Naar beneden

Afgelopen zaterdag werd het lente. Niet omdat de zon die dag opeens de hele dag scheen alsof hij maanden van afwezigheid in één keer weg wilde poetsen, maar omdat het tijd was voor La Primavera. Milaan-San Remo.

La Primavera. De Lente. Da’s nog eens wat anders dan Dutch Food Valley Classic. Eigenlijk is Milaan-San Remo een wedstrijd van niks. Hij duurt ruim zeven uur, waarvan de laatste drie live op tv worden uitgezonden. De laatste vijf minuten zou ook volstaan, want het kijken naar Milaan-San Remo is over het algemeen van een hallucinante saaiheid. Gelukkig sta ik een deel van die tijd in de keuken.

Een 297 kilometer durend, soezerig voorspel met een massasprint aan het eind: daarmee zijn de meeste edities van La Primavera wel afdoende samengevat. Niet zelden wint de snelste, een onbevredigend procedé voor de gemiddelde wielerliefhebber, die tevergeefs hoopt op intrige en onrecht.

Vroeger, mompelen de Vlaamse wielercommentatoren tijdens hun live-reportages verbeten, vroeger reed Eddy (Merckx) er gewoon op honderd kilometer van de streep van weg. Dan vond-ie het saai worden in het peloton. Dan kwam hij met een kwartier voorsprong aan in San Remo, stak bij het overschrijden van de finish een hand in de lucht en reed meteen door naar het vliegveld, waar Claudine hem al met de koffers stond op te wachten.

Merckx won Milaan-San Remo zeven keer. Dat waren nog eens tijden, verzuchten de commentatoren dan. Wees blij dat je toen geen commentaar hoefde te geven, denk ik.

Afgezien van de eindsprint is er eigenlijk maar één ander aspect dat Milaan-San Remo de moeite van het bekijken waard maakt.

De afdaling.

Tijdens afdalingen sta ik meestal in de keuken. Als een renner in een afdaling valt, is hij in mijn gedachten al overleden. Toch overlijdt er maar zelden een renner bij een val. Het adagium luidt: jij geneest vanzelf, maar je fiets niet.


De afdalingen in Milaan-San Remo maken een verwarrende mengeling van opwinding en afschuw los. De wegen zijn steil, bochtig en vaak bedekt met een asfaltlaag van voor de oorlog. Ieder jaar glijden er talloze renners onderuit. Het beeld van een verkreukelde Italiaan, het lichaam onnatuurlijk rond een bewegwijzeringsbordje gevouwen, staat voor eeuwig op mijn netvlies.

Een paar jaar geleden lag er in een van de bochten van de Cipressa een plasje olie op de weg. Een voor een zag je de mannetjes op hun fietsjes over een stenen afscheidingsmuurtje kieperen. Achter dat muurtje gaapte een leegte. Diep beneden de weg lagen wat rotsige moestuintjes.Die tuintjes zag ik pas in de herhaling, want na de eerste val stond ik al bij het fornuis, wachtend tot iedereen beneden was.

Op de top van de berg Le Manie wreef Sporza-verslaggeverMichel Wuyts zich eens in de handen. “In deze afdaling ligt heel wat vel van vorige jaren.” Vijf minuten later kon aan het slagveld van de haarspeldbochten de scalp van scar Freire worden toegevoegd. Zijn glijpartij veroorzaakte een schifting in het peloton, die 150 renners in één klap kansloos maakte.Wuyts riep nog even het verregende slotweekend van Parijs-Nice van vorige week in herinnering. Ik wist het nog; zowel zaterdag als zondag bivakkeerde ik een uur in de keuken, en luisterde naar het opgewonden getoeter van de commentatoren bij iedere glibberpartij. De Kroaat Kiserlovski schoof van zijn fiets en kwam klem te zitten onder een geparkeerde vrachtwagen. Martijn Maaskant viel zichzelf een klaplong en brak al zijn ribben.

Bij Freire bleef de schade zaterdag beperkt tot een kapotte fiets en een gebroken fietsschoentje. In de keuken haalde ik opgelucht adem.

Frank Heinen