Venetië verdrinkt

De meest romantische stad ter wereld verkeert in doodsnood. De stijging van de zeespiegel bedreigt Venetië, en tot overmaat van ramp vluchten bewoners voor de hordes toeristen en migranten.

Bij de oude vismarkt stappen ze in gondels, verkleed als Mickey Mouse, zeemeermin of piraat. Een rockband speelt en een pornoactrice laat haar siliconenborsten zien, midden op het Canal Grande. Dit is geen carnavalsoptocht. Het is een bloedserieuze demonstratie tegen de ondergang van een eeuwenoude, eerbiedwaardige stad.

In de gondels zitten geen Japanse of Duitse toeristen die de gondolieri fotograferen terwijl die O sole mio zingen. Het zijn jonge Italianen, geboren en getogen in een stad die in hun ogen steeds meer op Disneyland begint te lijken.

Een ambtenaar van de gemeentelijke afdeling Cultuur is verkleed als rat. “De vloed drijft de ratten aan land,” legt hij uit. De vloed, dat is niet alleen het jaarlijks terugkerende hoogwater, die bijna elke winter het San Marcoplein in een badkuip verandert, maar ook de almaar toenemende stroom toeristen – nu al twintig miljoen per jaar. Ze overspoelen zijn stad, maar niemand doet er iets aan omdat ze geld, véél geld in het laatje brengen. “Venetië verdrinkt,” zegt de rat, “en wij sterven uit.”

Bij de Piazzale Roma gaat de stoet aan land. Dit plein is de toegangspoort van Venetië. Wie hier aankomt, ziet niet de mooie plaatjes uit de reisfolders, de plekken die Thomas Mann en thrillerauteur Donna Leon in hun romans beschrijven. Hier spuwt het treinstation mensenmassa’s uit en rijden bussen af en aan om de passagiers van de veerponten af te zetten. De gloednieuwe kabelspoorbaan, de People Mover, haalt dagjesmensen van de enorme parkeergarages, de Benetton-groep heeft het oude stationsgebouw opgekocht om er een winkelcentrum van te maken. Wie de morbide charme van Venetië zoekt, moet hier vooral wegblijven.


In dit Venetië woekeren belwinkels, speelhallen en patattentjes. Scheepsterminals worden uitgebaggerd, er is een metro naar de nieuwe luchthaven gepland. Alles moet groter, meer en sneller, want dat levert meer geld op. De toegang is gratis – voorlopig nog. “Welcome to Veniceland!” brult een clown, de ratten prijzen de attracties aan. “Surf op de hekgolven van de cruiseschepen, ga in een achtbaan op het San Marcoplein de klokkentoren in! Koop Little Shanghai op het voormalig glasblazerseiland Murano leeg! Aanschouw live hoe agenten Afrikaanse tassenverkopers in elkaar slaan! En bezoek de laatste echte Venetianen op het kerkhofeiland San Michele!”

Venetië verdrinkt, Venetië sterft. De stad hoort die klaagzang al zo lang dat ze er haar schouders over ophaalt. Het klopt dat de bewoners het vasteland verkiezen, want daar is werk en zitten ze niet midden in het toeristencircus. Het aantal inwoners is gedaald tot minder dan 60.000 en iedere Venetiaan woont er gemiddeld naast twee vreemdelingen. De stad, halfdoodgeknuffeld door de toeristen, vecht voor haar bestaan. Venetië is een proefproject, een plek waar we kunnen observeren wat er gebeurt wanneer vele mensen op een kluitje moeten leven.

In het Arsenale, de voormalige scheepswerf aan de andere kant van de stad, stijgt een helikopter op. Ingenieur Giovanni Cecconi (52) kijkt naar beneden. Vanuit de lucht lijkt Venetië op een vis, met het Canal Grande als slagader. Cecconi legt bij het eiland Lido uit dat hier de vis op het droge wordt gelegd. De drie toegangen van de lagune waarin hij zwemt, zullen worden afgesloten, zodat de jaarlijks terugkerende overstromingen tot het verleden gaan behoren.


De helikopter landt op een opgespoten eiland. Cecconi springt eruit, zwaait met zijn armen en roept: “Think big!” Hij werkt voor het Consorzio Nuova Venezia, het machtigste bedrijf van de stad, dat de waterkeringen aanlegt. Het Modulo Sperimentale Elettro-meccanico – afgekort Mose, ofwel Mozes, die de wateren van de Rode Zee met zijn armen spleet – is een project van bijbelse omvang. Het is bedacht na de enorme vloed van 1966, de aanleg startte zeven jaar geleden. De 4,5 miljard euro kostende waterkering is uniek in de wereld. Dag en nacht werken 3600 arbeiders aan 78 stalen caissons van 20 bij 30 meter, die rondom het eiland in zee worden verzonken. Bij kalme zee liggen ze gevuld met water op de zeebodem. Wanneer er een vloed van minstens 1 meter 10 is voorspeld, wordt het water met perslucht uit de tanks gepompt en stijgen ze naar het wateroppervlak. Zo ontstaat een stalen wand die het wassende water moet tegenhouden.

Ingenieur Cecconi gelooft in Mozes. Sinds twintig jaar verdedigt hij het project tegen linkse activisten en milieubeschermers. Het project is voor tweederde klaar en moet in 2014 operationeel zijn. Mozes wordt betaald uit de Italiaanse staatskas en alleen Italiaanse bedrijven kregen de kans om in te schrijven. Het consortium beslist op eigen houtje, niemand heeft zicht op de enorme geldstroom die ermee is gemoeid. “Typisch Italië,” verzuchtte het opinieblad l’Espresso, “we hebben geen idee of het werkt en of we er iets aan hebben, maar ach: we beginnen er gewoon aan en zien wel waar het schip strandt.”

Of Mose alleen diegenen baat die het bouwen, is onzeker. Maar feit is dat de waterkering de stad niet op lange termijn droog kan houden. De afgelopen honderd jaar is de bodem van Venetië 23 centimeter gezakt, en als de voorspelling van de UNESCO klopt dat het waterpeil in de lagune tot het jaar 2100 vijftig centimeter stijgt, dan zal de stad 250 dagen per jaar onder water staan.


“Mose is honderd jaar effectief,” zegt Cecconi, “en daarna zien we verder.” Maar de stad heeft volgens zijn tegenstanders radicalere oplossingen nodig, bijvoorbeeld een ring van flats rond de oude binnenstad en sanering van de rotte fundamenten. Ideeën genoeg, maar niemand doet iets.

Cecconi zegt grinnikend dat hij het best een aardig idee vindt om Venetië tot Nationaal Park te benoemen, met rangers die de monumenten beschermen en mensen terugsturen als het park vol is. Sommige mensen haten hem hierom. Matteo Secchi is een van hen. “Ik loop liever in rubberlaarzen dan op slippers in een stad zonder ziel,” vindt hij. Hij gruwt van het Mozes-project en zegt dat zijn stad door heel andere problemen wordt bedreigd dan het water. Secchi is oprichter van een burgerinitiatief en organisator van de Veniceland-protestactie in de gondels.

Ook hij was de stad ontvlucht. Hij woonde in Mestre op het vasteland, maar keerde drie jaar geleden terug naar zijn oude wijk Cannaregio, waar hij nu een hotelletje met twaalf kamers runt. Daarmee behoort hij tot de machtige lobby van de zakenmensen, die met z’n allen anderhalf miljard euro per jaar aan de toeristen verdienen. Hij wordt gedreven door zijn slechte geweten, zegt hij, en door het verlangen om zijn tweejarige dochtertje een toekomst te bieden.

Niet de toeristen maken zijn stad kapot, vindt hij, maar de bestuurders die haar aan de beleggers willen uitleveren. Oude gebouwen worden voor een paar zilverlingen verkocht, toeristische bedrijven krijgen fiscale voordeeltjes, de huren stijgen tot astronomische hoogten. Secchi eist inspraak voor burgers, goedkope woonruimte voor studenten en jonge gezinnen. En een drastische vermindering van het aantal cruiseschepen dat er aanlegt, momenteel liefst vijfhonderd per jaar. Hij ziet hoe zijn stad langzaam onleefbaar wordt. De groenteboer is weg, het herbergt nu een winkel die Venetiaanse carnavalsmaskers verkoopt. “Toeristen willen geen aubergine kopen, maar een souvenir,” zegt hij. Het kinderziekenhuis is gesloten omdat er simpelweg geen kinderen meer worden geboren. Met carnaval verkleedt Secchi zich als indiaan, de laatste der Mohikanen.


Wie wil weten hoe Venetië er ooit uitzag, moet op bezoek bij Alvio en Gabriella Gavagnin (66 en 64). Zij beheren dozen vol zwart-witfoto’s. Hij was conducteur op de vaporetti, de scheepjes die het openbaar vervoer in de stad vormen. Ergens in de jaren zeventig begon het hem op te vallen dat de stad veranderde, steeds voller werd met buitenlanders die hem vroegen hoe laat de stad ’s avonds dichtging en welke boot naar het Colosseum voer. Een plaatselijke journalist leerde hem fotograferen en in twintig jaar tijd maakte het echtpaar vijfduizend foto’s.

Gavagnin wordt weemoedig bij het bekijken ervan, zijn ogen vochtig. Misschien moet het zo zijn, de inwoners vertrekken en wat blijft, is steen. Dat is niet alleen hier zo, maar ook in Florence, Rome, Praag en de oude steden van Mallorca en Ibiza, zij het in minder snel tempo. De Britse kunsthistoricus John Ruskin gaf het Dogenpaleis nog vijf jaar, en dat was in 1852. De afgelopen 150 jaar is het keer op keer aangevallen door het water, maar het staat er nog steeds. Misschien heeft Venetië zichzelf wel vaker en sterker moeten aanpassen dan welke andere stad dan ook.

De Duitser Wolfgang Scheppe (55), kunstenaar-filosoof en leraar aan de universiteit van Venetië, staat op de Brug der Zuchten, waar vroeger de gevangenen hun laatste daglicht zagen voor ze de kerker in gingen. Tegenwoordig is de brug volgeplakt met reclameaffiches. Vlakbij hangt op de deur van de souvenirwinkeltjes een bordje met de tekst ‘Enter only to buy’. Dat is symbolisch voor Venetië anno nu, vindt Scheppe. Met zijn studenten heeft hij drie jaar lang de keerzijde gezocht van de ansichtkaart die Venetië is, en het resultaat zijn twee beklemmende fotoalbums. “In Venetië botsen de mensenstromen op elkaar: de toeristen, de immigranten. Hier zie je hoe we over twintig jaar leven.”


Tijdens een wandeling met Scheppe zien we de gevolgen. Russen prijzen de ‘echt Italiaanse’ pasta aan die door onderbetaalde Bengalezen wordt bereid. Bij de souvenirstalletjes halen handelaren het etiket ‘Made in China’ van hun producten voordat ze Chinese toeristen aanspreken. Ondertussen vertelt Scheppe over handelsstromen, uitbuiting, over een stad die zich in zee vestigde om zich te kunnen verdedigen tegen de barbaren, en zich nu opnieuw tegen indringers teweer moet stellen. “Venetië willen redden is sentimenteel geneuzel,” vindt Scheppe. “De stad is niet meer te redden, de toekomst is allang begonnen.”

Een van de handelaren die in de grijze economie actief is, is Momo (28) uit Senegal. Voor een van de duurste hotels van de stad, het Danieli, verkoopt hij namaak-merkartikelen, tentoongesteld op een wit laken. Momo is non in regola, iemand die zonder vergunning werkt. Onmisbaar voor de toeristen, maar opgejaagd door de politie. Wie met hem door de binnenstad loopt, altijd op zijn hoede, hoort verhalen over röntgenscanners waarmee de douane smokkelwaar en illegale immigranten opspoort, verscherpte wetgeving en razzia’s. De strijd tussen de eerste en de derde wereld wordt uitgevochten in Venetië, een nieuwe frontstad in Fort Europa.

Momo vraagt zich elke dag af wat hij hier eigenlijk doet. Hij spreekt vijf talen, heeft een universitaire graad. Zijn werkterrein is de kleine driehoek tussen Rialto, het San Marcoplein en de Brug der Zuchten, zijn leven speelt zich af in de slaapsilo’s in Mestre. Daar woont hij in een hokje samen met zijn broer. Op een kistje staat een laptop die hij elke avond gebruikt om met zijn familie te skypen. De tassen die hij verkoopt, komen in containers uit China naar de haven van Napels, en van daaruit per vrachtwagen naar Venetië. De tussenhandelaren betalen netjes belasting en hun handeltje wordt oogluikend geduld.


Momo is al eens gearresteerd. Binnen vijf dagen moest hij het land verlaten, maar hij dook onder. Hij wil best terug, maar niet met lege handen. Elke maand stuurt hij tot wel 2000 euro via Western Union naar Dakar. Negen mensen zijn afhankelijk van hem.

Twee geblondeerde Afrikaanse vrouwen bekijken zijn uitgestalde waar. Het is een vreugdeloze ontmoeting in een vreemd land. “Where are you from?” vraagt Momo. “Africa.” “Me too.” Ze kopen een rolkoffer van Fendi, hun trofee uit het koude Europa, en dan moeten ze snel naar de cruiseterminal, want de scheepshoorn klinkt al. Een poos later vaart het schip langs, een bewegend flatgebouw met negen verdiepingen. De vrouwen hebben beloofd dat ze zouden zwaaien. De sfeer is spookachtig, het lijkt een scène uit de sciencefictionfilm Blade Runner.

Terwijl Momo zwaait en aan Afrika denkt, trillen vlakbij de ramen in het huis van de familie Gavagnin en is er alleen maar ruis op hun tv te zien, omdat de scheepsmotoren de ontvangst storen. Aan het andere eind van de stad bergt hotelier Secchi zijn indianenkostuum weer op. Het carnaval zit er weer op en morgen zullen er gemiddeld zes Venetianen minder in Venetië wonen dan vorige week.

Vertaling: Thijs Joosten

Fiona Ehlers