Wie is het mannetje, wie het vrouwtje?

In homorelaties liggen rolpatronen een stuk minder vast. Niet alleen omdat seks tussen mensen van hetzelfde geslacht geen nakomelingen oplevert. Maar ook omdat ze bij de jacht op een partner zowel jager als prooi kunnen zijn. Dan moet je snel van rol kunnen wisselen.

Het was in de jaren zeventig, in de begintijd van de homo-emancipatie een regelmatige vraag. Heteroseksuele buitenstaanders wilden van homostellen weten: hoe werkt dat in een relatie bij jullie, wie heeft de rol van de man, en wie die van de vrouw? Na de openstelling van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht, in 2001, zal die vraag vast ook weer zijn gesteld. Die openstelling suggereert immers dat de aard van een homorelatie hetzelfde is als een heterorelatie: niet alleen voor de wet gelijkwaardig, maar ook inhoudelijk gelijk, in de betekenis van ‘identiek’.

Het komt voor dat mensen aan verwachtingen proberen te voldoen, juist omdat de buitenwereld die koestert. Zeker als daardoor iets wat eeuwenlang als zondig en dus moreel onacceptabel werd beschouwd, maatschappelijk mogelijk makkelijker wordt aanvaard. Kijk, zo vreemd is het niet wat wij doen; het is precies als bij jullie, afgezien van dat ene kleine verschil dat feitelijk niet zo essentieel is. Zeker in de beginfase van een emancipatieproces ligt die weg voor de hand – ook omdat er dan nog geen andere, en zeker geen andere legitieme, rolmodellen voorhanden zijn.

Het zal vroeger dus ongetwijfeld regelmatig zijn voorgekomen dat men de eigen homoseksuele relatie enigszins naar het voorbeeld van een heteroseksuele trachtte in te richten. Niet toevallig was in de jaren vijftig en zestig de gangbare term, teneinde de acceptatie te helpen bevorderen, ook niet ‘homoseksueel’, maar ‘homofiel’. Daarmee werd het lichamelijke, homo-erotische aspect, dat veel directer verbonden was aan de tot taboe verklaarde geslachtsdaad (want sodomie) natuurlijk een beetje naar de achtergrond gedrukt. Het mannenlichaam van je partner vormt niet de hoofdzaak, het gaat je om zijn geest: je bent wel smoorverliefd, maar beslist niet botergeil. Twee zielen, één gedachte, zeker – maar geen versmelting tot één lijf. Men probeerdehet eigen, vergeestelijkte homo-zijn voor de buitenwereld eerder poëtisch vorm te geven in het vanachter een katheder declameren van verheven gedichten dan in zoiets prozaïsch-vulgairs als in bed de geslachtsdaad te verrichten.


Dat taboe op het essentiële, seksuele aspect van homoseksualiteit is de afgelopen decennia flink gesleten. Door de algehele seksualisering van de samenleving en de publieke ruimte natuurlijk, en niet in de laatste plaats doordat ook in heteroseksuele relaties de legitimiteit, zo niet wenselijkheid, van een grotere variëteit aan seksuele gedragingen naast de coïtus openlijker wordt beleden en gepraktizeerd. Ook heterorelaties zijn tegenwoordig minder eenduidig, verlopen minder volgens een vast stramien dan vroeger – zowel in bed als daarbuiten.

Dankzij de vrouwenemancipatie, in wier kielzog die van de homo’s plaatsvond, zijn ook in het leven buiten de slaapkamer oude rolpatronen veel minder dwingend. De taakverdeling tussen man en vrouw is op alle terreinen van het privé- en openbare leven lang niet meer zo vanzelfsprekend. Die hele vraag: is het bij jullie ook mannetje-vrouwtje thuis, is dus gaandeweg in een heel ander licht komen te staan. Want wat bedoel je dan? Zoals thuis bij Hedy d’Ancona? Of zoals thuis bij Bas van der Vlies?

Bovendien: juist door de toegenomen nadruk op het seksuele karakter van homoseksualiteit worden de verschillen minder verbloemd dan toen homofielen deden alsof het ze vooral ging om die hogere platonische sferen waarin de geest kwam te verkeren, en niet om het lichaam van de partner. En dan kunnen twee mannen (of twee vrouwen) met elkaar nu eenmaal deels andere dingen doen dan een man en een vrouw. En vooral: hun beider positie is bij al die dingen in theorie volledig inwisselbaar.

Dat geldt meestal ook voor de praktijk. Vanaf het moment dat de, uit emancipatoir oogpunt, aanwezige dwang verminderde om zo min mogelijk van de heteroseksuele norm af te wijken, zijn homoseksuelen eigen wegen gaan bewandelen. Er is namelijk een fundamenteel verschil tussen homo’s en hetero’s. Eigenlijk zijn dat er twee.


Enerzijds kan homoseksueel geslachtsverkeer nooit ten dienste staan van de voortplanting. Dat speelt bij hetero’s altijd een rol, alleen al vanwege de noodzaak om bijtijds de nodige maatregelen te treffen om die te voorkomen. Homo’s hoeven daar in bed nooit aan te denken. Omdat voor hen ook geen biologisch vanzelfsprekende geslachtsdaad bestaat, met het oog op het behoud van de soort, die alle andere daarmee automatisch tot surrogaat reduceert, is seks bij homo’s ook ongebondener. De relatie tussen liefde en seks kan daardoor dus – ofschoon jaloezie bij homo’s natuurlijk evengoed voorkomt – makkelijker losser worden.

Kinderen komen er dus niet van, en als we even afzien van aids of geslachtsziekten is de wederzijdse verantwoordelijkheid jegens de gevolgen van het geslachtsverkeer veel minder. Bij een heterocontact zijn de gevolgen van een geslaagde coïtus immers ongelijk verdeeld. Ondanks de komst van condoom en pil is dit altijd van invloed op een heteroseksueel contact: vanwege de cultureel-biologische context is het mentaal minder vrijblijvend.

Homo’s zijn nu eenmaal hors categorie: wat seksueel ‘normaal’ is of zou moeten wezen, valt in hun geval niet op biologische gronden vast te stellen. De buitenwacht accepteert hun overspel bovendien nog steeds eerder dan dat van hetero’s. Geen kerkelijke autoriteit heeft zich ooit voor homo’s over die vraag gebogen; hetero’s slepen in dat opzicht tweeduizend jaar culturele ballast mee. Dat betekent: bij homo’s ligt, bij gebrek aan bestaande oudere normgeving op dit vlak, het speelveld sneller geheel open.

Dat brengt ons op het anderzijds. In de traditionele sekseverhoudingen is, simpel gesteld, de man de jager en de vrouw de prooi. De prooi moet dus aantrekkelijk ogen, de man kan zo onaantrekkelijk zijn als wat. Ook vandaag de dag zie ik als homo soms nog met verbazing hoe mooie vrouwen door uiterst onappetijtelijk ogende mannen aan de haak worden geslagen: hoe kun je in godsnaam iets zien in die vent?


Bij paarvorming tussen homomannen (ik houd me hier bij het mij bekende jachtterrein) is iederéén in beginsel een jager, en dus ook een prooi. Dat leidt tot heel ander gedrag op het jachtveld: je speelt beide rollen. Je moet je althans op beide voorbereiden, want je weet nooit welke rol je op het cruciale moment zal spelen. Iedereen moet dus kunnen jagen én voortdurend een aantrekkelijke prooi zijn.

Het is niet toevallig dat homomannen op jacht gemiddeld meer aandacht aan hun eigen uiterlijk besteden dan hetero’s. Wie zowel kip als haan kan zijn, zal bovendien automatisch minder haantjesgedrag tentoonspreiden. Niets is zo onuitstaanbaar als een heterovrijgezellenfeest, waar alle heren voortdurend als concurrenten inzake dames tegen elkaar opbieden, en zich dus omwille van hun status binnen de groep niet kunnen veroorloven om zichzelf van hun kippige zijde te laten zien.

Want jager en prooi tegelijk zijn, betekent nog iets: in theorie kunnen op het homo-jachtterrein alle aanwezigen met elkaar paren en hetzelfde met elkaar doen. Op het hetero-jachtterrein is dat niet zo. De mannen kunnen onderling niets, de vrouwen evenmin. Ervan uitgaande dat de mens van nature niet compleet monogaam is, heeft dat, zodra andere mannen het jachtveld betreden en hun oog op dezelfde prooi zouden kunnen laten vallen, één vergaande consequentie. Een hetero kan met die andere man niets beginnen, een homo wel. De instinctieve eerste reactie op een andere man verschilt dan ook. Een hetero taxeert hem op zijn risico als concurrent tijdens de jacht, een homo op zijn potentie als onverhoopte aanvulling van de eigen kudde. De duidelijkere scheiding bij homo’s tussen seks en liefde maakt dat des te makkelijker. Het resultaat kan dus zelfs zijn dat beide jagers hun gemeenschappelijke prooi laten schieten om elkaar als prooi te kiezen.


Die onduidelijke, want uitwisselbare en snel verwisselbare rolverdeling bij de aanvang heeft ook consequenties voor het vervolg: homomannenrelaties kennen veel minder ingesleten patronen, ook omdat de maatschappij dat impliciet veel minder veronderstelt. En als de buitenwacht al een op het traditionele man-vrouwschema geënte tegenstelling verwacht, is het voor diezelfde buitenwacht niet bij voorbaat vanzelfsprekend wie van beide partners welke ‘rol’ waarneemt – en wordt dus de vraag dus sneller gesteld. Bij een heterorelatie zal zo’n traditioneel denkende buitenstaander immers nooit informeren: vertel eens, wie van jullie is nu eigenlijk het mannetje en wie het vrouwtje?

Thomas von der Dunk