Moeders hoeder

Een bijstandsmoeder met een werkend kind kan er flink op achteruitgaan.

Zoals bekend wordt de economie van Suriname voor een substantieel deel draaiende gehouden door giften uit Nederland. Die bestaan niet zozeer uit officiële ontwikkelingshulp (al wordt die ook verstrekt), maar heel elementair uit geld en goederen van Surinaamse Nederlanders aan hun familie in het land van herkomst. Onder minvermogende Surinamers in Paramaribo, een aanzienlijk deel van de bevolking, is er nauwelijks iemand die niet met enige regelmaat naar het postkantoor snelt om daar een cadeaupakket met goodies uit Nederland af te halen of een cheque te verzilveren.

Op de hele wereld is dit is een heel gebruikelijk gedragspatroon onder migranten. Hoe armer het land dat de asielzoeker/gelukszoeker (m/v) heeft verlaten, hoe uitgebreider de familie. Niet alleen ouders, broers en zusters vinden het volstrekt normaal om een financieel beroep te doen op de (al dan niet legale) migrant, ook ooms en tantes, neven en nichten, enfin de hele clan stuurt zonder enige gne smeekbedes om geld naar hun vooruitgeschoven post in het rijke Westen. Van je familie moet je het hebben, van iemand anders valt geen hulp te verwachten. Vanzelfsprekend ervaart de migrant de bedelarij vaak als chantage, maar even vanzelfsprekend zwicht hij vaker voor de druk dan misschien voor hemzelf goed zou zijn. De code van de familie eist nu eenmaal dat men elkaar de hand boven het hoofd houdt.

Deze dwingende mentaliteit is in Nederland onvoorstelbaar. Hulp aan familieleden blijft doorgaans beperkt tot geestelijke ondersteuning. Hulp in de vorm van geld stroomt maar één richting op: van boven naar beneden, oftewel van ouders naar kinderen, niet lateraal en al helemaal niet van kinderen naar ouders.


Toch is het nog niet zo lang geleden dat dat ook hier gebeurde. Uit een bepaald slag sentimentele kinderboeken van vroeger kan ik me het thema van het kinderlijke offer nog goed herinneren: het ging dan bijvoorbeeld om een frisse Hollandse jongen uit een armlastig, kinderrijk gezin met een zieke moeder die van de dokter het dringende advies krijgt om rood vlees te eten, een onbetaalbare luxe. Wanhopig verkoopt de jongen zijn grootste schat, een rijtje zorgvuldig gekoesterde boeken, om zijn moeder biefstuk te bezorgen. Tranentrekkend, maar als thema niet uit de lucht gegrepen.

De Bijstandswet en de AOW hebben een eind gemaakt aan de morele plicht van kinderen om hun ouders te onderhouden. Individualisme kan alleen bestaan wanneer er in een maatschappij genoeg rijkdom voorhanden is voor anonieme herverdeling via de belastingen. In het staartje van de verkiezingscampagne ontstond enige ophef over een uitgelekt kabinetsplan om mensen met een bijstandsuitkering te korten indien ze samenwonen met meerderjarige kinderen met een zelfstandig inkomen. Een bijstandsmoeder met een 23-jarige zoon die fulltime werkt, zou er zomaar honderden euro’s op achteruit kunnen gaan.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof met deze plannen de klok wordt teruggedraaid naar de jaren vijftig. Een maatschappij die ouders verplicht om als een molensteen om de nek van hun kinderen te hangen wil natuurlijk niemand. Maar het gaat hier wel om situaties waarin mensen met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Als twee volwassenen samenwonen, hetzij in een liefdesrelatie, hetzij platonisch, hetzij als broer en zus, heeft dat altijd consequenties voor de hoogte van de bijstandsuitkering van de een. Begrijpelijkerwijs zou dat ook moeten gelden voor twee volwassenen met een ouder-kindrelatie. Waarom zou de staat moeten betalen voor de kost en inwoning die een jongvolwassene bespaart door bij z’n moeder te blijven wonen? Thuiswonende studenten met een beurs voor uitwonenden worden ook voor fraude vervolgd. Klagers kunnen zich spiegelen aan de immigranten en zich verheugen dat ze geen aan lager wal geraakte ooms en tantes hoeven te subsidiëren.

Beatrijs Ritsema