‘Veel mensen hebben een hekel aan mij’

Waar Pieter Hilhorst verschijnt, worden fluitend problemen opgelost. Zo gaat het in het televisieprogramma De Ombudsman dat hij presenteert en zo gaat het in zijn column in de Volkskrant. Gesprek met een kortgebroekte denker.

Zo opgeruimd als zijn verschijning is op televisie en in de krant, zo’n wanorde is het bij Pieter Hilhorst thuis, aan de rand van een park in Amsterdam. Stapels boeken, kranten, tijdschriften, papieren, paperassen en kattebelletjes getuigen van een onbezorgd en tot de rand gevuld leven. Er staan gitaren, de poes ligt in haar mand, er is een cavia in een kooi. Hilhorst loopt er op sokken tussendoor. Het is zondagmorgen, bijna twaalf uur.

Gisteren heeft hij gevoetbald. Hilhorst is de spits van Taba 4. Hij zat niet lekker in de wedstrijd. Vorig jaar liep hij bij een voetbalongeluk, in een sportief gevecht om de bal, een gecompliceerde beenbreuk op. De chirurg zette zijn been verkeerd, Hilhorst kan niet vrijuit bewegen. Het is vervelend, maar het is niet met opzet gebeurd. Hij is fantastisch behandeld door het medisch personeel. Er valt niemand iets kwalijk te nemen.

U had geen zin in een interview waarin u zou moeten vertellen ‘how to be good’, zei u.

“Mensen hebben er een hekel aan zodra er iets borstklopperigs in je opstelling of goede gedrag zit. Ik hou daar ook niet van. Maar in deze gepolariseerde tijd gebruikt rechts die afkeer om links de mond te snoeren, door ze als moralisten weg te zetten. Idealisten zijn hypocriet, omdat ze doen alsof ze beter zijn dan anderen. In deze nihilistische logica is iedereen een klootzak, alleen denken linkse mensen dat ze het niet zijn.”

De afleveringen van De Ombudsman en uw columns gaan er in wezen allemaal over, vind ik. Wikken, wegen, keuzes maken. De goede keuzes. Hoe je een goed mens kunt zijn.


“Ik oordeel wel, maar ik schrijf niet voor. Het is een rechtse truc: elk oordeel is verdacht, is moralisme. Er worden tegenstellingen gecreëerd die er niet zijn, van een zogenaamde populistische opstand tegen de moralisten, het volk tegen de elite.Dat bestaat helemaal niet. Ik heb ook een hekel aan moralisme, ik wil ook niet moraliseren.”

U stelt zich op als een voorbeeld, naar mijn idee. Een moreel kompas.

“Weet je wat moraliseren is? ‘Eet jij vlees? Weet jij hoe die dieren worden gehouden? Hoe slecht het is voor het milieu?’ Je praat in op iemands schuldgevoel: ‘Jij bent niet goed bezig.’ In de vleesindustrie zijn dingen niet in de haak, daar heb ik een oordeel over, niet over mensen die vlees eten. Ik veroordeel een systeem, niet de vleeseter. Dion Graus is een dierenliefhebber, maar hij eet wel vlees. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te vellen.”

Mensen die opzichtig aan de goede kant van de streep staan, zijn irritant.

“Dat is ook irritant. Maar het wordt nu gebruikt om elk idealisme de mond te snoeren. Bij rechts is een Gutmensch een scheldwoord: ‘Ach, kijk hem eens goed zijn.’ Het reduceert alles tot eigenbelang. Het is de grote platslaander. Je kunt het altijd van iedereen zeggen, en zo hoef je nooit meer ergens op in te gaan.”

Ik hoorde u in een televisieprogramma zeggen dat u in de opvoeding van uw kinderen nooit uw stem verheft.

“Ik verhef weleens mijn stem. Ik geloof niet in een autoritaire opvoeding. Dingen doen of laten omdat ik het zeg. Ik geloof in de kracht van empathie. Ik probeer dingen vóór te leven. Ik heb vanochtend geprobeerd voor te leven. Ik kan zelf niet het ene doen en het andere van mijn kinderen verlangen. Ik geef het goede voorbeeld, om grenzen en regels aan te geven. Ik kan me bij mijn kinderen ergeren aan dingen die ik zelf ook doe. ‘Ik kom eraan’ roepen terwijl je er niet aan komt.”


Als Marokkaanse jongens sneeuwballen gooien naar een vrouw, fietst u erachteraan om verhaal te halen.

“Ik ben een bemoeial. Als er dingen gebeuren die onrechtvaardig zijn of verkeerd, dan bemoei ik me ermee.”

De meeste mensen doen dat niet. Ze nemen wrok – ook over hun eigen passiviteit – mee naar huis en spuwen daar hun gal over het tuig.

“Ik ben heel vaak in elkaar geslagen. Vroeger in Den Haag, hier ook een paar keer. Op het Leidseplein, toen ik bij een huldiging van Ajax een blikje wegtrapte dat tegen iemand aan kwam. Knock-out. Zo erg is het niet. Een klap, pijn, en het is weer over. Ze steken je heus geen mes tussen je ribben.”

Hilhorsts zoon komt de kamer binnen. Het is een leuk ventje met lang sluik haar. “Stel je eens even voor,” zegt Hilhorst. “Noah Hilhorst,” zegt de jongen. Noah is elf en houdt van voetbal en muziek. Hij gaat de kamer weer uit. Vader Pieter zit met de benen over elkaar aan tafel. Hij heeft het druk met opnames van De Ombudsman, dat opkomt voor mensen die ‘vermalen dreigen te worden in ambtelijke molens’.

De items in De Ombudsman verlopen volgens een vast patroon. Er is een probleem, u komt erbij, en het probleem wordt opgelost. De patatkraam staat eerst op de verkeerde plek, u komt erbij, en de patatkraam staat op de goede plek. Het schiet lekker op.

“Bij kleine dingen kan dat. De ijscoman uit Wijdemeren, die geen ventvergunning heeft voor ’s avonds en op zondag. Daar kunnen wij iets aan doen. Maar ik loop niet even naar de staatssecretaris om de bezuinigingen op jongeren met een verstandelijke handicap ongedaan te maken.”


Uw columns hebben een al even montere, oplossingsgerichte toon. Het Wilderskamp deugt niet, het anti-Wilderskamp deugt ook niet, u weegt ze beide en bevindt ze te licht, waarna u een alternatief presenteert, volgens de weg der redelijkheid.

“De onderwerpen waar ik over schrijf, laten mij niet onverschillig. Ik oordeel wel degelijk. Ik vind sociale veerkracht beter dan de gedachte dat iedereen schuld heeft aan zijn eigen lot, en ook beter dan de gedachte dat alle heil van de overheid komt. Er is een groot verschil tussen oordelen en moraliseren.”

U staat bóven de partijen. Het is een vorm van superioriteit, moralisme van een hogere orde.

“Ik probeer los te komen van vastgeroeste tegenstellingen. Twee partijen ruziën over het ene, terwijl ze het over andere dingen eens zijn. Ik ben het met allebei oneens. Ik probeer te zoeken naar overeenkomsten. De tegenstellingen zijn vaak een simplificatie, een onderschatting van het probleem.”

Het rechtse populisme versus het weldenkende deel der natie. Het volk is boos, de weldenkenden voelen zich bedreigd. Waarom committeert u zich niet?

“De tegenstelling tussen volk en elite vind ik een domme tegenstelling. De problemen die er zijn, hebben meer met ontworteldheid te maken dan met kampen die tegenover elkaar zouden staan. Het is retoriek van Wilders: het volk tegen de regenten, de ‘linkse elite’, de moslimknuffelaars. Door de tegenstellingen die hij creëert, word je gedwongen tot rare keuzes. Ben jij een jodenhater of een jodenliefhebber? Ik zou zeggen: none of the above. Ik probeer me te ontworstelen aan zulke tegenstellingen.”


U fietst er gemakkelijk doorheen, vind ik, door dat geworstel van anderen.

“Het is veel gemakkelijker om te kiezen dan om je aan die keuzes te ontworstelen. De Servische jurist en activist Srdja Popovic zei: ‘Er komt een moment dat je gedwongen wordt partij te kiezen, anders word je irrelevant.’ Bij de tegenstellingen die worden opgeworpen, denk ik: als dat de keus is, ben ik liever irrelevant. Je wordt in een hoek geduwd. Wie het recht verdedigt om een hoofddoek te dragen, is niet per definitie een islamliefhebber. Het is een trucje van Wilders. Als je die manier van redeneren afkeurt, dan is het: daarmee diskwalificeer je anderhalf miljoen kiezers.”

Pieter is allesbehalve een normale jongen, zeggen vrienden. Hij is bijzonder, en hij weet dat van zichzelf. Hij heeft energie voor tien paarden. Hilhorst gáát maar door. Columns, televisie, radio – van alles tegelijk. Hij leidt debatten en discussies, richt buurtcomités op, belangengroepen, hij is opsteller van petities en initiatieven. Boven het rumoer in de buurt, de stad en het land uit, klinkt het redelijk geluid van Hilhorst.

Voetbalclub Taba is een relaxte club uit Watergraafsmeer. Rijk en blank tegen wil en dank, zei een teamgenoot. Pieter is een ouwehoer, hij loopt altijd met zijn directe tegenstander te ouwehoeren. Hij was trainer van het elftal van zijn dochter Sacha. Pieter staat voor fair play, ook als de tegenstander niet eerlijk speelt.

Vorig jaar bent u op het veld ‘letterlijk doormidden geschopt’, zei u. U was niet boos.

“Het gebeurde niet met opzet. Het was een gevecht om de bal. De chirurg heeft ook niet met opzet mijn been er scheef aangezet. Hij deed ook zijn best. Het is vervelend, maar ik ben niet boos.”


De elftallen die u leidt, eindigen vaak onderaan, net als Taba 4.

“Taba eindigt altijd onderaan, ter bevordering van het geluk van de tegenstanders. Die zijn meestal twintig jaar jonger dan wij. Zij zijn veel blijer met een overwinning dan wij verdrietig zijn om een verlies.”

Waarom heeft u het idee dat u de wereld moet verbeteren?

“Dat heb ik van huis uit. Mijn vader is overleden toen ik jong was, mijn moeder voedde vijf kinderen op. Wij waren katholiek. We zijn opgevoed met het idee dat we gezegend zijn, verantwoordelijk zijn voor de wereld.”

En dus gaat u met bloemen op de boeven af?

“Ik benader onrecht niet in termen van woede. Ik denk dat het beter kan. Ik ben geen boos iemand. Rond programma’s als De Ombudsman hangt de echo van de permanente verontwaardigdheid van Pieter Storms. Ik doe het anders.”

U heeft overal begrip voor – óók voor andermans onbegrip.

“Je moet proberen te begrijpen waar iets uit voortkomt. Daarmee zeg ik niet dat ik alles maar prima vind. Ik ben het met allerlei opvattingen hartgrondig oneens.”

Ik las een kritische column van uw hand over staatssecretaris Van Bijsterveldt, die zei het bestaan van zwarte scholen te accepteren.

“Zij geeft het gewoon op. Het is veel moeilijker voor een zwarte school om het goed te doen. Het is ongelooflijk zwaar. Ik ben een voorstander van gemengde scholen. Daarmee zeg ik niet dat mensen die hun kinderen op witte scholen doen slecht zijn. Dat begrijp ik heel goed.”

U hebt uw zoon van zijn zwarte school gehaald.

“Een enorme nederlaag. Ik ga een reconstructie maken van wat er is misgegaan.”


Wat ging er mis?

“Mijn zoon was het enige blanke kind in de klas. Het laatste jaar was er een onveilige sfeer ontstaan. Sommige kinderen werden gepest en geïntimideerd. Mijn zoon voelde zich niet meer op zijn gemak.”

Uw zoon gaat nu naar een witte school?

“Ja.”

Iedereen is dol op Pieter, zeggen zijn vrienden. Het is een spontane jongen, een vrolijke brokkenpiloot. Hij houdt van uitgaan. Hij heeft een heftige stijl van dansen, vol passie en overgave. Hilhorst is een aantrekkelijke, bekende vent waar de vrouwen op af komen. Hij is ook al 22 jaar bij dezelfde vrouw.

Die onverwoestbare monterheid van u werkt mensen op de zenuwen.

“Veel mensen hebben een hekel aan mij. Iemand noemde mij een kortgebroekte denker, ik denk uit ergernis over mijn eeuwig goede humeur. Ik vind het een geuzennaam. Ik heb een manifest geschreven, het Manifest van het kortgebroekte denken, een pleidooi voor onbevangen de wereld in kijken.”

Denkt u niet dat u door dat eeuwig goede humeur dingen over het hoofd ziet, gevaren, bedreigingen, de slechtheid van mensen?

“Ik heb oog voor het goede. Dat betekent niet dat ik slechtheid over het hoofd zie. Maar waarom zou één slechte daad typerender zijn dan de goede dingen die iemand doet? Ik stond bij de tramhalte naast een jongen met een tattoo van een pistool in zijn nek, en het woord ‘thuglife’. ‘Wat staat daar nou?’ vroeg ik. Door zelf ontwapenend te zijn, ontdooit hij ook. Het gaat vaker goed dan je denkt. In de sportschool had iemand ‘loyalty’ op zijn rug staan. Ik vroeg aan wie hij dan loyaal was. Aan een of andere gang? Aan zijn broer, zo bleek.”


U houdt van dansen, hoor ik.

“Ja.”

Het schijnt er nogal zwoel aan toe te gaan.

“Ik maak misschien de indruk van een flierefluiter. Ik vlinder rond, ik sta te dichtbij. Ik wil me niet laten leiden door wat anderen vinden. Als mensen een oordeel hebben over mijn gedrag, moeten ze dat vooral doen. Als ik er maar vrede mee heb.”

U bent ijdel genoeg om zich wel over andermans oordeel te bekommeren.

“Zoals iedereen. Maar ik ben niet belangrijker dan de onderwerpen waar ik het over heb. Als het lijkt dat ik de held ben, staat dat de oplossing van problemen in de weg. Dan gaat het de verkeerde kant op.”

Ergernis is de mensen eigen. Iemand met een opgeruimde tuin ergert zich aan de buurman die alles laat woekeren. De buurman ergert zich aan die zeikerd met zijn aangeharkte tuin. Dat gaat nooit over.

“Heel veel dingen kunnen niet. Maar je kunt het altijd proberen.”

Het is kwart over één. Hilhorsts dochter komt thuis, met een schoolvriendin. Zijn zoon smeert boterhammen in de keuken. Ze gaan vanmiddag met z’n allen naar Ajax. Het zal een heel matige wedstrijd worden, met slecht spel van beide kanten, ongenietbaar voor de toeschouwers. Het is niet onwaarschijnlijk dat Pieter toch aanknopingspunten ziet voor hoe het beter kan.

Bert Nijmeijer