Vergeten gebied

Gebied dat we dreigen te vergeten. Zo verwees auteur Robert Kaplan twee weken geleden in HP/De Tijd naar de landen rondom de Indische Oceaan. Hij verwijt ons Nederlanders dat we de revolutie in Egypte vergelijken met de val van de sjah in Iran. Waarom kijken jullie niet naar het vertrek van president Soekarno in 1965 uit Indonesië, jullie eigen voormalige kolonie? vraagt hij zich af. Waarschijnlijk omdat we simpelweg te weinig van weten van onze koloniale geschiedenis, meneer Kaplan.

Wim van den Doel komt met zijn Zo ver de wereld strekt daarom als geroepen. Hij zet voor ons de Nederlandse koloniale geschiedenis uiteen. Vanaf de Amerikaanse Revolutie en de ondergang van de VOC eind achttiende eeuw neemt hij ons mee door de geschiedenis van onze gebieden in de ‘Oost’ maar ook in de ‘West’. Hij leert ons over toenmalige handelsbelangen, superioriteitsgevoel en de voor- en nadelen van de kolonisatie voor Nederlands-Indië zelf. “Het Indische leger richtte grote verwoestingen aan (:) en beging allerlei wreedheden (:) Hiertegenover staat dat de uitbreiding van het koloniale gezag een einde maakte aan de oorlogen tussen de inheemse rijken (:), weduweverbranding, koppensnellen, kannibalisme (:)”

Het 516 pagina’s tellende werk leest niet altijd even gemakkelijk weg. Dit heeft te maken met de koloniale terminologie en het oud-Hollandse taalgebruik van de vele en hoogwaardige bronnen die Van den Doel aanhaalt. Een tijdlijn en een wereldkaart zijn voor de leek geen overbodige luxe.

Meeslepender wordt het boek als Van den Doel het over de ethische politiek en de positie van de Nederlanders in Nederlands-Indië heeft. Deze zogeheten ‘indisch-mannen’ worden niet erg fraai afgeschilderd. Ter illustratie haalt Van den Doel een bron uit 1900 aan over deze overzeese Nederlander: “Hij bezit aanleg voor corpulentie, pafferige vetzucht. Gemeenlijk is hij dan ook dikbuikig en opgezet. Bij de algemeene kenmerken van zijn signalement behoort gezegd te worden: zekere vooze goorheid. Zijn breedsprakigheid eischt het predikaat: zwetsend.”

Er waren ook Nederlandse kolonisten die wel assimileerden. Zo emigreerden tussen 1846 en 1914 tweehonderdduizend Nederlanders naar de VS. Vanwege de plaatselijke angst voor half geïntegreerde burgers werden zij gedwongen volledig op te gaan in de Amerikaanse samenleving.


Van den Doel trekt de lijn van het kolonialisme door naar de huidige ontwikkelingssamenwerking: “Onbaatzuchtig kon het prille begin van de ontwikkelingshulp in 1950 niet genoemd worden: de Nederlandse belangen stonden voorop. Vooral de kans Indische specialisten van een nieuwe werkkring te voorzien, mocht niet worden gemist.” Hier speelt eigenbelang, maar ook de Nederlandse ambitie om ‘zo ver de wereld strekt’ actief te zijn.

In het laatste hoofdstuk neemt Van den Doel de Nederlandse situatie van nu onder de loep. Met de komst van de multiculturele samenleving werden “allerlei dilemma’s uit de koloniale tijd actueel”, schrijft hij. Waarbij het voor veel Nederlanders “buitengewoon lastig bleek zich rekenschap te geven van wat het betekende meerdere culturen in een samenleving te herbergen”. Zo blijkt maar weer: wie niet leert van het verleden, is gedoemd om het te herhalen. En daar hebben we dus dit soort boeken voor.

Wim van den Doel: Zo ver de wereld strekt. Bert Bakker, €29,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl

Karen Geurtsen