In voor- en tegenspoed

Er bestaan geen frivole echtscheidingen, hoogstens op frivole gronden gesloten huwelijken. In conservatief-christelijke kringen worden de hoge echtscheidingsstatistieken van de laatste dertig jaar beschouwd als een teken van algemeen moreel verval dan wel van geestelijke slapte. Hieraan ligt de overtuiging ten grondslag dat met een beetje meer ruggegraat en de bereidheid aan de relatie te werken veel scheidingsleed te voorkomen zou zijn. Zo deden ze het tenslotte vroeger ook, toen echtgenoten hun plechtige belofte ‘tot de dood ons scheidt’ nog serieus namen. Het lijkt aannemelijker dat veel huwelijken uit vroeger tijden een hel zijn geweest, waarin door een van de twee of misschien wel door beide echtgenoten buitensporig veel is geleden.

Mensen scheiden om allerlei redenen, waarvan onderdrukking, mishandeling en verslaving buiten kijf staan als gerechtvaardigde. Overspel geldt ook als behoorlijk zwaarwegend. Toch lopen de meeste huwelijken niet stuk op hevige dramatiek, maar vanwege vager ongerief als ruzie over geld of kinderen, te veel irritaties of slechte communicatie. Vooral dit laatste motief klinkt als wollige managementtaal, een aanstellerig probleempje dat met een simpele cursus communicatievaardigheden in een mum van tijd te verhelpen zou moeten zijn. Natuurlijk ligt het niet aan de communicatie. Wie in staat is om bij de bakker een halfje volkoren te bestellen en op het werk met collega’s een bespreking kan voeren, kan ook met de levenspartner het dagelijkse leven doornemen. Falende communicatie is een eufemisme voor een veel wezenlijker probleem: dat de ander niet meer wordt herkend als de geliefde die hij/zij was. Degene met wie ooit een gelofte van trouw werd gewisseld heeft als het ware opgehouden te bestaan, en nu zit er een vreemde.

Voor dit fenomeen staat scheidende paren ook een handig cliché ter beschikking. “We zijn uit elkaar gegroeid,” heet het dan, en je ziet het ook meteen voor je. Mensen ontwikkelen zich in de loop der tijd, ze omhelzen een nieuwe religie of vallen er juist van af, ze vinden een nieuwe ideologie, nieuwe hobby’s, andere prioriteiten, ze komen in andere kringen, kortom ze kunnen ingrijpend veranderen. Hierdoor brokkelt de gemeenschappelijke grond onder hun voeten af, totdat er, hoe veel communicatiecursussen je er ook tegenaan gooit, alleen nog beleefdheid overblijft als manier om zich met elkaar te verstaan.

Veel huwelijken van vroeger zullen het gered hebben op beleefdheid, vermoed ik, vooral in hogere kringen, waar de huizen groot genoeg waren om zo’n beetje langs elkaar heen te leven, zodat het gezamenlijk verkeren tot het minimum beperkt kon blijven. Dat valt in deze tijd niet op te brengen. Authenticiteit of, zoals het vaak wordt aangeduid, ‘gewoon jezelf zijn’, is een veelbejubelde waarde die bijvoorbeeld in het openbaar domein best wat minder rigoureus zou kunnen worden uitgevent, maar die in het huwelijk een absolute voorwaarde is. Als het goed is, leef je binnen een huwelijk niet heel anders dan wanneer je partnerloos zou leven. Er bestaat in ieder geval geen noodzaak om je anders te gedragen dan waar je toe geneigd bent, iets wat in de buitenwereld omwille van de beleefdheid vaak wel nodig is.


Sommige mensen blijven trouw aan hun echtgenoot, ook als die in een volstrekte vreemdeling is veranderd. Oud-minister Maria van der Hoeven vertelde bij Pauw & Witteman over het samenleven met haar dement geworden man die rond-de-klok-zorg nodig had. Ik bewonder haar standvastigheid aan haar trouwgelofte, en tegelijk gruw ik bij het idee van de onwaarachtigheid en het gedwongen opvoeren van toneelstukjes die zo’n situatie met zich meebrengt. Er is geen huwelijk meer, er is alleen nog een liefdevol beleefde hoofdzuster en een dwalende patiënt. “Breng mij naar een inrichting als het zover is! Wees mij niet langer trouw dan nodig!” wilde ik naar mijn man roepen. Maar hij lag al op een oor.

import beatrijs