenoemde organisaties? Met miljoenen euro’s hun vogelhobby uitoefenen en daarmee hun terreinen afsluiten voor het publiek. Voor miljoenen euro’s is er ten noorden van Pieterburen een betonbaan aangelegd naar de zeedijk en zijn er brakwaterplassen gegraven ten noorden van Westernieland. Ga je over de betonbaan naar de dijk, wat wordt de toerist dan ter plaatse geboden? Het absolute niets!”

En daar sjokten we dus al een uur doorheen, in het kader van het Wadavontuur. Het absolute niets. Maar was dat ook niet de slogan van de plaatselijke VVV, “Er gaat niets boven Groningen”? Nou dan.

Terug naar woedende Wigbold.

“Waarom kunnen oude dijken in de rest van Nederland, zoals de Slagtedijk in Friesland of de Westfriese Ringdijk wél omgevormd worden tot excellente wandelroutes en moet onze cultuurhistorische Middendijk, met z’n kolken en dobbes, worden beheerd als ‘vogeltjesland’? Is dit toeristisch beleid? (-) Een avonturenpad op de kwelder met allerhande overgangetjes, bruggetjes, doorwaadbare plekken, een echte wierde enzovoorts, zou een grote verrijking zijn voor het toeristisch aanbod in Pieterburen. (-) Laten we hier in Groningen eens een keer voorop lopen en niet voor de zoveelste keer achter het toeristische net vissen, want in andere gemeenten en provincies wordt wel nagedacht en niet alleen over vogeltjes!'”


“Niets mee gedaan, met die brief,” moest Wigbold nu, een jaar later, toegeven. “Helemaal geen reactie gehad. Ze zullen wel denken: wie geschoren wordt, moet stilzitten.” Zuchtend: “Ik probeer al drie jaar een proefproces uit te lokken door in verboden gebieden te lopen. Maar de plaatselijke koddebeier kijkt dan expres de andere kant op, in plaats dat hij me op de bon slingert. Want ze weten dondersgoed dat er dan voor de rechter een klein beerputje open gaat!”

Dat beerputje, wat een prachtige naam zou zijn voor een plaatselijk bittertje, bij voorkeur te nuttigen in combinatie met een smakelijke cranberrypoffer, zou volgens Wigbold gedempt zijn met stinkende zaakjes als ‘illegale lozingen door natuurorganisaties zelf’ en ‘totaal mislukte, miljoenen verslindende natuurprojecten’.

“Ze zijn nog lang niet van mij af,” zei Wigbold strijdvaardig – en hij zette er nog eens extra flink de pas in.

Zelf moest ik zo langzamerhand erg nodig plassen. Maar in het totale niets was geen boom te vinden.

“Nu moet ik u even attent maken op de veiligheidsvoorschriften!” zei Wigbold twintig minuten later. We hadden de eerste dijk achter ons gelaten en waren door een nondescript stukje Groningen naar een tweede exemplaar gebanjerd. Daar zou het Wadavontuur vermoedelijk echt van start gaan.

In dat tussenliggende gebied had het schepnetje trouwens z’n waarde bewezen. De wetten van de zwaartekracht tartend had Wigbold daar uit een half bevroren bermsloot een paar garnaaltjes gevist. Deed hij altijd, vertelde hij, om te laten zien dat die beestjes in ongekookte staat helemaal niet roze zijn. Dat weten de meeste stedelingen namelijk niet. Na die uitleg gooide hij de geleedpotigen terug, waarbij er eentje op het ijs bleef liggen. Maar Wigbold verdomde het om het diertje aan zijn lot over te laten en schoof het met behulp van het schepnet toch het koude water in. “We hebben hier in Noord-Groningen een heel actieve Partij voor de Dieren.” Het was niet duidelijk of dat grappig bedoeld was.


“Ruiken jullie de zee al?” had Wigbold daarna gevraagd, toen we op de tweede dijk af liepen.

Nou en of we die roken!

“Dat kan niet, want de wind komt van achteren. Het zal m’n schepnetje dus wel zijn.”

Maar goed: de veiligheidsinstructies. Wigbold drukte ons op het hart om bij het betreden van het altijd verraderlijke Wad vooral in één lijn achter hem te blijven lopen. Hij was immers de man met het kompas. Dreigende taal: “Jullie denken dat je zonder kompas het Wad op kunt? Dan neem ik je straks wel even mee naar het kerkhof. Daar ligt nog een jongen uit 1917, ging ook zonder kompas het Wad op!”

Niemand voelde zich geroepen de sfeer te verpesten door op te merken dat T-Mobile en Vodafone toen nog niet bestonden. Wel vonden we het vreemd dat Wigbold zijn kompas niet kon vinden.

Voorwaarts ging het nochtans, de blubber in. “Probeer in beweging te blijven en de voetstappen van je voorganger te mijden!” schreeuwde Wigbold, en we kregen allemaal het gevoel dat het Wadavontuur nu toch echt was begonnen. “Zijn jullie laarzen waterdicht? Blijf niet te lang staan! Kijk, daar ligt een schoen!”

Smakkend, slurpend en spetterend baanden onze benen zich een weg door het Wad. De tamelijk suggestieve geluiden deden denken aan die eeuwenoude grap over de honderd meter horden voor vrouwen, zij het dat we hier dan te maken hadden met de veteranenvariant, want snel ging het allerminst. “Het Wad zuigt,” grapte ik voor mezelf, waarna ik tot m’n knieën wegzakte in het slik. Dit was avontuur in optima forma. Jammer alleen dat we na een kwartier alweer terug moesten, omdat het hoog water dreigde te worden.


En dus liepen we even later opnieuw door de aardappelvelden, voor de gortdroge terugtocht naar Pieterburen. Weer een uur door het absolute niets.

“Dit was geen echte Wadlooptocht,” zei Wigbold dan ook bij het scheiden van de markt, terwijl hij een druppel van zijn neus veegde. “Ik noem dit zelf een kweldertocht.”

Dat was een klap in het gezicht.

Een kweldertocht?

Een Wadavontuur toch?

“O ja,” antwoordde Wigbold. “Dat zeggen ze op de site, he? Ach ja, dat doen ze omdat kinderen dat spannend vinden.”

Michiel Blijboom