Umberto Eco: ‘De meeste lezers lezen niet goed’

Hij schept er plezier in historische feiten in zijn romans te verwerken die ongeloofwaardiger zijn dan fictie. Ook in zijn jongste roman, De begraafplaats van Praag, zet hij de lezer met genoegen op het verkeerde been. Gesprek met Umberto Eco.?

Alleen al van De begraafplaats van Praag, zijn nieuwe roman, werden sinds oktober vorig jaar miljoenen exemplaren verkocht. De naam van de roos, waarmee hij in 1980 als romanschrijver debuteerde, wordt gerekend tot de honderd beste boeken van de twintigste eeuw; ook daarvan vonden er vele miljoenen hun weg naar lezers over de hele wereld. De vier titels die Umberto Eco tussendoor publiceerde, kunnen evenmin flops worden genoemd.Toch zegt de schrijver, intussen een krasse baas van 79, tegen het einde van het interview: “Maar luister, ik zal nog een pessimistische bewering doen. Voor het soort boeken dat ik schrijf, niet de rommel die wordt gemaakt om op het strand te lezen, nee, ik bedoel een boek als dit” – hij tikt met zijn vinger op het exemplaar van De begraafplaats van Praag dat voor hem op tafel ligt – “heb je niet meer dan tweeduizend góede lezers, drieduizend hooguit. Alle anderen lezen niet goed.”Hij kijkt met glimmende ogen door zijn beduimelde bril alsof hij zeggen wil: hoe vind je die?Wereldwijd? vraag ik.“Ja, wereldwijd,” zegt hij. “Drieduizend.”Dat is wel erg pessimistisch.Eco buigt zich voorover om zijn woorden kracht bij te zetten en beaamt: “Erg pessimistisch. De rest leest niet zo goed. Heel erg vaak rekenen ze de meningen van de personages de schrijver aan. Als ik over Kaïn schrijf die zegt dat hij zijn broer wil doden, is het niet de schrijver die zijn broer wil doden. Lezers kunnen dat onderscheid niet maken. Een andere manier van slecht lezen is zinnen uit hun context lichten. Ik herinner me iemand die De naam van de roos had gelezen en in een publieke discussie aan mij vroeg: ‘Waarom hebt u gezegd dat geluk bestaat uit wat je op dat moment hebt? Voor iemand die net heeft gehoord dat hij kanker heeft, zou zijn geluk bestaan uit zijn kanker.’ ‘Dat denk ik niet,’ zei ik. ‘Maar u hebt het geschreven.’ Ik kon het me niet herinneren, maar uiteindelijk schoot het me te binnen: als Adson zijn erotische extase beleeft, als hij voor het eerst en voor het laatst in zijn leven een seksuele beleving heeft, beschrijf ik die door mystieke teksten te gebruiken, dat was mijn spel. Dus als ik schrijf: ‘Geluk bestaat uit wat u op dit moment hebt’, bedoel ik dat moment van extase van Adson daar en dan in die keuken. Die lezer rukte dat uit zijn verband, en dat gebeurt erg, erg vaak.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Frank van Dijl