Als de dood treuzelt

Je staat er niet bij stil als je weer eens leest over het vermeende luizenleventje van al die babyboomers die hun nieuwe bestaan als pensionado’s vieren door van tenniscourt naar golfbaan en van vakantieresort naar overwinteradres te hoppen. Je staat er niet bij stil dat er met de vergrijzing niet alleen meer genietende senioren komen, maar ook heel wat ouderen met problemen en gebreken die elk plezier in het leven wegnemen. In Uit vrije wil, dat deze week verschijnt, wordt geopperd dat meer dan honderdduizend Nederlanders zo weinig zin meer vinden in hun bestaan dat ze er liefst op een nette manier mee zouden ophouden. Of dat ze hun leven voltooid vinden en maar wachten en wachten op hun dood, die zoals schrijver en tekenaar Marten Toonder het formuleerde ‘wel erg lang treuzelt’.

De euthanasiewetgeving is niet toereikend voor mensen die lijden aan het leven zonder dat dit lijden kan worden toegeschreven aan classificeerbare medische factoren. Wie niet wil wachten tot zijn terminale ziekte hem na veel ellende heeft geveld, vindt vaak wel een arts die hem wil helpen bij een barmhartiger dood. Moeilijker is wanneer iemand geen levensbedreigende ziekte heeft, maar door allerlei andere oorzaken in zo’n staat van afhankelijkheid, ontluistering en verlies aan waardigheid verzeilt, dat elke kwaliteit van leven onherroepelijk verdwijnt. Zou een arts zo’n patiënt helpen bij euthanasie, dan loopt hij kans de precieze regels van de wet te overtreden.

Twintig jaar geleden zwengelde jurist Huib Drion de discussie aan over de doodswens van mensen die klaar zijn met het leven maar geen uitweg weten. Hij pleitte, tevergeefs, voor een medicijn waarmee zulke mensen op waardige wijze uit het leven zouden kunnen stappen. Vorig jaar heeft een initiatiefgroep de draad weer opgepakt door onder meer een proeve van een ‘wet toetsing stervenshulp aan ouderen’ op te stellen. Die proeve staat centraal in Uit vrije wil en wordt opgetuigd met enkele beschouwingen en interviews met bekende ouderen zoals Jan Terlouw en Mies Bouwman.

In eerste instantie overtuigt het boek in zijn pleidooi voor hulp bij een humaan levenseinde. Het gaat, schrijven de samenstellers, om barmhartigheid en medemenselijkheid jegens iedereen met een chronische doodswens. Het gaat ook om het recht op zelfbeschikking, een van de meest geliefde voortbrengselen van de jaren zestig. Wie kan daar nou tegen zijn? Maar als er dan ‘gecertificeerde stervenshulpbegeleiders’ in zicht komen, maakt dat toch ook meteen weer wat rillerig. En de voorstanders van nieuwe wetgeving simplificeren ook onnodig door te doen alsof mensen met een gedurige doodswens momenteel alleen maar een sprong voor een trein of van een flat rest.


Op deze plek hoeft het wetsvoorstel niet te worden becommentarieerd. (Al rijzen er allerlei vragen, bijvoorbeeld bij de voorgestelde grens van zeventig jaar: hebben zeventigminners minder recht op zelfbeschikking en barmhartigheid, of zijn ze nog te wispelturig?) Wat wel kan worden vastgesteld, is dat dit boek een prangend thema op secure en toegankelijke wijze in de belangstelling brengt. Waarbij het de samenstellers siert dat ze ruim baan geven aan bedenkingen, in het slot-essay geformuleerd door emeritus ethicus Govert den Hartogh.

Jit Peters, Eugène Sutorius e.a.: Uit vrije wil. Waardig sterven op hoge leeftijd. Boom, €12,50. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Matt Dings