‘Ik ben geen liefhebber van het leven’

Weinig debutanten denderen met zo veel lef de letteren binnen als A.H.J. Dautzenberg vorig jaar. Gesprek met een auteur die graag de grenzen van de realiteit opzoekt – en er overheen gaat.

Welkom in het universum van A.H.J. Dautzenberg, een wonderlijke wereld die geen grenzen kent en waarin bizarre dingen gebeuren. U moet niet vreemd opkijken als iemand letterlijk zijn gezicht verliest, verliefd wordt op een vuilcontainer, wordt ontvoerd door eskimo’s, ontwaakt met een kraan in zijn rug of een seksuele voorkeur heeft voor ernstig zieke prostituees.

Anton Dautzenberg (43), die naast schrijver ook econoom, journalist en eigenaar van een communicatiebureau is, schrijft verhalen die wringen en soms een tikkeltje smerig zijn. Verhalen die de lezer beroeren, prettig of niet. Zijn bundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten leverde uitstekende recensies op en heftige reacties op internet – niet iedereen is gecharmeerd van het werk van de man uit Tilburg.

Zijn eerste interview voor de VPRO Gids, met schrijver Arnon Grunberg, zorgde direct voor ophef: Dautzenberg beschreef hoe hij tijdens het gesprek de rijpe mee-eter op Grunbergs wang probeerde uit te knijpen. Grunberg, not amused, ontkende het voorval.

Ook Dautzenbergs eerste column Allitererende Tietjes op poëziesite De Contrabas leverde afgelopen week veel boze reacties op. Kortom, waar Dautzenberg komt, ontstaat rumoer.

Nu kijken de media reikhalzend uit naar Samaritaan, zijn eerste roman. Een uniek onderwerp – het gefictionaliseerde verslag van zijn nierdonatie – in een unieke vorm: louter dialogen. Zijn besluit vrijwillig een nier te doneren aan een anonieme ontvanger, leverde grappige, soms absurde gesprekken op met artsen, psychologen, vrienden en familie, die er maar weinig van begrijpen. Waarom zou je in ’s hemelsnaam zomaar een orgaan willen afstaan?


Ja, waarom eigenlijk?

“Ik heb altijd de behoefte gehad om anderen te helpen. Onze maatschappij is gericht op nemen, nemen, nemen, dus ik wilde eens iets géven. Ik was ook benieuwd: is het geen grootspraak van me? Je moet echt je best doen om van je nier af te komen; je gaat door een enorme medische en psychische molen. Wat je allemaal aan formulieren moet invullen, hoe vaak er bloed geprikt moet worden, en wat er aan promotieonderzoeken werd gedaan – een hoop onzin. Ik heb er veel plezier om gehad.”

Wordt het te moeilijk gemaakt?

“In België is iedereen donor. Maar in Nederland zit nierdonatie erg in een christelijke hoek en vanuit die ethiek wordt veel tegengehouden. Per jaar zijn er maar zes vrijwillige donaties. Een kwart van de mensen op de wachtlijst gaat dood. Als je parachute wilt springen, dan ga je parachutespringen. Niemand vraagt naar je motieven, terwijl de kans op blijvende invaliditeit groot is en dat de maatschappij geld kost. Maar als je een nier wilt afstaan, moet je door al die aanstellerij heen. Het gebeurt vaak dat mensen in de gevangenis spijt krijgen en een nier willen doneren om iets terug te doen. Zij komen niet in aanmerking, want dat zou geen goede reden zijn. Maar wat is het probleem? Die gevangene krijgt een goed gevoel, en belangrijker: een zieke krijgt een nier. Er is zo veel ethische mist, terwijl het enige wat telt is dat iemand een nier wil geven en iemand anders er een nodig heeft. Klaar. Misschien biedt mijn boek een nieuw vergezicht. Je kunt je beter richten op wat het de donor oplevert. Anders storten mensen wel tien euro, maar gaan ze echt geen nier afstaan.”


Wat levert het dan op?

“Het geeft een goed gevoel. Daarnaast is mijn libido gestegen – echt waar. En het is een spannend avontuur. Die morfinepomp had ik binnen een paar uur helemaal leeggedrukt. Ik dacht: als ik hier nu toch lig, wil ik ook helemaal ervaren hoe het is. Ik heb me gigantisch geamuseerd. Dat kan ook een reden zijn om dit te doen hè? En dat is een legitieme reden. Altruïsme is een onzuivere reden, want daar ligt altijd iets onder.”

In uw boek schrijft u dat het u ook van uw zwaarmoedigheid heeft verlost.

“Ik heb het uitvergroot, maar het is niet onwaar. De verhalen die ik heb geschreven na mijn operatie zijn lichter van toon. Ik heb het traject als fijn en interessant ervaren, het heeft me energie gegeven. De donatie zou anoniem zijn, maar per ongeluk heb ik degene ontmoet die mijn nier heeft gekregen en met zijn vrouw gesproken. Ik ben blij dat mijn nier bij een man van veertig met twee kindjes terecht is gekomen, want in zo’n ziekenhuis liggen een hoop gribussen bij elkaar, hoor.”

Zo veel voordelen, en straks ook nog een boek dat veel aandacht krijgt.

“Ik was eerst niet van plan om er een boek over te schrijven, maar al die gesprekken zaten nog in mijn hoofd. Deze vorm werkte goed om over mijn motieven na te denken. En ook dit was weer een stukje anarchie: er is geen enkele Nederlandse roman die alleen maar uit dialogen bestaat, dus ik ga ‘m schrijven.”

Wilt u zo graag uitzonderlijk zijn?

“Nee, dat is geen doel. Maar ik vind het wel fijn om uit mijn comfort zone te stappen, en ik ga zo’n experiment bewust aan. Het was één groot avontuur. Dat was fijn om te voelen, want sec genomen vind ik het leven niet zo interessant. Ik ben niet zo’n liefhebber van het leven. Een belangrijk thema in mijn werk is werkelijkheid, en daar speel ik graag mee. Ik hou ervan om buiten de moraal te treden. Om te kijken naar hoe wij ons leven hebben ingericht. Al vanaf je geboorte word je in een mal gestopt: je gaat naar school, er worden je dingen aangeleerd, er worden je dingen afgeleerd. Maar het zijn allemaal heel tijdgebonden opvattingen die dat bepalen.”


De mal die voor Anton Dautzenberg klaarlag, was een die hem niet paste. Hij groeide op in Heerlen, in een buurtje vlak naast de steenkolenmijnen waar zijn beide opa’s werkten. Toen de mijnen in de jaren zeventig werden afgebroken, leverde dat een fantastische speelplek op voor Anton en zijn tweelingbroer. De twee verschilden dan wel van elkaar als dag en nacht, maar werden tot hun afschuw tot hun twaalfde in dezelfde kleding gehesen – want dat zag er zo schattig uit.

Generaties lang had men zes dagen per week onder de grond gezeten, en de zevende dag in de kerk. Dautzenberg: “Dus je kunt je wel indenken hoe de sociale en intellectuele vermogens zich dan hebben ontwikkeld.”

Daarbij kwam dat vader Dautzenberg het kind was van een Duitse moeder en een Nederlandse vader, die de kant van Duitsland kozen tijdens de oorlog. Terwijl zij na de oorlog kaalgeschoren in een interneringskamp verbleven, groeide Antons vader op in pleeggezinnen waar hij werd gepest en van school werd gehaald om te werken. “Mijn vader was een lieve man, maar omdat hij geen warmte en veiligheid had ervaren, was hij bang voor intimiteit. Hij had niet geleerd om met emoties om te gaan en kon alleen slaan, niet aaien. Dat heeft geen fijne invloed gehad op mij. Ik had bovendien geen intellectueel klankbord. Het gaf mijn vader meer voldoening dat ik om vijf uur op moest om kranten rond te brengen dan wanneer ik een boek las. Daarom ben ik ook een laatbloeier. Ik heb veel zelf moeten uitzoeken, maar daardoor zijn bepaalde eigenschappen wel uit de verf gekomen. Assertiviteit bijvoorbeeld. En ik ben niet bang voor mislukkingen.”


U zei daarnet: ik ben niet zo’n liefhebber van het leven.

“Nee, ik vind het zo’n… gedoe. Ik heb wel een leuke jeugd gehad hoor, met veel vriendjes en veel spelen, maar ik had ook vaak een donker, somber gevoel. Op de middelbare school werd dat steeds manifester, de verlegenheid en angsten werden heel extreem. Ik had echt mensenangst. Later kreeg ik steeds meer depressies.”

Hoe kan iemand met mensenangst tegelijk ook zo sociaal zijn?

“Ik heb een Dr. Jekyll en Mr. Hyde in me. Ik kom sociaal over, maar heb ook een asociale inborst. Hyde is er altijd, maar ik wil andere mensen niet beschadigen, dus die komt er in verhalen uit. Ik ben vrij misantropisch – ik vind de mens eigenlijk een heel erge mislukking. Een destructieve schimmel. Ik ben gaandeweg steeds meer op mezelf komen te staan. De gangbare patronen – carrière maken, een huis kopen, trouwen, kinderen krijgen – passen niet bij mij. Ik krijg het daar benauwd van. Ik wil vrij zijn en rust hebben. Ik ben steeds anarchistischer en onverschilliger geworden. Dat zeg ik niet met trots – het is moeilijk, want je wijkt veel af. Neem dat Grunberg-interview, of het interview met Lemmy van de band Motörhead over economie, dat ook in HUMO is geplaatst. Had je in de gaten dat het nep was? Honderd procent verzonnen. Ik heb er totaal geen last van om zulke dingen te doen.”

Verzonnen…?

“Grunberg heb ik wel gesproken, maar dat uitknijpen van die mee-eter is niet gebeurd. In mijn hoofd praat ik met Lemmy, dus in die zin is het waar. Het is mijn werkelijkheid.”


Wat vindt de VPRO daarvan?

“Ze weten het niet. Maar eigenlijk maakt het niet uit of ik Lemmy heb geïnterviewd of niet. Het verhaal moet goed zijn. Non-fictie bestaat naar mijn mening niet. Alles is fictie, inclusief de wetenschap. Een amalgaam van constructies waarmee we de werkelijkheid willen duiden. Willen beheersen zelfs. Wat tien jaar geleden een feit was, kan nu een dwaling zijn. En in de politiek worden continu leugens verkocht.”

Dingen verzinnen gaat tegen de journalistieke afspraken in.

“En toch doen ze het allemaal. Neem de ‘massavernietigingswapens’. Dat was een collectieve leugen waar zelfs een economische oorlog mee is gelegitimeerd. Daar vallen doden door hè? En toch vindt iedereen dat oké. Ons hele koopgedrag is gebaseerd op een artificiële werkelijkheid. Ik creëer ook een werkelijkheid. In augustus komt een economieboekje van me uit: Economie voor en door leken verklaard. Lemmy staat erin, en ik ga praten met Ronnie Brunswijk.”

Gaat u met hem praten of doen alsóf u hem gesproken heeft?

“Ik weet het nog niet. Maar dat maakt niet uit.”

Behalve dan dat niemand nog weet wat echt is en wat niet.

“Nou en? Wat is waarheid? Dit is geen rol die ik nu speel hoor, ik meen het. Misschien is het iets zelfdestructiefs. Maar het maakt me echt niets uit. Als de VPRO nu zegt: dit was de laatste keer dat we met jou hebben gewerkt, dan is dat zo.”

Anderen zeggen dat u graag provoceert.

“Toch is dat niet waar. Ik ben niet vies van reacties, maar het is geen doel op zich. Ik hou van dingen die schuren, die nieuwe betekenissen creëren en connotaties vervormen. Ik ben uitgekeken op de werkelijkheid waarover consensus bestaat. Ik wil een andere werkelijkheid creëren en ben benieuwd welke vorm die aanneemt. Ik ben weleens beschuldigd van pedofilie, naar aanleiding van het verhaal Suikerfeest. Maar dat ligt vooral in the eye of the beholder.In de jaren zeventig was kinderporno in de artistieke scene nog bon ton. En in de twintigste eeuw mocht je op je dertiende trouwen. Het is allemaal zo tijdgebonden wat we daarvan vinden.”


U bent bijzonder productief: drie boeken in een jaar tijd.

“Ik krijg nu de kans, en die pak ik. Ook de VPRO heeft gevraagd of ik het hele jaar bijdragen wil leveren.”

Tot ze lezen dat u van alles verzint…

“Nee, ik denk dat ze dat wel kunnen waarderen. Het is toch leuk als je verrast wordt? En zo niet, dan vind ik wel iets anders. Of niet. Kijk, het ergste wat je in het leven kan gebeuren, is dat je doodgaat. En dat is helemaal niet erg.”

Maakt het feit dat u niet bang bent voor de dood u vrijer?

“Ja. Je gaat dood, dat is een feit, dus maak er een vriend van. Ik heb er veel over gelezen, een boek over geschreven, het toegelaten. Ik heb daar met mijn vader ook veel over gesproken toen hij stervende was. Je gaat dood, dus máák daar iets van.”

A.H.J. Dautzenberg: ‘Samaritaan’. Contact, €19,95. Verschijnt op 8 april.

Vivian de Gier