A la Frankenstein

Wie menopauzaal is, koopt een eicel en laat die bevruchten en implanteren.

Wat nou onnatuurlijk, er zijn toch genoeg oude vaders, luidt het argument ter verdediging van het recht van zestigplus-vrouwen om een kind te baren. Meestal een beetje triomfantelijk gebracht, alsof een geboorte die alleen kon plaatsvinden door de natuur een technologische loer te draaien de ultieme vorm van gelijkberechtiging zou zijn. Wie kippig is, zet een bril op. Wie menopauzaal is, koopt een eicel en laat die bevruchten en implanteren. Probleem opgelost. Inderdaad, er zijn veel oude vaders die met gemak voor de opa van hun kinderen kunnen doorgaan, maar aan die oude vaders zitten wel jonge vrouwen vast. In ieder geval jong genoeg om een kind te concipiëren en naar de volwassenheid te begeleiden, wanneer die vader allang in zijn graf ligt.

Alles wat kan gebeuren, zal ook gebeuren. De discussie over het verbieden en reguleren van dit soort voortplantingsinitiatieven is oninteressant, omdat er altijd wel ergens een buitenland te vinden is, plus een dwaze professor en een jonge vrouw die munt wil slaan uit eicelverkoop, om iemands buitenissige behoeftes te bevredigen. Als er maar genoeg geld op tafel ligt.

Waar de 63-jarige kersverse moeder Tineke Geessink niet over nagedacht heeft (of wel overwogen, maar hopla als onbelangrijk terzijde geschoven) is het toekomstige dagelijkse leven van haar kind, niet alleen zolang zij zelf nog leeft, maar ook na haar dood. Een van de belangrijkste menselijke behoeftes (en dus ook van kinderen) is om erbij te horen: deel uitmaken van de groep, niet worden buitengesloten, normaal zijn, niet op een negatieve manier de aandacht op je vestigen, kortom het vermijden van schaamte. Kinderen kunnen zich schamen voor iets afwijkends van zichzelf of voor een gehandicapt broertje, tieners gaan door een fase waarin ze zich sowieso schamen voor hun ouders – leren om je met je eigen schaamte te verstaan hoort onvermijdelijk bij het opgroeien. Toch is schaamte iets wat je als ouder je kind zo veel mogelijk zou willen besparen. Je kunt het bijvoorbeeld beter geen idiote naam geven, zo een die altijd leidt tot “Huh, wát zeg je?” en tot spellingsinstructies noopt.


Opgezadeld zijn met een bespottelijke naam is vanzelfsprekend klein bier vergeleken met de kwestie afkomst. Iedereen die dit kind in deze vreemde gezinsconstellatie leert kennen, zal meteen vragen hoe het nou precies zit. Op een gegeven moment zal het kind zelf moeten uitleggen dat haar bejaarde moeder de rol van broedmachine heeft gespeeld voor de onzalige collusie van een op de markt aangeschafte eicel en sperma van een onbekende donor. Dit onprettige verhaal is geen fijne binnenkomer, maar het zal altijd verteld moeten worden, tenzij het kind de leugenachtige uitweg ‘adoptie’ verkiest om van nieuwsgierige vragen af te zijn.

Blijkens interviews maakt moeder Geessink zich in het geheel geen zorgen om toekomstige gevoelens van onvrede bij haar kind over haar oorsprong, laat staan over eventuele schaamte van dat kind. Zij hoopt alleen dat haar dochter heel veel van haar zal houden. De zorg of er wel genoeg liefde komt, is onnozel. Elk kind houdt van z’n moeder of van degene die de moeite neemt om de ouderrol te vervullen. Zelfs de al dan niet incestueuze nazaten van Joseph Fritzl zullen op hun manier van papa hebben gehouden.

Een kind dat niet van zijn moeder houdt, vormt een horrorscenario, zoals te lezen valt in het beklemmende boek We have to talk about Kevin van Lionel Shriver. Daar hoeft moeder Geessink niet bang voor te zijn. Haar daad roept een heel andere parallel in gedachten: met Mary Shelley’s meesterwerk Het monster van Frankenstein. Dit naamloze monster is het product van een even vermetele als frivole poging van zijn meester om nieuw leven te scheppen. Kwaadaardig is het monster niet, eerder meelijwekkend, omdat hij door iedereen wordt uitgestoten. Ten slotte pleegt hij uit eenzaamheid zelfmoord. Moraal: gij zult geen monsters tot leven wekken, want dat is zielig voor het monster.

import beatrijs ritsema