De harem van Kader

Waarin Koning Schrijfsnor weinig van de dames weet, maar wel van ze houdt.

De afsluiting van de Boekenweek was afgelopen zondag in Koninklijk Theater Carré, waar Boekenweekgeschenkauteur Kader Abdolah zijn inmiddels vijfentachtigste optreden verzorgde. Tien dagen lang was hij van stad naar land gesleept en weer terug. Als beloning mocht hij ditmaal op het toneel met vier dames zijner keuze het slotgesprek voeren. Ria Lubbers is een gevalletje hors concours; zij was met echtgenoot Ruud meegekomen, die als pauzenummer een boekpresentatie zou doen.

Kader Abdolah als interviewer was een even verbazingwekkend als vermakelijk spektakel. Van de vier gasten die hij had uitgenodigd (Neelie Kroes kwam niet) en naar eigen zeggen bovenmatig bewonderde, wist hij verbluffend weinig. Aan Hanneke Groenteman vroeg hij wanneer ze naar Nederland was gekomen, nota bene terwijl de inleider vlak daarvoor had verteld dat haar familie al sedert generaties in Amsterdam woont. Aan ex-staatssecretaris Nebahat Albayrak vroeg Kader of ze het als Turkse lastig heeft gevonden om de Nederlandse taal onder de knie krijgen. Maar even daarvoor was verteld dat Nebahat twee jaar oud was toen ze naar Nederland kwam. Op die leeftijd ben je niet echt wat je noemt een native speaker van het Turks. Pas bij zijn gast Joty ter Kulve had Kader de biografische gegevens op orde. Deze dochter van een Indische Nederlander en een inlandse vrouw vertelde hoe haar moeder bij de Japanse bezetting van Nederlands-Indië op last van de commandant twee dochters moest afleveren bij het militaire bordeel. Dat weigerde ze. “Dan wordt u doodgeschoten,” sprak de commandant achteloos. De afloop van dit verhaal kreeg niemand te horen, want Kader bleek nog een andere vraag op zijn papiertje te hebben.


Maar zo armzalig als Kader luistert, zo getalenteerd is hij op het gebied van complimenten. Te pas en te onpas hield hij zijn gasten in telkens wisselende bewoordingen voor dat hij veel ze van hield en dat ze bijzonder aantrekkelijk waren – gemiddeld zo’n beetje in elke oneven zin, en tot lichte verbijstering van de betrokkenen. De besnorde schrijver deed daarbij af en toe denken aan de speelgoedhond op de hoedenplank van een auto. Dat droevige mechanische beestje dat áltijd instemmend knikt, of je kijkt of niet. Charmante complimentendoes Kader – hij beschikt over exact zo’n dwangmatig mechaniek. Yvon Jaspers werd er kriegelig van en riep: “In niets lijk jij op een Nederlandse man! Die zit uren op de bank en daar komt geen woord uit. Af en toe mompelt hij iets gesmoords. De vrouwen in het gezelschap overleggen dan verheugd wat hij zou kunnen bedoelen.”

Ruud Lubbers tot slot mocht de winnende titel bekendmaken van het boek dat elke vluchteling krijgt uitgereikt die hier aan een studie begint. Dat was Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak. Dat uitgerekend een CDA’er dit nationale maar goddeloze werk moest uitreiken aan twee uitgenodigde modelvluchtelingen (uit Libië en Ivoorkust) kon er ook nog wel bij.

Jan Zandbergen