Monarchie bij gebrek aan beter

Cees Fasseur: De gekroonde republiek. Uitgeverij Balans, € 7,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Van historicus Cees Fasseur weten we wel dat hij zich nooit zal aansluiten bij het Republikeins Genootschap. De Oranjes doen het wat hem betreft gewoon goed. En zelfs als ze het niet meer dan redelijk deden, dan nog vindt hij een erfelijk staatshoofd te verkiezen boven een president. Die is politiek gekleurd en vertegenwoordigt per definitie dus slechts een deel van zijn onderdanen. Iemand die vanaf de geboorte, in feite dus door puur toeval, voor de troon bestemd is, bezit precies de eigenschap die een koning(in) moet hebben: die van de samenbindende figuur, zwevend boven de partijen. Daar mogen we zuinig op zijn, alleen al omdat het alternatief minder aanlokkelijk is.

De argumenten voor en tegen de monarchie zijn genoegzaam bekend, en in Fasseurs nieuwste boekje, De gekroonde republiek, vinden we geen nieuwe. We horen hem bijna verzuchten dat het Kamer-debat over modernisering van het koningschap dat later dit jaar is voorzien ongetwijfeld vruchteloos zal blijken. We hebben allang een koningshuis zonder franje, zeker vergeleken met dat in omringende landen.

Anders dan in Fasseurs biografie van Juliana en Bernhard lezen we in De gekroonde republiek niets nieuws over ons vorstenhuis. Vanaf Willem I zet de auteur ze in korte biografische schetsen op een rijtje. Historici zullen daar geen wenkbrauw bij optrekken. Maar de meer onbevangen lezer raakt wel wat beduusd door de soms pijnlijk menselijke trekjes van onze staatshoofden. Zo ging Willem I door zijn onvermogen om te delegeren bijna ten onder in de stroom regeringsbesluiten die hij moest voorbereiden en ondertekenen. Op Eerste Kerstdag 1821 werkte hij nog 137 stukken af.


Willem I was niet alleen een solist, hij was ook koppig en kwam aarzelend over. Willem II was juist impulsief en makkelijk te beïnvloeden. Hij werd dan ook het slachtoffer van intriganten. Willem III was daarentegen een autoritaire man, berucht om zijn driftaanvallen. Hij was zo grillig en onvoorspelbaar dat zijn eigen ministers twijfelden aan zijn toerekeningsvatbaarheid.

Toen kwamen de koninginnen. Emma, die het als regentes in de ogen van Fasseur verrassend goed deed. Wilhelmina, die staatszaken bijzonder serieus nam maar een ongelukkig huwelijk had en een reeks miskramen te verwerken kreeg. Ze leefde in onmin met de ministers in het kabinet-Gerbrandy, die ze niet vernieuwend genoeg vond. Opgelucht trad ze in 1948 af. Van Juliana weten we hoe ze leed onder haar wisselvallige huwelijk met Bernhard, dat het koningshuis enkele malen aan de rand van de afgrond bracht.

En dan is er het tijdperk Beatrix, over wie Fasseur soms al in de verleden tijd spreekt. Haar waardige en zakelijke benadering van het koningschap dwingt bij de historicus bewondering af.

Aan haar zoon, de aanstaande Willem IV, waagt Fasseur helaas geen bespiegeling. Aangezien zijn voorvaderen zo karakterologisch worden beschouwd, hadden we van een kenner best willen lezen hoe hij de prins in dit opzicht weegt.

Cees Fasseur zal dus nooit een republikein worden. Daar heeft hij goede argumenten voor. Tegelijkertijd bewijst hij het Koninklijk Huis geen dienst doordat zijn boekje eigenlijk laat zien dat de Oranjes er zijn ondanks de Oranjes.

Mark Traa