Ontploffende muilezels

Miquel Bulnes weet de wanhoop, de smerigheid en vooral de gekmakende dorst in een oorlog voelbaar te maken. Toch zet hij nergens te grove middelen in.

Net als je denkt: waar blijft toch die vuistdikke roman over Spaanse staatkundige kwesties in de periode tussen 1921 en 1923?, is daar Het bloed in onze aderen van Miquel Bulnes. Samenzweringsthriller, gefictionaliseerd oorlogsverslag en politieke roman in één. Het boek begint in een belegerde Marokkaanse woestijn en verplaatst zich al gauw naar het minstens zo gevaarlijke Madrid en Barcelona. Als Bulnes iets duidelijk maakt, is het wel dat het voor je overlevingskansen niet zo heel veel uitmaakt of je je mengt in een veldslag of in de Spaanse politiek.

Het bloed in onze aderen is Bulnes’ vierde roman, en zijn eerste in vier jaar. In zijn eerdere werk was de medische wetenschap decor en onderwerp tegelijk. Bulnes leek zijn terrein gevonden te hebben. Dit is nogal een carrièreswitch. Alsof Thomas Rosenboom een portret schrijft over hedendaagse twintigers in de Berlijnse clubscene. Des te verbazingwekkender is het als je al na een paar pagina’s merkt: Bulnes kan dit óók. De beschrijvingen van de legerbases in het Rifgebergte zijn even overtuigend als die van de polikliniek in een Nederlands ziekenhuis.

Het bloed in onze aderen heeft meer personages dan de gemiddelde soap. De krankzinnige plot slingert zich via allerlei vertellers, dagboekfragmenten en krantenberichten naar een zorgvuldig opgebouwde ontknoping. Hoofdpersoon is Augusto Santamaría, een nietsontziende kapitein die bij wijze van lichte berisping zijn soldaten een paar tanden uit de mond slaat. Met een pistool. Een Bordewijk-achtig personage: rechtlijnig, streng, in zichzelf gekeerd, nauwelijks belangstelling voor aardse zaken. Hij overleeft de rampzalige Marokkaanse missie, raakt half invalide en krijgt een erebaantje in Madrid. Daar belandt hij ongewild in het ene complot na het andere. Anarchisten, republikeinen, legerofficieren, vrijmetselaars, conservatieven, geestelijken, en nog zo wat figuren die menen dat ze het beste met het land voor hebben, chanteren en bedreigen elkaar.


Santamaría voelt zich niet thuis in het gewone, niet-militaire leven. Bulnes weet die onvrede overtuigend over te brengen. Zonder het leger te verheerlijken – integendeel – laat hij de lezer begrijpen dat de gewone wereld voor een geboren legerofficier saai is. Arm aan prikkels, arm aan een vijand. Daar zit misschien ook wel het belangrijkste probleem van de roman: de eerste pakweg zeventig pagina’s hakken er zo hard in, dat vrijwel alles wat daarna komt zwakker aandoet, hoe sterk de rest van het boek ook is. Het is een beetje alsof je in een restaurant een geweldige eerste gang krijgt voorgeschoteld, gevolgd door gerechten die ook stuk voor stuk goed zijn, maar het niet halen bij het eerste.

De kracht van dat eerste deel zit ‘m onder meer in de details. Het is bloedheet in het Rifgebergte. Er is een gebrek aan drinkwater, manschappen en een doordacht strijdplan, terwijl het kamp wordt aangevallen door de Berbers. Bulnes weet de wanhoop, de smerigheid en vooral de gekmakende dorst voelbaar te maken. De muilezels die drinkwater van het ene naar het andere kamp moeten transporteren, worden doodgeschoten door rebellen. Omdat ze niet worden opgeruimd, zwellen hun buiken op van de hitte. Na een paar dagen spatten de ezels uit elkaar. Hun ingewanden slingeren door het kamp. Een krachtig, gruwelijk beeld. En toch krijg je nergens het idee dat Bulnes te grove middelen inzet. Zijn stijl is nuchter, onnadrukkelijk, af en toe tegen het ouderwetse aan (hij gebruikt woorden als ‘trachten’ in plaats van ‘proberen’ en ‘eer’ in plaats van ‘voor’).


Ontploffende muilezels, soldaten die hun urine moeten drinken om in leven te blijven – het is moeilijk om zulke situaties te overtreffen. Alle problemen die daarna komen, lijken opeens luxeproblemen. Logisch dat Santamaría pas weer echt tot leven komt als hij in het gewone burgerbestaan een persoonlijke missie heeft gevonden. Die missie, met alle zijpaden en goed getimede cliffhangers, blijft boeien. Bulnes laat je meedenken over de plot, maar blijft je altijd een paar stappen voor.

Sommige verhaallijnen, vooral die in Barcelona, schurken tegen het groteske aan (uitleggen waarom is onmogelijk zonder iets te verklappen). Maar vrijwel nergens vliegt het verhaal écht uit de bocht, omdat de spectaculaire gebeurtenissen een stevige basis hebben in de realiteit. De mislukte liquidatiepoging bijvoorbeeld: een volleerde scherpschutter mist zijn doel, omdat hij geen rekening heeft gehouden met de zon die in zijn ogen schijnt.

Ruim zeshonderd pagina’s weet Bulnes de aandacht vast te houden. Wel denk je af en toe met heimwee terug aan het eerste, beste, deel van het boek. Misschien is dat verwend, moet je daar niet over zeuren, maar het is Bulnes’ eigen schuld. Dan had hij maar niet zo’n zeldzaam goede eerste gang moeten serveren.

Miquel Bulnes: Het bloed in onze aderen. Bert Bakker. €24,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

De moeder is een feeks. Toch krijg je steeds meer sympathie voor haar. Dat is misschien wel het knapste aan de eerste roman voor volwassenen van Karlijn Stoffels, die eerder bekroonde kinderboeken schreef. Zuiderzeeballade draait om een familie met een aftakelende moeder. Oud en versleten, ze heeft niet lang meer. Sinds een operatie woont ze in een verpleeghuis. Daar wordt ze chagrijnig van. Dat is niet opmerkelijk, ze wordt overal chagrijnig van. Ze reageert haar frustratie vooral af op haar goedbedoelende dochter, die hartverscheurend pleaserig is. In flashbacks, beschreven vanuit verschillende personages, komen we de familiegeschiedenis te weten, tot een paar generaties terug. Het is een treurige geschiedenis, van mensen die elkaar ongelukkig maken zonder dat ze het echt kunnen helpen. Man hands on misery to man, maar Stoffels is niet bitter. Het positieve einde is ontroerend, tegen het sentimentele aan, maar net niet té – precies goed dus.


Karlijn Stoffels: Zuiderzeeballade. Querido. €18,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Het is elk jaar weer vermakelijk om te zien in welke bochten uitgevers zich wringen om te profiteren van het boekenweekthema (dit keer: geschreven portretten). Twaalf keer tucht bevat een handvol monologen, schetsen en gelegenheidsstukken van Anna Enquist, die nauwelijks verband met elkaar houden. Er komen mensen in voor, dus je zou het portretten kunnen noemen – dat moet ongeveer de redenering zijn geweest op de uitgeverij. Het is niet bepaald Enquist op haar best. Vooral de monologen over het bombardement van Rotterdam voegen wel erg weinig toe aan het toch al niet krappe aanbod aan oorlogsliteratuur. De moffen zijn schurken en bombardementen zijn vreselijk. Tja. Daar hoef je geen boeken voor te lezen. Met de monoloog waarin Enquist zich in Alma Mahler verplaatst, neemt ze meer risico, maar ze laat Alma Mahler klinken als een zelfhulpboek: “Pijn is een vriend, je kunt hem trotseren of je kunt je aan hem over-geven.”

Anna Enquist: Twaalf keer tucht. Arbeiderspers. €15. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

1 Zomerhuis met zwembad (1) – Herman Koch

2 De Koning (-) – Kader Abdolah

3 Tijger, tijger (-) – Margaux Fragoso

4 Dienstreizen van een thuisblijver (8) – Maarten ’t Hart

5 De begraafplaats van Praag (3) – Umberto Eco

6 De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween (9) – Jonas Jonasson

7 Keukenmeidenroman (6) – Kathryn Stockett

8 Haantjes (5) – Kluun

9 Vrijheid (7) – Jonathan Franzen

10 1q84 – Boek drie (2) – Haruki Murakami

Dries Muus