Groene Duitsers

Nergens anders in Europa zijn ze (opnieuw) zó bang geworden voor kernenergie als in Duitsland. Dat is misschien niet verstandig, maar wel verklaarbaar.

‘Geen enkele krant heeft de thermometer zo diep in de billen van de samenleving als De Telegraaf,” schreef wijlen Jan Blokker jaren geleden. In Duitsland hebben ze, zoals bekend, ook zo’n krant: de roemruchte Bild-Zeitung. Met een oplage van rond de drie miljoen exemplaren is het, op The Sun na, het grootste dagblad van Europa. Naar de temperatuur bij onze oosterburen hoefden we de afgelopen week dan ook niet te gissen. Met reusachtige koppen als ‘ATOM-HORROR!’ en ‘ANGST UND PANIK VOR DER STRAHLENWOLKE!’ liet Bild er geen enkel misverstand over bestaan: de problemen met de kerncentrale in het Japanse Fukushima hebben in Duitsland tot gigantische bezorgdheid geleid. Zelfs op pedagogisch en filosofisch terrein bleken er problemen te zijn gerezen, getuige koppen als ‘WIE ERKLRE ICH KINDERN DIE GRAUSAMEN BILDER AUS JAPAN?’ en ‘WAS IST MIT UNSERER ERDE LOS?’

Uiteraard maakte Bild er ook melding van dat de gebeurtenissen in Fukushima grote impact hadden gehad op de Duitse regering. ‘HIER SCHALTEN MERKEL UND IHRE 7 MNNER 7 ATOMKRAFTWERKE AB’ kopte de krant boven een paginabrede groepsfoto van de Bondskanselier, milieuminister Norbert Röttgen, zijn collega Rainer Brüderle van Economische Zaken en de premiers van de deelstaten Nedersaksen, Baden-Württemberg, Beieren, Sleeswijk-Holstein en Hessen. Gezamenlijk bleken ze te hebben besloten de zeven oudste, vóór 1980 gebouwde Duitse kerncentrales voorlopig stil te leggen, in afwachting van de resultaten van een speciaal ingelaste veiligheidscontrole. Mocht blijken dat er bij de centrales sprake is van ‘restrisico’s die wij niet willen dragen’, zo waarschuwde Röttgen in het weekblad Stern, dan wordt er ‘Schluss gemacht’. Fukushima, zo voegde Merkel er nog aan toe, dienden we te zien als niets minder dan een ‘Zasür in der Geschichte der technisierten Welt’.


In geen enkel ander land werden in het kielzog van de ramp in Japan zulke grote woorden gesproken en zulke vergaande conclusies getrokken. En dat terwijl Duitsland inzake kernenergie toch al niet voorop liep: het land telt slechts zeventien centrales, aanzienlijk minder dan vergelijkbare economische grootmachten als Amerika (104), Frankrijk (58) en Japan (54), terwijl ook Rusland (32), Zuid-Korea (21), India (20), Groot-Brittannië (19) en Canada (18) de Duitsers op dit punt aftroeven.

Is die ongemakkelijke omgang met kernenergie ‘dus’ een specifiek Duits verschijnsel? Niet als we bedenken dat er sinds de jaren zeventig overal in de westerse wereld tegen atoomcentrales is gedemonstreerd. De nucleaire ongelukken in het Amerikaanse Harrisburg (1979) en het Russische Tsjernobyl (1986) fungeerden daarbij als katalysator, ook in Nederland.

Maar toch was juist in Duitsland het verzet tegen Atomkraft altijd het meest massaal en het meest hardnekkig. De langjarige ‘groene’ traditie van het land, geworteld in de oeroude natuur- en woudenmystiek van de Germanen, was daar niet vreemd aan. Het eikeblad op de Duitse euromunten van één, twee en vijf cent getuigt tot op de dag van vandaag van die nationale fascinatie met bomen en bossen, die voor veel Duitsers symbool staan voor oorspronkelijkheid en geborgenheid. De Europese cultuurstroming die we kennen als de Romantiek deed daar in de achttiende en negentiende eeuw nog een flink schepje bovenop. Zeker in Duitsland, waar de typisch ‘romantische’ afkeer van indus-trie, techniek, verstedelijking en verzakelijking uitmondde in een bijna religieuze bewondering voor alles wat zich met natuur laat associëren: het plattelandsleven, kleinschaligheid, ‘zuivere’ voeding, ‘schone’ lucht maar ook homeopathie en naturisme (Nacktkultur).


De nazi’s zorgden er in de jaren dertig voor dat veel van deze sentimenten in Duitsland een politieke vertaling kregen. De onlangs overleden publicist Marcel Roele zette het zes jaar geleden in HP/De Tijd al eens op een rijtje: vivisectie werd verboden (al in 1933) en een jaar later ook de vossenjacht. Ook werden diverse nationale parken opgericht, werd de biolo-gisch-dynamische landbouw ondersteund (SS-leider Heinrich Himmler bezat ook zelf een ecoboerderij) en kwamen er campagnes voor het eten van volkorenbrood, streekproducten en groenten en fruit. Verder verbood Adolf Hitler – behalve geheelonthouder ook een fervent vegetariër en niet-roker – iedere verwijzing naar sportiviteit of seksualiteit in tabaksreclames en kwam er een rookverbod in partijgebouwen en wachtkamers van overheidsdiensten. Burgers werd in het Derde Rijk continu op het hart gedrukt gezond te leven en alert te zijn op ziekten. Vrouwen werden geïnstrueerd hoe ze hun borsten konden onderzoeken op verdachte knobbeltjes; mobiele röntgenapparaten werden naar bedrijven, universiteiten en openbare bijeenkomsten gereden zodat alle aanwezigen zich konden laten controleren op longziekten.

Hoe ‘fout’ de motieven van de nazi’s ook waren, het betrof hier in veel gevallen wel degelijk pionierswerk op het terrein van preventieve gezondheidszorg en milieu- en natuurbescherming. Die traditie ging in de naoorlogse Bondsrepubliek niet verloren. Duidelijkste bewijs: in 1979 was Duitsland het eerste land ter wereld waar een politieke partij op ecologische grondslag wist door te dringen tot een regionaal parlement. In 1980 volgde de oprichting van een landelijke partij (de Grünen), die drie jaar later debuteerde in de Bondsdag – met een programma waarin onder meer de sluiting van alle Duitse kerncentrales werd geëist. Toen de Grünen tussen 1998 en 2005 ook nog eens gingen meeregeren in Berlijn, werd de Atomausstieg zelfs landelijk beleid: een wereldwijd unicum voor een economische grootmacht van het kaliber Duitsland.


Merkel kondigde vorig jaar aan dat ze de looptijd van de Duitse kerncentrales toch weer wilde verlengen, maar de publieke opinie in haar land is – met dank aan Fukushima – nu groener dan ooit tevoren. En dus houdt iedereen in Duitsland er rekening mee dat die Atomausstieg er alsnog gaat komen. Mét Merkel, of anders wel zonder. Want met de populareit van haar centrum-rechtse regeringscoalitie van christendemocraten en liberalen is het niet bijster goed gesteld, zo bewezen de verkiezingen in Hamburg, op 20 februari, en in de Oost-Duitse deelstaat Saksen-Anhalt, afgelopen zondag. Minstens zo saillant: als er nu Bondsdagverkiezingen zouden worden gehouden, zouden de Grünen volgens de peilingen kunnen rekenen op zo’n twintig procent van de stemmen. Ter vergelijking: ons ‘eigen’ GroenLinks kwam bij de onlangs gehouden Statenverkiezingen niet verder dan 6,3 procent. En dus horen we het Jolande Sap en onze kwakkelende milieubeweging bijna denken: waren Nederlanders maar half zo groen als Duitsers…

Roelof Bouwman