Een goed gesprek met Paul Haenen/Henk Krol

Mijn eerste disgenoot is Jef Rademakers, vroeger een zeer succesvol programmamaker-televisieproducent, nu een belangrijk schilderkunstverzamelaar. Zijn serie over de oude Hollandse meesters werd tentoongesteld in de Hermitage in Sint-Petersburg en is tot en met 4 juni te zien in het Haags Gemeentemuseum. Ik ken Jef vanaf zijn twintigste, in de tijd dat hij de productie deed van Waar gebeurd, een tv-programma van Gied Jaspars, Samuel Meyering en mijzelf over mensen die iets hadden meegemaakt wat niemand wilde geloven. In die tijd trokken we vrij veel met elkaar op, maar ineens was het afgelopen. Na dertig jaar, dankzij HP/De Tijd, een prettig weerzien. Locatie van het gesprek is Kasteel Withof in de woonplaats van Jef en zijn vrouw Ursula: het Belgische Brasschaat.

In welke fase van je leven bevind je je nu?

“Nou, in mijn eindfase.”

Waarom zeg je dat?

“Dat voel ik. Als je alle objectieve factoren op een rij zet, dan weet je dat ik langzamerhand het einde van mijn Latijn nader.”

Hoe oud ben je dan?

“Tweeënzestig, deze zomer.”

Johannes Heesters is nu honderdzes.

“Ik denk dat dat er voor mij niet in zit. Ik heb vroeger altijd gedacht dat ik de veertig niet zou halen, en na mijn veertigste dacht ik dat ik rond mijn zesenveertigste tot een hogere zaligheid zou worden geroepen. Want mijn vader heeft toen hij zesenveertig was echt een enorme hartaanval gekregen. Dat was voor mij een verschrikkelijk moment. Ik was er toen totaal niet aan toe om afscheid van hem te nemen, en het zag ernaar uit dat hij dood zou gaan. Hij is toen niet doodgegaan, maar ook nooit meer de oude geworden.”

Waarom was je er niet aan toe?

“Ik hield enorm veel van mijn vader. Mijn vader was een heel merkwaardige artiest. Hij miste de gemeenheid om als artiest de kop boven water te houden. Hij paste zich altijd aan. Daarbij was hij een mislukte zakenman.”

Op welk gebied was hij artiest?

“Mijn vader zong. En op het moment dat ik geboren werd, was hij clown in het Circus Van Bever. En hij schreef revues, liedjes en toneelstukken. Sommige zijn zelfs door amateurs opgevoerd. Mijn vader verzon krankzinnige dingen. Hij bedacht bijvoorbeeld dat tijdens Kerstnacht het hele marktplein van Roosendaal gevuld moest worden met engelen, een Kerstkind, kamelen en olifanten. Hij maakte daar een gigantisch draaiboek voor en schreef aan alle dierentuinen dat hij dieren nodig had en of ze op tijd in Roosendaal konden zijn. Soms ging zo’n krankzinnig plan door, maar heel vaak niet. Hij verzon ook een alternatieve Tour de France voor kinderen. Tien jaar lang reden er zevenhonderd kinderen door West-Brabant. Hij was een soort Joop van den Ende, op provinciaal niveau. Maar dan wel een die kon zingen en schrijven. Mijn vader was ambitieus, maar wel een zachte man. Ik heb meer het karakter van mijn moeder.”


Ja?

“Harder, gemener. Waarschijnlijk heb ik het daardoor wel net gered. Terwijl ik bij heel veel dingen ook dacht: ik doe wat ik doe namens mijn vader. Als het mij lukt om iets krankzinnigs voor elkaar te krijgen, ben ik stiekem ook een beetje tevreden omdat ik het voor elkaar gekregen heb namens hem.”

Hoe oud was je vader toen hij uiteindelijk overleed?

“Tweeënzeventig.”

Maar sukkelend naar zijn eind.

“Ja, daar ben ik ook heel erg bang voor. Dat wil ik ook vermijden. Mijn vader had alzheimer, en bij mij zie je genetisch alles in die richting wijzen. Het begint natuurlijk met het moeilijker formuleren, onthouden en alle fysieke dingen die daarbij horen. En bij mij zal het harder aankomen omdat ik heel veel slaapmiddelen heb geslikt.”

Nu merk je van vergeetachtigheid niks.

“Het is het kortetermijngeheugen dat grote opdonders krijgt. Ik heb jou dertig jaar niet gezien, dus daar hoef ik het kortetermijngeheugen niet voor aan te spreken; ik bedoel, het lijkt alsof we hier eergisteren nog over het leven zaten te vergaderen.”

Dat is ook wel prettig en ontroerend.

“Ja. Maar jouw vraag was: waarom denk je dat je in de eindfase bent gekomen. Nou, dat zijn de redenen. Het is mijn voorgeschiedenis, het zijn mijn genen, het is mijn drankgebruik, mijn medicijngebruik en mijn, laat ik maar zeggen, aangekondigde aftakeling, die reeds voluit heeft ingezet. Dus het enige romantische is dat je jezelf kunt wijsmaken dat je voor eeuwig zult leven. Dat er grotere dingen in het bestaan zijn. En je weet met je verstand dat het allemaal gelul is, maar daar grijp je je dan toch aan vast. En dat doe ik met de romantische schilderijen, met de literatuur, en vroeger met die televisieprogramma’s. En langzamerhand voel je dat allemaal als zand door je vingers wegglijden. Wat denk je nou van ons leven, van ons gezin? Ik had door een speling van het lot zo veel geld verdiend en toen, in een vlaag van enorme luciditeit, besloten om met die televisie op te houden. Ik had ineens zo veel tijd voor mezelf gecreëerd, dat was een wonder. Toen ben ik schilderijen gaan verzamelen. In korte tijd hadden we een heel grote verzameling, die in huis niet meer opgehangen kon worden. Dus er moest een nog groter huis komen waarin alle schilderijen opgehangen konden worden. Megalomanie. Uiteindelijk hadden we meer dan honderd schilderijen, we hadden drie poezen, we hadden drie honden, we hadden drie prachtige dochters en nu, vijftien jaar later, wat is de situatie? De poezen zijn dood, de honden zijn dood, de schilderijen hangen in het museum en de drie kinderen zijn het huis uitgevlogen. Empty nest. En jij nog vragen of ik in de eindfase van mijn leven zit.”


Maar als de leegte totaal is, kun je toch opnieuw beginnen? Toen je met televisie stopte, was er toch ook een leegte. Je krijgt toch steeds weer een opleving?

“Niet steeds. Maar dat er een leven bleek te zijn na die totale depressie waar ik in zat toen ik stopte met televisie, dat was wel een wonder.”

Stopte je met televisie omdat je in een depressie zat of kwam die depressie daarna?

“Ik stopte omdat ik me totaal ongelukkig voelde – dat alles waar mijn leven op gebaseerd was onzin was, bordkarton. Ik was bij de televisie gaan werken om beroemd te worden, om iets van mezelf kwijt te kunnen, om de mensen versteld te laten staan, om wat je bent te kunnen uiten. En het is mij heel vaak gelukt om dat in programma’s vorm te geven. Maar het was zo goed gelukt dat het een bedrijf werd. En op een gegeven moment waren er twintig mensen bezig om mijn emoties vorm te geven. En nadat dat klaar was, dachten ze: wat moeten we nu volgend jaar? Plotseling werd ik onderhandelaar met omroepbazen. Plotseling moest ik met die mensen meedrinken en meelullen. Plotseling was ik manager. En dat wilde ik niet zijn. Er kwam veel geld binnen, maar…”

Hoe lang heeft dat geduurd?

“Dat proces voltrok zich denk ik binnen één, twee jaar. Een typische midlifecrisis. Dat heeft alles te maken met het feit dat je tot en met je veertigste tegen de berg op loopt, en als je dan bovenaan staat, op je veertigste, dan wandel je verder en kijk je plotseling naar beneden, naar een zwart gat waar je onvermijdelijk in terechtkomt. En in mijn persoonlijke leven, in mijn fysieke gevoelens en in mijn beroepsleven vonden al die dingen tegelijkertijd plaats. Omdat ik een hypochonder ben, begon ineens dat dreigement van het hartinfarct van mijn vader boven mijn kop te zweven. Ik dacht: ik heb misschien nog vijf of zes jaar. Moet ik die vijf of zes jaar dan hier op kantoor rondlopen? Als baasje? Dat wilde ik niet. Maar die anderhalf jaar van niet meer willen, er niet meer in geloven, dat was een moeras waarvan ik dacht dat ik er niet uit zou komen. Daar ben ik door mijn psychiater, Jan Swinkels, uit getild. Jan zou zeggen: je tilt altijd jezelf eruit. Maar daar heeft hij een heel positieve rol in gespeeld.”


Het mooie is wel, na zo’n depressie, dat alles weer helder wordt.

“Maar het wordt nooit meer zoals het daarvóór was. De illusies die je verloren hebt, komen nooit meer terug. Je leert te leven met een dimensie minder. En daar neem je genoegen mee. Daar kun je op een gegeven moment mee vooruit. Toen Ursula – we woonden toen geloof ik een jaar of twee hier – plotseling tegen me zei: ‘Ik moet je iets zeggen, ik geloof dat je nog een keer vader wordt,’ dat was zo ongelooflijk. Ik bedoel, dat meisje, die derde dochter, die is nu dus achttien. Dat heb ik ongeveer het allerleukst en het allerbelangrijkst gevonden van de afgelopen twintig jaar. En dat heeft me ook behoorlijk op de been gehouden. Maar het is ook heel vreemd om een kind te krijgen en groot te brengen op het moment dat je zelf de grote illusies van je leven verloren hebt. Dat is een fundamenteel verschil. Als je als twintigjarige of dertigjarige vader wordt en je denkt dat het leven eindeloos is en als je, in mijn geval, op je vijfenveertigste weer vader wordt, dat is heel merkwaardig. Je denkt zelfs dat je soms je kind een zekere naïviteit onthoudt. Die er vroeger wel in zat, en nu niet meer.”

Maar daar komt toch iets anders voor in de plaats?

“Ja, maar dat had voor mij allemaal nooit gehoeven, Paul. Ik had gewild dat de illusies nooit verloren waren gegaan, dat we altijd dertig waren gebleven. Dat we steeds waren blijven geloven in die stomme dingen van toen.”

Daar geloof je niet meer in?

“Nee. Maar ik heb nu een truc. Ik heb bijna wetenschappelijk uitgevlooide strategieën ontwikkeld om mezelf op de been te houden. Ik weet dat de harde realiteit is dat ik binnenkort onder de groene zoden lig. Ik weet dat jij daar ook naartoe gaat. Ik weet dat zelfs bij mijn geliefde kinderen uiteindelijk alles voorbij is. Ik weet ook dat van de toekomst niets, maar dan ook niets goeds te verwachten is. Maar ik heb ontdekt dat je het vol kunt houden als je jezelf voor de gek houdt. Als je jezelf een rad voor ogen draait. De illusies die je verloren hebt, moet je zelf dus opnieuw creëren. En dat doe ik in mijn geval met die romantische schilderijen, die alleen maar idealiseringen zijn. Van het huiselijk geluk, van het landschap, van de natuur. Al die dingen die we vroeger zoetsappig, lullig en truttig vonden, die cultiveer ik nu. En die dingen kunnen mij tot in het hart raken en troost geven. Net zo goed als de liefde, net zo goed als de drank, en net zo goed als mijn slaappillen. Die geven een soort roes, een soort illusie. En met die illusie houd je het vol. En als dat niet meer gaat, dan houd ik er mee op.”


Hoe dan?

“Nou, zo’n beetje als Hugo Claus, denk ik. Maar in elk geval niet zoals mijn vader de laatste tien jaar van zijn leven, zo melancholisch, zo troosteloos. Alzheimerpatiënten kunnen ook heel bang zijn. Mijn vader ging zijn leven lang naar het café. Als er één weg was die mijn vader kende, dan was het die naar het café. En zo tragisch: mijn vader vertrok van huis op weg naar het café dat vijftig meter verder was, en na twintig meter wist hij niet meer waar hij naar op weg was. Stond hij gewoon op een straathoek. En in een provincieplaats is er altijd wel iemand die na een half uur denkt: hé, Toon staat er nog steeds. We zullen hem maar naar huis brengen.

“Kijk, daar heb ik geen zin in. Ik wil ook niet in een bejaardenhuis. Ik ben totaal tot kunstgrepen bereid, romantische kunst, betaalde liefde, dure drank. Het liefst omringd door een liefdevolle vrouw, kinderen en kleinkinderen. Die er dus niet zijn, kleinkinderen. Een van mijn gedichten eindigt met de zin: ‘Achter in de tuin wacht de schommel zwijgend op kleinkinderen’.”

Maar daar wordt nog aan gewerkt?

“Ik geef voldoende adviezen ter zake. Nee, ik geloof niet dat daar hard werk van gemaakt wordt. Nee, de meisjes maken carrière.”

Dan heb je toch nog iets om over te dromen: kleinkinderen.

“Ja, dat zou wat zijn, hè? Ik denk, als ik kleinkinderen krijg, als mij dat overkomt, dan zijn Nederland en België meteen van me af. Dan kunnen ze alle romans, gedichten en tentoonstellingen in hun reet steken. Dan ga ik voor de kleinkinderen zorgen.”

Kasteel Withof is een heel speciaal restaurant. Jef zegt: “Dit restaurant is ooit opgericht om het sterrenrestaurant van Noord-Antwerpen te worden. Bedoeld om al die rijke Nederlanders die in Brasschaat zijn neergestreken de gelegenheid te geven om hun geld waanzinnig over de balk te gooien. En toen dit restaurant opende, lukte dat ook meteen. Het is in een prachtig kasteel gevestigd en er is heel veel geld in de inrichting gestoken. En het heeft een van de allermooiste wijnkelders die bij een restaurant te bedenken zijn. Maar ja, toen kwam de crisis. Een heleboel mensen hadden geen trek meer om negenhonderd euro te betalen voor een gezellig tte-à-tte. En toen hebben ze het gesloten. Maar sinds zeer kort is het dus weer open.”


We zijn na afloop behoorlijk tevreden over het eten en de bediening; alleen is de prijs voor wat je krijgt wat aan de hoge kant. Een lunchmenu voor 35 euro gaat nog wel, maar het dinermenu voor 68 euro is echt wat te duur. Ik ga niet beschrijven wat we gegeten hebben, want dat interesseert u waarschijnlijk niet. De foto’s spreken boekdelen. Kasteel Withof krijgt van ons zeven van de tien HP’tjes.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import aan tafel