Kees van Beijnum (1954)

Schrijver Kees van Beijnum beleeft een hoogtepunt in zijn carrière. IDTV kocht de filmrechten van zijn roman Een soort familie, en hij werkt voor de Japanse televisie aan een dertiendelige serie over het Tokio-tribunaal.

‘ Toen mijn eerste boek uitkwam, Dichter op de Zeedijk, voelde ik pure euforie. Ik kreeg het op de uitgeverij, liep ermee naar buiten, over het Singel, heb het onder mijn hemd gestopt en ben als een speer naar mijn vrouw gegaan om het te laten zien. Pas toen zij het zag, was het echt voor me – een monumentaal moment. En later heb je nog wel een paar van dat soort momenten als schrijver: dat mensen je ook echt lezen, een nominatie voor een prijs. Maar met de literaire wereld – wie wat verkoopt en wie prijzen krijgt en zo – houd ik me niet meer bezig. Als ik maar wat te lezen heb, af en toe een goede film kan zien, het nieuws kan volgen en kan werken, zoals nu aan dat scenario voor de Japanse televisie, dan ben ik volkomen gelukkig. Veel meer heb ik kennelijk niet nodig, dus het is niet echt relevant om achter van alles en nog wat aan te jagen. Ik doe dat ook bewust niet.

Het is niet mijn favoriete onderwerp, maar op mijn dertigste ben ik ingestort. Ik werkte als chef redactie bij Nieuwe Revu en ze hadden wel door dat ik er tussenuit moest, dus was het idee: ga jij nou maar de Tour de France volgen en schrijf er een paar mooie verhalen over. Het was de bergetappe die Luis Herrera zou winnen, dwars door de Alpen, haarspeldbocht na haarspeldbocht, duizenden mensen langs de weg en de hele tijd maar proberen vóór het peloton te komen. Ik kreeg het steeds benauwder, en dat werd een volwaardige angstaanval. Ik moest die berg af en dat kon niet. Ik ben uiteindelijk met een dosis valium teruggevlogen.

Ik ben geen echte journalist. Ja, samen iets maken, zo’n blad -dat is fantastisch. Maar mensen opdrachten geven, tekstlengtes, deadlines; dat is voortdurend slepen. Er liepen mannen rond bij Revu met bijna uit elkaar vallende mappen vol contacten, namen, adressen en telefoonnummers. Ik had dat niet. Het interesseerde me ook eigenlijk helemaal niet. Ik ben ooit bij de Noord-Amsterdammer begonnen, een klein krantje in Noord, en ik sprak laatst de hoofdredacteur. Hij zei: ‘Toen ik vroeg wat je kwam doen, zei je: “Ik wil eigenlijk schrijver worden.”‘ Dat herinnerde ik me niet meer, maar bij Revu – je wilt toch je werk goed doen. Het is verraderlijk. Stel je voor dat je ergens in het noorden woont enje loopt dagelijks over het ijs naar je werk. Dat ijs is er gewoon, maar op een gegeven moment zak je er doorheen. Dat is schrikken; dan loop je daarna heel anders over dat ijs, en duurt het een hele tijd voordat je gelooft dat je er misschien niet wéér doorheen zakt.


Als een boek succesvol is, zegt de uitgeverij: zo moet je er nog maar een schrijven. Na Dichter op de Zeedijk zeiden ze: ‘Je doet er verstandig aan in die sensitieve, nostalgische stijl te blijven. Dan bouw je een publiek op.’ En na De oesters van Nam Kee: ‘Ga door met dat rauwe, dat van de straat.’ Ik heb elke keer een totaal ander boek geschreven. Ik heb geleerd dat ik nauwlettend in de gaten moet houden dat ik dingen doe die bij me passen. Dat ik die les vrij radicaal geleerd heb, was uiteindelijk een geschenk. Af en toe krijg je een tik uitgedeeld, en – dat is wel de levensles – zo’n tik moet je gebruiken om tot nieuwe inzichten te komen. Dat is het enige goede dat je ermee kunt doen.”

Volgende keer: Monika Sie Dhian Ho

Gijs De Swarte