Goede raad is (te) duur

Advocaten vragen forse honoraria, en vinden dat doorgaans terecht. Maar het systeem van uurtje-factuurtje ligt onder vuur. Dat werd tijd, menen deskundigen. Over de opmars van de Aldi en de EasyJet van de advocatuur.

We schrijven 2009. Anja de Jong bevestigt een hangmat aan een van de pilaren van het huis dat ze met haar man bewoont. Als ze daar in gaat liggen, breekt de pilaar. Ze komt uiterst ongelukkig neer en loopt een dwarslaesie op. De rest van haar leven is ze deels arbeidsongeschikt. De schade loopt in de tonnen. De vrouw informeert bij haar rechtsbijstandsverzekering of die ergens te verhalen is. “Maar vanuit de rechtsbijstand werd de zaak snel, zeg maar gerust meteen, afgeketst,” zegt ze. Het zou een kansloze missie zijn: het was immers een ongeluk, en nog wel op eigen bodem. De zaak eens goed laten bekijken door een advocaat, lijkt De Jong geen optie. “Dat was niet te betalen.”

Daar zit wat in. Volgens berekeningen van de stichting XS2Justice bedraagt het gemiddelde uurtarief van de Nederlandse advocaten momenteel 219 euro. De beroepsgroep zelf, verenigd in de Orde van Advocaten (OvA) houdt het op ongeveer 175 euro. Maar zelfs als dat klopt, is de gang naar een advocaat voor een particulier of een kleine ondernemer eng. Vanwege het gangbare systeem van uurtje-factuurtje is namelijk volkomen onduidelijk hoe hoog de rekening zal oplopen. Om nog maar te zwijgen van de ongewisse afloop. Een advocaat kan de kantjes ervan aflopen of gewoon heel slecht zijn. Bovendien is hij financieel niet gebaat bij een snelle afwikkeling, maar juist bij een zaak die veel uren vergt. Een weinig geruststellend gevoel voor een leek die hulp zoekt.

Dus ging Anja de Jong niet naar een advocaat. Jammer voor haar, maar ook voor de beroepsgroep. Want veel potentiële particuliere zaken blijven liggen. Voor kleine en middelgrote ondernemers geldt hetzelfde. Volgens een schatting van MKB- Nederland hebben ongeveer 600.000 Nederlandse ondernemingen de advocatuur min of meer opgegeven als ‘te duur’ en ‘zakkenvullers’.


De hoge tarieven hebben ook met de starheid van het Nederlandse systeem te maken. Er zijn in Nederland ruim 16.000 advocaten. Vijf- à zeshonderd van hen zijn strafrechtspecialisten. Zij vormen een eigen eiland met een eigen rangorde, een eigen doelgroep en bijbehorende marketingwetten. De strafrechtadvocaat moet het hebben van drie dingen: gepubliceerde resultaten, imago onder de criminele doelgroep (vandaar de grachtenpanden en de tv-optredens) en mond-tot-mondreclame in de bajes.

Iedereen die een echtgenoot, een buurman, een bedrijf of een ondernemer voor de rechter wil dagen, kan kiezen uit de overige grofweg 15.500 mensen in de beroepsgroep die civiele zaken behandelen. Die vormt een redelijk gesloten circuit, dat de toegangsdrempel zelf hoog heeft opgetrokken. Wie met succes een rechtenstudie heeft afgerond, mag zich wel jurist, maar geen advocaat noemen. Daar is nog eens drie jaar studeren en werken als advocaat-stagiair voor nodig. Iedere advocaat is aangesloten bij de Orde, die bijna zonder inmenging van buiten de regels voor de advocatuur bepaalt en bijvoorbeeld ook zelf het tuchtrecht verzorgt als er klachten zijn.

Bovendien heeft de advocaat een monopolie. Een particulier, zelf jurist, mag een zaak niet zomaar aanhangig maken bij de rechtbank. Gaat het geschil over meer dan 5000 euro, dan kan alleen een advocaat dat doen. Dat ‘procesmonopolie’ maakt dat de gemiddelde ondernemer bij een zakelijk geschil wel een advocaat in de arm móet nemen. Die raadsman of -vrouw wordt per uur betaald en kan redelijk summier en in voor leken ingewikkelde taal aangeven waaraan die uren zijn besteed. Zo is het nu eenmaal altijd gegaan: de cliënt moest er maar op vertrouwen dat hij goed werd bijgestaan. En omdat de meeste particulieren en ondernemers slechts een enkele keer een advocaat nodig hebben, kunnen ze de kwaliteit totaal niet in-schatten.


Arno Akkermans, hoogleraar privaatrecht aan de Vrije Universiteit: “Consumenten kunnen de kwaliteit van juridische dienstverlening niet of nauwelijks kan beoordelen. Dat maakt dat er maar zeer beperkt commerciële prikkels zijn om kwaliteit te leveren. Er zijn vooralsnog ook geen toegankelijke rankings of andere manieren waarop een consument kan voorkomen dat hij een kat in de zak koopt. Vroeg of laat gaat het dan onherroepelijk fout, zou ik zeggen.”

Echt serieuze alternatieven zijn er niet. Het aantal mensen met een rechts-bijstandsverzekering is de afgelopen decennia enorm gestegen: ongeveer veertig procent van alle gezinnen heeft er een à raison van doorgaans zo’n 25 euro per maand. Maar bij deze verzekeringen werken vrijwel uitsluitend juristen en ‘juridische hulpverleners’, een titel die iedere rechtenstudent zich mag aanmeten.

De verzekeraars sluiten veel rechts-gebieden uit; ongeveer vijftien procent van de hulpvragen wordt niet in behandeling genomen. Op het gebied van familierecht – denk aan scheidingen – doen ze doorgaans bijvoorbeeld niets.

Klagers kunnen nergens heen. Want omdat de rechtsbijstandverzekeraar geen advocaat is, maakt hij volgens de strakke juridische visie geen deel uit van de rechtspraak. Daarmee valt hij niet onder het ministerie van Justitie – en dus ook niet onder het tuchtrecht.

Voor eenvoudige juridische geschillen die nooit naar de rechtszaal gaan, kan een verzekering uitkomst bieden. Maar uit onderzoek is gebleken dat de gemiddelde klant eens per zeven jaar juridische hulp nodig heeft. Dan bedragen de kosten voor het oplossen van dat ene akkefietje dus 84 keer de maandpremie. Bovendien kan de verzekeraar dus niet voor een klant naar de rechter stappen, tenzij extern een advocaat wordt ingehuurd. Voor de gevallen waarin dat moet, worden meestal ‘kwantumdeals’ afgesloten met vaste kantoren, zodat de cliënt niet zelf een advocaat kan kiezen.


Dat de advocaten dit systeem zo lang overeind hebben gehouden, heeft naast het procesmonopolie nog een paar oorzaken. Zo was er lange tijd veel schaarste. Dertig jaar geleden waren in Nederland nog maar zo’n drieduizend advocaten actief, 13.000 minder dan nu. Door het gesloten systeem – letterlijk álle advocaten maken deel uit van dezelfde Orde – was er weinig behoefte aan veranderingen. En de politiek liet dat toe door geen onafhankelijke toezichthouder in het leven te roepen, de ‘5000 euro-grens’ niet aan te passen en een alternatief als no cure, no pay volledig te verbieden.

Al sinds 2004 gaan er zelfs binnen de advocatuur zelf stemmen op met no cure, no pay te gaan experimenteren, maar oud-minister Piet Hein Donner was er altijd principieel op tegen. Volgens hem zou het de onafhankelijkheid van de advocaat in de weg zitten. Die zou zelf eigenlijk partij worden in het geschil. Het gevreesde resultaat, zoals Donner keer op keer uitlegde in antwoorden op Kamervragen, was dat de advocaat dan alleen nog ‘kansrijke zaken en zaken met een groot financieel belang aanneemt’.

Voor die zienswijze valt wat te zeggen, maar advocaten wijzen er op dat het ook andersom werkt: allerlei moeilijke zaken komen nu nooit voor de rechter omdat de benadeelde partij niet met een uur-factuur-advocaat in zee durft.

De enige tak van sport die al volop op basis van no cure, no pay werkt, is de letselschade. Dat kan gek genoeg omdat een klant daar formeel geen advocaat om hulp vraagt, maar een letselschadebureau waar juristen in dienst zijn. Ook daar geldt dus: geen onderdeel van de rechtspraak en geen regels van het ministerie van Justitie. Het gevolg: een ongelimiteerde inzet van no cure, no pay, een hoop kaf tussen het koren en onverbloemde ergernis bij ‘gewone’ advocaten: wíllen we een keer wat nieuws proberen, mag het weer niet.


De sterke aanwas van jonge advocaten lijkt echter voor een langzame mentaliteitsverandering te zorgen. Leidden woorden als ‘marketing’, ‘aanbieding’ en ‘fixed fee’ vijftien jaar geleden nog tot hoon in de branche, sinds ongeveer 2004 zijn er heel wat initiatieven geweest om betaalbare advocaten aan de man te brengen. Later dan andere beroepsgroepen heeft de advocatuur internet als potentieel afzet-kanaal ontdekt. Wie nu in Nederland goedkope advocaten wil aanbieden, zal dan ook moeite hebben een aardige domeinnaam te vinden. Goedkopeadvocaat.com is al verkocht. Voor Budgetadvocaat.nl geldt hetzelfde. Ook Betaalbareadvocaten.nl is al vergeven. En ook als u bedenkt dat Advocatenhotline.nl, Easylawyer.com of zelfs Easy-echtscheiding.nl wel catchy klinkt, is iemand u al voor geweest.

De Aldi en de EasyJet van de advocatuur lijken nu dus toch te bestaan, maar een kritische blik op de bijbehorende sites stemt weinig hoopvol. Betaalbareadvocaten.nl bestaat uit welgeteld één pagina, waarop staat dat de volslagen anonieme raadslieden van deze site genoegen nemen met 150 euro per uur, en een reactieformulier. Op Goedkopeadvocaat.com staan exact tien woorden: ‘Goedkope Advocaat. Zoek een advocatenkantoor in Amsterdam – Den Haag – Rotterdam – Utrecht.’ Het lijkt meer een vrijblijvend advies dan een service, want doorklikken kan op deze pagina helemaal niet. Maar nog altijd is het meer dan wat Budgetadvocaat.nl biedt. Die site is namelijk permanent uit de lucht, ‘wegens onderhoud’.

Veel ideeën en initiatieven dus, maar ze lijken doorgaans weinig succesvol. Juridische hulp is gewoon te ingewikkeld voor een budgetjasje, zo lijkt het. Pionier op het gebied van betaalbare juridische hulp was ooit – ja, er mag gelachen worden om de naam, hij is het wel gewend – advocaat Michiel Goedkoop. Hij startte zes jaar geleden de site Easylawyer.nl. “Ik probeerde met een laag instaptarief de grotere middengroepen toegang te bieden,” vertelt hij. “De gedachte is dat een advocatenkantoor het werk aan kan bieden tegen een half tarief. Jonge advocaten doen dan het werk, onder toezicht van de senior.”


Klinkt logisch, maar zes jaar later werkt Goedkoop toch weer in een gewoon kantoor, voor het volle tarief. Easylawyer trok de verkeerde klanten, zegt hij. “Mensen die niets wilden betalen. Vaak speelde dommigheid een rol, maar ook voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Zelfs het halve tarief was te veel – de overheid moest alles maar betalen. Gelet op de hoge kosten voor Adwords van Google (waardoor je bij zoekopdrachten eerder komt bovendrijven – red.) zijn we hiermee gestopt.”

Met Easylawyer.com, dat nog wel bestaat, heeft hij niets te maken. Goedkoop is klaar met de budgetadvocatuur. “Ik ben op zoek geweest naar mogelijkheden om voor een breed publiek de toegang tot de advocatuur te vergroten. De tarieven zijn hoog voor particulieren. Maar na 32 jaar weet ik ook dat de tarieven die een gemiddeld kantoor berekent redelijk zijn en in overeenstemming met de hoge kosten aan personeel, opleiding, automatisering en kantoren. Wil je kwaliteit kunnen leveren, dan kan het niet goedkoper. Een eenpitter die vanuit de zolderkamer werkt kost minder, maar kwaliteit is dan vaak ver te zoeken.”

Tussen al die losers op het net beginnen zich ook de eerste blijvers af te tekenen. Het zijn met name enkele sites en telefoonlijnen die klanten tegen een kleine vergoeding zelf helpen met eerstelijns juridisch advies en daarnaast kortingen voor hen bedingen bij advocaten. Ze lossen de zaken dus niet intern op, zoals de rechtsbijstandsverzekeringen, en hebben geen probleem met het inschakelen van een advocaat omdat die niet op hun eigen begroting drukt. Klanten betalen zo’n vijftig euro per jaar aan lidmaatschap en krijgen doorgaans tien tot vijftien procent korting bij een advocaat. Dat is vrij snel terugverdiend.


Die formule lijkt dan ook aardig te werken. De bekendste uitvoerders zijn de Jurofoon (jurofoon.nl) en XS2justice.nl. Met name directeur Rob van Rooij van XS2Justice, dat zich vooral richt op kleine ondernemers, pleitte de afgelopen jaren veelvuldig voor meer transparantie, meer marktwerking en andere deals tussen advocaten en hun klanten. Hij ziet de praktische oplossingen vooral in aanbesteding en in fixed fees, zoals die in andere landen met een liberalere markt al veel gebruikelijker zijn. “In de praktijk wordt juridisch werk steeds vaker aanbesteed. In een biedronde is het kantoor dat de laagste fixed fee biedt vaak ook het meest geschikte kantoor voor de job. Zij denken de klus immers snel te kunnen klaren vanuit de beschikbare stukken uit eerdere vergelijkbare zaken en hun parate kennis. De advocaat exploiteert dan zijn vaardigheid in plaats van zijn uren, hetgeen hem per saldo zelfs meer op kan leveren.”

Een nieuw initiatief is De Nationale Advocatenlijn, waar klanten via mail of telefoon een antwoord op een juridische vraag kunnen krijgen. Volgens de eigen site beschikt de dienst over een netwerk van ‘meer dan duizend topadvocaten’, een bewering die bij menigeen argwaan wekt. Advocaat Michiel Goedkoop: “Er zíjn geen duizend topadvocaten.” Hoogleraar Akkermans: “Bovendien: een topadvocaat kost al snel 400 euro per uur, of veel meer.”

Directeur Marcel Muijtjens legt desgevraagd uit dat de advocaten voornamelijk werkzaam zijn bij middelgrote kantoren door het hele land. Het moet gezegd: op een testvraag, anoniem per mail ingediend, komt binnen enkele uren een adequaat antwoord. De mail komt van een jonge advocate van een Hilversums kantoor. Ze valt niet onder enige definitie van ‘topadvocaten’, maar voor vijftien euro levert ze wel.


Waarom doet haar kantoor mee? Hoewel De Nationale Advocatenlijn een IT-netwerk is en hij zelf geen jurist, verwoordt Muijtjens het wel erg formeel: “De aangesloten advocatenkantoren nemen graag deel aan dit initiatief omdat zij niet alleen het voorzien in de kwalitatieve eerstelijnsrechtsbijstand tot hun taak rekenen, maar ook verwachten dat zij in voorkomende gevallen aan rechtzoekenden nadere rechtsbijstand kunnen verlenen onder nader af te spreken marktconforme voorwaarden. Met andere woorden: de aangeslotenadvocatenkantoren verwachten middels dit initiatief nieuwe opdrachten te verkrijgen.”

Juist. Beide partijen hebben dus primair een financiële prikkel. Voor de advocaten liggen geen eindeloze uren werk tegen een laag tarief in het vooruitzicht, maar korte opdrachtjes, hopelijk gevolgd door nieuwe klanten die gewoon het volle pond betalen. Die klanten durven dat aan omdat ze een goedkope eerste screening hebben kunnen maken. Het zou nog kunnen werken ook.

Toch blijft een advocaat inschakelen een risico. Zelfs via dit soort bemiddelaars zakken de tarieven vrijwel nooit onder de 125 euro per uur. Dat wordt gezien als de reële ondergrens.

Zo gek is het niet eens. Een advocaat studeert op een jaar na even lang als een chirurg, die beduidend meer verdient. Bovendien werkt grofweg op iedere advocaat gemiddeld ook één ondersteunend personeelslid op een kantoor. En dan zijn er nog de voortdurende bijscholing, de pro deo-zaken en de onfactureerbare uren.

Zou het dan toch niet verstandig zijn no cure, no pay onder bepaalde voorwaarden in te voeren? Hoogleraar Akkermans wil er wel over nadenken. Hij omschrijft het onderscheid tussen advocaten en andere juridische adviseurs als ‘irrationeel’.


Freek Schultz, directeur van de Pals Groep, de marktleider op het gebied van letselschade, pleit zeker voor een verruiming van de mogelijkheden van no cure, no pay. Dat het geen wondermiddel is, beaamt hij direct. “Als de aansprakelijkheid erkend is, moet je er helemaal niet aan beginnen. Maar als je nou een probleem krijgt, bijvoorbeeld omdat de verzekeraar stopt met betalen, dan bieden we het wel aan. En er zijn zaken die onduidelijk zijn – daarvoor moet je naar de rechter, soms zelfs tot aan de Hoge Raad.”

Volgens Schultz onderschat de juridische wereld hoeveel jurisprudentie no cure, no pay creëert. Hij noemt een aantal arresten van de Hoge Raad die van belang zijn geweest voor de Nederlandse rechtspraak. Eén ervan is zeer recent: het Hangmat-arrest.

Anja de Jong, de vrouw met de dwarslaesie, wendde zich tot de Pals Groep, trof een no-cure-no-payregeling en kreeg uiteindelijk gelijk bij de Hoge Raad. Die bepaalde dat ze de helft van de schade kon verhalen op (de verzekering van) haar man, omdat ook hij voor vijftig procent eigenaar is van het huis. Een zaak met zo’n totaal onzekere afloop, daar begin je niet aan op basis van uurtje-factuurtje.

“De no-cure-no-paymethode heeft in mijn geval heel goed gewerkt,” zegt De Jong. “Zeker omdat er geen sprake is van schuld. Als wij zelf de kosten van de advocaat hadden moeten betalen, waren we niet aan dit traject begonnen.”

Na de mondige burgers en de nieuwe juridische initiatieven lijkt het woord nu aan de politiek. Ook daar is een voorzichtige beweging te zien. Onder oud-minister Ernst Hirsch Ballin is een voorstel tot stand gekomen om het procesmonopolie op te schuiven. In dit voorstel, waarover de Eerste Kamer binnenkort beslist, zijn advocaten pas vereist als het in een civiele zaak gaat over meer dan 25.000 euro in plaats van de huidige 5000.


En de nieuwe minster van Veiligheid en Justitie, Ivo Opstelten, heeft in enkele andere kwesties al bewezen dat de belangen van de advocatuur hem bepaald niet heilig zijn. Of het ‘njet’ van Donner aangaande no cure, no pay overeind blijft, valt zeer te bezien.

Elk jaar, in maart, verschijnt het rapport De Stand van de advocatuur. De editie van 2010 werd gepresenteerd door Saskia Stuiveling, vicevoorzitter van de Raad van Advies van de Orde van Advocaten. Ze schudde de beroepsgroep hardhandig wakker. “Uw ambt brengt verantwoordelijkheid mee, ook in termen van toegankelijkheid,” vertelde ze haar toehoorders. En over het leveren van aantoonbare kwaliteit: “Daar is nog een wereld te winnen. En ik denk dat u daar zelf mee moet beginnen, anders krijgt u de veranderingen opgedrongen. De cruciale vraag is: wilt u zelf de baas zijn van veranderingen?”

Naar het rapport van 2011 wordt binnen de advocatuur uitgekeken. Met enige angst, dat wel.

Peter Smolders