‘Ik weiger toe te geven aan de angst’

Salman Rushdie werkt aan een boek over de tijd dat hij moest onderduiken omdat radicale moslims het op zijn leven hadden gemunt. Een gesprek over de fatwa, de pers en de vrouwen. ‘Vier huwelijken in 63 jaar, dat is toch niet absurd veel?’

U bent druk bezig met uw memoires over de tijd waarin u werd vervolgd. Maar u hebt ook een kinderverhaal geschreven.

“Ja, voor mijn zoon Milan; die heeft het min of meer van me geëist. Zijn broer, mijn eerste zoon Zafar, kreeg toen hij twintig jaar geleden even oud was ook een boek.”

Is dat een goedmakertje? Uw zoons moeten behoorlijk hebben geleden onder uw situatie als vervolgde schrijver.

“Milan heeft daar gelukkig weinig van meegekregen. Mijn politiebescherming stopte in 1999, toen was hij twee jaar oud. Maar Zafar is precies in die periode opgegroeid. Hij was negen toen die ellende begon en negentien toen het ophield. Ik moest enorm veel moeite doen om onze relatie in stand te houden; dat is toch gelukt, want we hebben nu een hechte band. Maar u kunt zich niet voorstellen hoe frustrerend het is om geen gewone vader te kunnen zijn.”

Denkt u dat hij er iets aan heeft overgehouden?

“Het was altijd al een introvert kind, en ik denk dat dat nog eens is versterkt in de tijd dat ik ondergedoken zat, omdat hij niets over mij en zijn familie mocht vertellen. Hij had er een tik van kunnen krijgen – mij heeft die ervaring tenminste flink beschadigd – maar hij is er zonder ernstige kleerscheuren van afgekomen.”

Het boek dat u voor hem schreef, Haroen en de zee van verhalen, verscheen in 1990, een jaar nadat de Iraanse ayatollah Khomeini in een fatwa een doodvonnis over u had uitgesproken. Het boek gaat over een jongen die tegen krachten strijdt die het vertellen van verhalen willen verbieden. Was het een parabel?

“Ja. Het idee had ik al eerder, maar na die fatwa was de tijd rijp. Het boek was een brief in een fles voor mijn zoon. Na twintig jaar zou hij het boek nog eens moeten lezen om die vreselijke tijd te kunnen begrijpen. Hij is nu begin dertig, en de fles is aangekomen.”


U hebt allang geen politiebescherming meer nodig, maar ook uw nieuwste boek, Luka en het levensvuur, kun je als een parabel lezen. Het gaat over een volk dat snel op z’n teentjes is getrapt en dan keihard kan terugslaan.

“De wereld van nu wordt bevolkt door te veel ratten met lange tenen.”

Aan wie denkt u dan?

“Ik noem geen namen, ik kijk wel uit. Maar we leven in een cultuur waarin mensen zich snel verongelijkt voelen. We zijn overal bang voor en hebben kennelijk aanvaard dat je uit de buurt van anderen moet blijven. Maar als we zo doorgaan, mag niemand meer voor zijn mening uitkomen, en komen op een kwaad moment ook de lichamelijke bedreigingen.”

De vader in het boek wordt steeds zwakker, de dood klopt aan zijn deur. Die man heeft trekjes van u.

“Dat klopt. Ik ben nu eenmaal vijftig jaar ouder dan Milan en ik vraag me af hoeveel ik van zijn leven zal meekrijgen. Natuurlijk gaat mijn sterfelijkheid een rol spelen.”

Waarom schrijft u nu pas uw memoires over de tijd dat u werd vervolgd?

“Ik heb al mijn aantekeningen over die tijd aan Emory University in Atlanta gegeven. Die hebben die hele berg papier voor me gerangschikt, en nu liggen al mijn herinneringen netjes en overzichtelijk voor mijn neus. Dan kun je gaan schrijven.”

Hoe ver bent u?

“Ik heb 250 bladzijden af. Eind dit jaar moet het klaar zijn, als ik tenminste niet halverwege tegen een writer’s block aanloop.”

U hebt weleens in een periode van twintig dagen in dertien verschillende bedden geslapen. Later schreef u dat je dan losraakt van je eigen ik.

“Dat is zo. Het was een misdaad tegen mij. In het begin was het allemaal heel onzeker, wat enorm op me drukte. De eerste drie jaar waren heel erg. Later ging het beter, en zes van de bijna tien jaar kon ik min of meer in hetzelfde safehouse leven.”


Heeft die periode uw literaire productie beïnvloed?

“Ik denk dat ik me er aardig doorheen heb geslagen. Ik wilde niet alleen gewoon verder werken, maar vooral ook de schrijver blijven die ik graag wilde zijn.”

Hoe bedoelt u?

“Als ik niet oppaste, zou ik bang worden en timide boeken gaan schrijven. Of je wordt wraakzuchtig, het andere uiterste. In beide gevallen was ik het slachtoffer van de situatie geworden, dat zou mijn einde als kunstenaar hebben betekend. Ik ben niet de eerste schrijver die onder extreme omstandigheden heeft moeten werken. Ik heb goed naar die mensen gekeken.”

En?

“Je wil moet de omstandigheden bedwingen. Dat was bij Jean Genet in de gevangenis zo, en bij Ovidius in ballingschap of Aleksandr Solzjenitsyn in de Sovjet-Unie.”

Zijn uw traumatische ervaringen in uw werk doorgesijpeld?

“Iemand die mijn geschiedenis niet kent, zal niet de indruk krijgen dat er na 1989 een andere schrijver is opgestaan. Ik ben altijd dezelfde gebleven, hooguit wat ouder natuurlijk.”

Uw werk uit de jaren negentig en de vroege jaren nul is niet zo enthousiast ontvangen.

“Dat is een kwestie van mode. Toen ik als schrijver begon, was er een grote behoefte aan een nieuwe soort, niet-naturalistische literatuur. Ik, maar ook schrijvers als Martin Amis en Angela Carter hebben daarvan geprofiteerd. Tegenwoordig lezen mensen weer liever een traditioneel verhaal.”

Toen Khomeini in 1989 met zijn fatwa kwam, was u opeens een vrijheidssymbool.

“Dat was wel even een probleem, ja. Maar het leven van een schrijver duurt lang, en onderweg struikel je weleens.”


John Updike heeft weleens gezegd dat dit afbreuk heeft gedaan aan uw talent.

“Ach, ik kan ook een hoop over Updike zeggen, maar dat doe ik niet. Hij was een prima mens, maar als schrijver… Het derde en vierde boek uit zijn Rabbit-serie vind ik goed, en hij kon ook goede korte verhalen schrijven. Maar de rest van zijn boeken is rotzooi. Terrorist is bijvoorbeeld een vreselijk boek. Hij schreef graag over vrouwen uit de Amerikaanse suburbs, maar dat kon John Cheever veel beter, sorry.”

U reageert niet bepaald gelaten op kritiek.

“De slechtste kritieken heb ik gekregen voor Woede, maar dat boek is gewoon goed – ik ben er trots op. Het kwam alleen uit in een periode dat er voortdurend roddelverhalen over me in de pers verschenen, en de recensies waren in dezelfde geest geschreven.”

Vlak na de eeuwwisseling dook u voortdurend met mooie jonge vrouwen op in het nachtleven van New York. Wat was er met u aan de hand?

“De mensen waren eraan gewend dat ik onzichtbaar was, maar toen ik weer in het openbare leven verscheen, zeiden ze: hoe durft hij ’s avonds uit eten te gaan? Ik ging hooguit naar zes feestjes per jaar, maar de kranten brachten het alsof ik elke avond ging stappen.”

Nou, u ging vast wel wat vaker…

“Zoals u misschien weet, was ik toen met een vrouw samen die nogal in trek was bij de paparazzi. En ik was toevallig de vent die naast haar stond.”

Dat was het Indiase supermodel Padma Lakshmi, uw vierde en tot dusver laatste echtgenote. Inmiddels bent u gescheiden. Wat gaat er toch telkens mis tussen u en de vrouwen?

“Hoezo? Er gaat helemaal niks mis. Vier huwelijken in 63 jaar, dat is toch niet absurd veel? Twee, nee drie ervan hebben behoorlijk lang geduurd. Met Padma was ik ook acht jaar samen. Ik zie dat helemaal niet als mislukkingen.”


Mensen spraken een beetje spottend over uw relatie met Padma. De oude schrijver en het jonge model.

“Ach, daar zit ik niet mee. Ik ben een serieus mens die serieus werk doet. Een scheiding overkomt je, en als mensen daar graag over roddelen, dan gaan ze hun gang maar.”

Een van de politiemensen die u destijds hebben beveiligd, Ron Evans, schrijft in zijn memoires dat ze u scruffy noemden, een ongewassen mannetje, en dat ze u een keer in een kast hebben opgesloten omdat u ze op hun zenuwen werkte.

“Die man was geen beveiliger maar gewoon een chauffeur. De politie heeft hem ontslagen vanwege gesjoemel met declaraties, en nu wil hij wraak nemen. Alles wat hij schrijft, is gelogen. Zijn collega’s noemden mensen zoals hij OFD: only fucking driver. Die zwarte politiehumor heb ik erg leren waarderen.”

Noem nog eens iets?

“Het gerucht deed de ronde dat ik mijn uiterlijk had veranderd. Toen kwamen ze met de mop: ‘Wat is blond, heeft grote tieten en woont in Tasmanië? Antwoord: Salman Rushdie.”

Kon u daar om lachen?

“Op dat moment niet zo. Er verscheen ook een cartoon van Gary Larson met een tekening van Elvis Presley en mij die zich samen verscholen houden. Dat was geestig.”

U lacht nu wel, maar bent u niet bang dat de publicatie van uw memoires radicale moslims weer op verkeerde gedachten brengt?

“Geen idee. Als ik daaraan denk, geef ik toe aan de angst, en dat weiger ik. Die mensen kunnen me wat.”

Der Spiegel. Vertaling: Thijs Joosten>

Salman Rushdie (63) verwierf wereldfaam met de roman Middernachtskinderen, waarin hij de politieke werkelijkheid verweeft met de mythen van zijn geboorteland India. In 1988 publiceerde hij De duivelsverzen over het leven van de profeet Mohammed. De toenmalige Iraanse geestelijk leider ayatollah Khomeini vaardigde een fatwa uit en zette een prijs van miljoenen dollars op zijn hoofd. Hij leefde ondergedoken met politiebescherming tot 1998, toen de Iraanse regering de fatwa introk. In die jaren oogstte De laatste zucht van de Moor nog lof en controverse, maar met Woede (het Boekenweekgeschenk in 2001) en Shalimar de clown (2005) kreeg hij de handen niet meer op elkaar. In zijn jongste roman, Luka en het levensvuur (2010), beschrijft hij hoe een jongen zijn vader van de dood wil redden.

Philipp Oehmke