Gevallen meisjes

Onder ouders van jonge kinderen heerst groeiende weerzin tegen consultatiebureaubezoek. Ze hebben het gevoel het beklaagdenbankje te betreden. Dat komt door de indringende vragenlijsten die ze moeten invullen en soms ook door een dienstdoende official, die in een gesprekje over huilerigheid ineens vraagt: “Bent u weleens zo boos op uw kind dat u uw zelfbeheersing verliest?” Dit peilen en poken is gericht op het bijtijds boven water krijgen van kindermishandeling en kindermisbruik, een nobel preventiedoel vanzelfsprekend, maar ik kan me goed voorstellen dat ouders dit beledigend vinden en er ook een beetje schichtig van worden. Het is irritant om bij voorbaat al verdachte te zijn. Het screenen van kinderen gebeurt zonder aanzien des persoons, het is een bureaucratische procedure die nu eenmaal moet worden doorlopen, omdat de overheid zich ten doel heeft gesteld kinderen met problemen eerder op te sporen.

Voor individuele ouders is de bureaucratische blindheid die van ieder kind een potentieel slachtoffer maakt en van alle ouders potentiële daders onverdraaglijk. Hoe gevoeliger het onderwerp, hoe meer weerstand een generaliserende, alles-over-een-kam-benadering oproept. Vorige week ging de EO er vol tegenaan met twee tv-programma’s over de problematiek van de jeugdprostitutie en hoe je je hiertegen teweer kunt stellen. In het eerste programma passeerde ene Amber de revue, een voor de gelegenheid gemaskerd meisje dat zich, zodra ze achttien was (en dus minderjarige af), had aangemeld als sekswerkster in een bordeel en daar zakken geld mee verdiende. Ook kwam er een jongen aan het woord die zichzelf als sekspartner had verhuurd aan oudere homo’s op parkeerplaatsen, maar daar nu spijt van had.

Op de toon van het programma viel niets aan te merken. Er was geen sprake van morele verontwaardiging of zwaaien met christelijke vingertjes, eerder van journalistieke nieuwsgierigheid met op z’n tijd een toefje medeleven, waarbij de geïnterviewden volstrekt in hun waarde werden gelaten. Toch is die welwillende tolerantie ook een beetje raar. Alsof jeugdprostitutie gewoon tot de vele levenstegenslagen behoort die iemand kunnen overkomen, iets onfortuinlijks wat door het verspreiden van informatie erover kan worden tegengegaan, zoals reclame voor zonnebrandcrème huidverbranding kan voorkomen.

De dag daarna ging het over loverboys, en daar werd nog zwaarder geschut in stelling gebracht. Er waren de schrijnende wederwaardigheden van meisjes die jarenlang tot prostitutie waren gedwongen en eindelijk de kracht vonden om zich daaraan te ontworstelen, hulpverleners die waarschuwden voor onbesuisd internetgedrag van jongeren, iemand die swingende cursussen seksuele weerbaarheid voor middelbare scholieren gaf, zelfs een spannende reportage over het ontmoeten van een mogelijke loverboy (moet zijn: pooier) door middel van een geënsceneerd lokprofiel.


Allemaal goedbedoelde voorlichting, monter gebracht, en natuurlijk is elk meisje dat erin slaagt om weg te blijven uit de klauwen van pooiers er één, dus in die zin onttrekt dit soort op preventie gerichte programma’s zich aan kritiek. Toch stoort mij de onuitgesproken aanname achter de campagne, namelijk dat jeugdprostitutie een normaal risico is waar alle jongeren aan blootstaan en dat op afstand kan worden gehouden met simpele maatregelen als niet chatten met onbekenden en weet hebben van je eigen zwakheden. Maar 95 procent van de tienermeisjes loopt niet het minste prostitutiegevaar! Zodra er sprake is van tienerprostitutie, kun je ervan uitgaan dat er al veel eerder op vele andere fronten van alles mis is gegaan.

De risicodoelgroep van bedreigde meisjes is minuscuul en zit zo zwaar in de ellende dat voorlichting er niets uitricht. De rest van de kijkers heeft geen preventie nodig. Totaaleffect: nul. Maakt niet uit. Als de bedoeling maar eerzaam is. Net als op het consultatiebureau.

import beatrijs ritsema