Vrijstaat Limburg

Tot ver in de twintigste eeuw voelden Limburgers zich nauwelijks Nederlanders.

De prijs voor de meest komische uitspraak op de verkiezingsavond van 2 maart gaat ongetwijfeld naar Geert Wilders. Die betitelde Limburg op zijn partijbijeenkomst in Echt als het kerngebied van Nederland. Wel, als Limburg iets niét is, dan juist dat. Dat is ook de kern van het Limburgse probleem: het eeuwenoude gevoel er niet echt bij te horen.

Voor Noord-Brabant, die andere provincie waar de PVV fors scoorde bij de Statenverkiezingen, is zo’n bewering historisch nog wel enigszins te onderbouwen: van de oude Zeventien Provinciën der Habsburgers vormde Brabant met Brussel het bestuurlijk hart, totdat de Opstand van 1568 dit in tweeën sneed.

Maar Limburg? Dat is een ratjetoe met misschien wel de meest kunstmatige identiteit van alle Nederlandse provincies; niet voor niets maken Limburgers zelf een scherp onderscheid tussen boven en beneden Limburg-op-z’n smalst, nabij Echt. Tijdens de Republiek was Noord-Brabant tenminste nog een Nederlands wingewest. Het huidige Limburgse grondgebied was, afgezien van een paar Nederlandse exclaves, tot de Franse Revolutie verdeeld over onder meer Pruisen en Oostenrijk. In 1815 werd hieruit samen met het oude, inmiddels Luikse, graafschap Loon (de huidige Belgische provincie Limburg) één nieuwe grote provincie gecreëerd. Administratief viel die, anders dan Noord-Brabant, onder de zuidelijke helft van het Verenigd Koninkrijk. Bij de Belgische Opstand koos de provincie vijftien jaar later dan ook massaal voor het Zuiden; alleen dankzij een koppige Noord-Nederlandse generaal die Maastricht bezet hield, werd Limburg bij de definitieve boedelscheiding in 1840 in tweeën gesplitst. De oostelijke helft kwam bij Nederland.


Tot ver in de twintigste eeuw hebben Limburgers zich nauwelijks Nederlanders gevoeld. Nog bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986, toen de PvdA voor het eerst de grootste partij werd in Maastricht, was de reactie van CDA-zijde: dat is Hollandse import. Limburg voor de Limburgers: zo luidde nu ook de PVV-leus. Limburg is ons Beieren: een vrijstaat die zich anders vindt dan de rest van Duitsland, en kampt met een katholiek minderwaardigheidscomplex jegens de dominante protestantse rest. Wat ‘Holland’ is voor Maastricht, dat is Pruisen voor München: het kernland waar men een hekel aan heeft.

Electoraal en maatschappelijk zijn Noord-Brabant en Limburg anders dan de rest van het land. Alleen ten tijde van Den Uyl was er, getuige de genivelleerde verkiezingsuitslagen, een zekere vervaging van het onderscheid. De PVV is een uitgesproken Zuid-Nederlandse partij, zoals eerst de KVP en later de SP dat was: na het ineenstorten van de allesomvattende katholieke zuil en het wegvallen van de dorpspastoor zoekt men een nieuwe herder.

Het verschil met Groningen is opvallend. Hoewel daar deels dezelfde ontvolkingsproblematiek speelt als in Limburg, krijgt de PVV er nauwelijks een poot aan de grond. Limburg kampt immers, anders dan de Wilders-hysterie wil, niet met massa-immigratie, maar met massa-emigratie: de hoger opgeleiden trekken weg. Dat zal door cultuurvijandig PVV-beleid alleen maar erger worden. Zo wordt Limburg inderdaad het beoogde lelieblanke jarenvijftigreservaat, maar ook met het welvaartspeil van die tijd.

Alleen al daarom kan een Nationaal Historisch Museum nuttig zijn: ter historische heropvoeding van onwetende populisten. Maar ja, dat zit nu in Amsterdam, sinds de Opstand kernstad van Nederland en onze humanistisch-joods-christelijke cultuur. Daar zal Wilders wel niet willen komen, want zijn kernland-PVV scoort er een magere acht procent.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Thomas von der Dunk