‘Ik wilde punten scoren bij God’

Naema Tahir (40) is auteur, jurist en columnist bij Buitenhof. De laatste jaren bracht ze veel tijd door achter haar schrijftafel. Haar vijfde roman, Bruid van de dood, ligt vanaf deze week in de winkel. ‘Wat me drijft is iets tussen ziekte en roeping.’

Hafid Bouazza uitte onlangs in dit blad zijn pessimisme over de mentaliteit van moslima’s. Volgens hem laten ze zich onderdrukken en zal dat nooit veranderen. Hoe ziet u de toekomst van moslimvrouwen in Nederland?

“Welke positie een moslima ook inneemt, ze zal altijd meer voorbeelden, kennis en geld hebben dan haar moeder. Maar niet alle moslimvrouwen slagen erin zich te emanciperen. Er is een grote, kwetsbare groep. De groep van moslima’s die zich wél emancipeert, kent twee grote stromingen. Aan de ene kant heb je de seculiere moslima, die zich openstelt voor de maatschappij. Aan de andere kant zijn er veel vrouwen die zich emanciperen via de islam en zoeken naar een vrouwvriendelijke interpretatie van de Koran. Dit zijn de vrouwen die zeggen dat de hoofddoek geen beperking is, maar vrijheid geeft. Bij deze groep wil ik wel een kanttekening plaatsen. Vaak gaan deze vrouwen sektarisch denken; alsof je je alleen kunt emanciperen via de islam. Ze sluiten hun ogen voor seculiere emancipatie en willen niet leren van westerse vrouwen.”

Is de huidige generatie moslima’s de eerste die zélf de koranverzen interpreteert?

“Het is inderdaad een modern fenomeen dat moslima’s zelfstandig de Koran lezen. Voor het eerst gaan ze massaal zelf lezen, interpreteren en uitzoeken wat hun rechten en plichten zijn.”

Daar zullen hun vaders en echtgenoten niet blij mee zijn.

“Mannen hebben een interpretatie-geschiedenis achter zich van eeuwen, waardoor ze sterk staan. Alle geleerden waren mannen, alle religieuze scholen zijn door mannen gesticht. Het gaat om een interpretatie die al eeuwen wordt gevolgd en dus grote legitimiteit heeft. Sinds ongeveer het jaar 1000 zit er weinig marge meer in. Vrouwen bevinden zich hierdoor in een zwakke positie. Ze hebben nauwelijks religieuze backing, alleen zusterlijke troost. Vandaar dat alleen de mondige, moedige en intelligente vrouwen zich kunnen emanciperen via de Koran.”


Bent u een van die vrouwen?

“Nee, ik reken mezelf tot de seculiere moslima’s. Ik heb me niet via de Koran geëmancipeerd. Mijn vader spoorde me aan om mezelf intellectueel te ontwikkelen en economisch op eigen benen te staan. Hij zag Margaret Thatcher als een voorbeeld voor mij.”

Als adolescent zocht u uw heil toch op een fanatieke manier in de islam. Waarom?

“Op mijn zestiende kwam ik uit Pakistan naar Nederland. Ik ging naar een witte school. Voor het eerst wist ik niet wie ik was. Ik vond het een zonde om met jongens om te gaan, werd gepest en voelde me nergens thuis. Wel voelde ik me thuis als moslim. Ik werd heel vroom: tv kijken deed ik niet, als mijn zusjes over iemand praatten, vond ik dat verwerpelijk geroddel en ik bad zeven keer per dag in plaats van vijf.

“Het was een prettige fase. Het gaf me houvast, duidelijkheid en een ritme in de dag. Het lukte me niet om Pakistaanse te zijn, wat mijn ouders graag wilden. En het lukte me ook niet om Hollands te zijn, zoals mijn klas wilde. Een goede moslima zijn kon ik wel. De hiërarchie binnen het gezin – met mijn vader aan het hoofd – bleef intact, maar ik voelde me rechtschapen. Ik had God in plaats van een nationaliteit aan mijn kant. Bovendien wilde ik vroomheidspunten scoren bij God, om maar zo snel mogelijk naar de hemel te kunnen gaan. Dat was mijn doel.”

Verlangde u net als de hoofdpersoon in uw nieuwe roman naar een martelaarsdood?

“Nee. Ook door vroomheid kom je volgens de islam snel en op een goede plek in het paradijs, aanzittend aan de maaltijd bij de profeet.”

Wat kwam er voor uw religieuze toewijding in de plaats?


“Mijn tweede fase stond in het teken van de Nederlandse identiteit. Ik had een bobkapsel, een Leids accent en droeg mantelpakjes. Ik ging naar ballet – niet omdat ik het leuk vond, maar omdat het zo hoorde. Ik las over het poldermodel en Van Oldenbarnevelt en dacht: dit is míjn geschiedenis. Toch werkte ook dit op den duur niet, want ik ben nu eenmaal niet honderd procent Nederlander. Gaandeweg werd talent voor mij belangrijker dan identiteit. Ik ben nu veertig en rustiger. Ik ben wie ik ben. Bij mij hoort een complexe identiteit. Overigens vind ik kwaliteit nog altijd belangrijker dan identiteit.”

In uw roman Bruid van de dood worstelt de Pakistaanse puber Sophia, die met haar ouders in Nederland woont, ook met haar identiteit. Ze vergelijkt zichzelf met de kleine zeemeermin, ‘levend in haar eigen wereld, maar lonkend naar een andere’.

“Ze is opgevoed alsof de islam en haar vader de zon zijn waar alles omheen draait. Sophia twijfelt hieraan en lonkt naar de westerse wereld. Ze maakt zich met moeite los van het beeld waarmee ze is opgevoed. De roman laat zien met hoeveel innerlijke strijd dat gepaard gaat.”

Sophia ziet zich geplaatst voor een enorm dilemma: trouwen met haar Pakistaanse neef in Londen of weigeren, in de wetenschap dat ze haar ouders hiermee tot op het bot zal kwetsen.

“Mijn roman analyseert de oosterse visie op het huwelijk. Veel mensen denken dat dat een gedwongen huwelijk is. Meestal gaat het echter niet om dwang, maar om sociale druk. Sophia groeit op in het Westen en wil vrij zijn om zelf een huwelijkspartner te kiezen. Maar tegelijkertijd wil ze haar ouders niet kwetsen. Met dit boek wilde ik die struggle invoelbaar maken. Het gaat om loyaliteit versus durf. Sophia wordt gaandeweg dapperder in de roman. Ze bestudeert de mensenrechten en de Koran om een legitimatie te vinden om haar huwelijk te ontlopen. Zij bewandelt dus beide paden van de emancipatie.”


“Liefde, Sophia,” zegt haar moeder, “is iets uit boeken. Het is niet belangrijk. In onze cultuur is een huwelijk bedoeld voor de familie. Wij gooien het niet te grabbel aan de liefde.” Wat vindt u daarvan?

“Een liefdeloos huwelijk is verschrikkelijk. De opmerking van Sophia’s moeder is begrijpelijk in de context van grote armoede en bestaansonzekerheid waarin liefde een luxe is. Maar dat station zijn we gelukkig gepasseerd. Er zitten overigens wel positieve kanten aan gearrangeerde huwelijken.”

Zoals?

“Om te beginnen zijn gearrangeerde huwelijken geen gedwongen huwelijken. Een voordeel bij een gearrangeerd huwelijk is dat een hele groep betrokken wordt bij de beslissing wie jouw partner wordt. Die groep geeft advies, wat makkelijker is omdat zij niet verliefd is. De valkuil hierbij is dat mensen in hun advies hun eigenbelang voorop kunnen stellen en hun invloed misbruiken. Een tweede voordeel is dat een kind leert om niet alleen naar de liefde te kijken, maar ook naar andere aspecten. Samenleven is communiceren, afstemmen, elkaar stimuleren. De valkuil hierbij is dat er vooral wordt gekeken naar compatibiliteit, en dat de liefde niet meer telt. Zo ontstaan liefdeloze huwelijken waarin verder alles goed loopt. Gearrangeerde huwelijken komen in het Westen trouwens ook voor, alleen zijn de mechanismen subtieler. Kinderen worden in bepaalde kringen en richtingen opgevoed zodat ze een sociaal acceptabele partner kunnen selecteren.”

Op uw 27ste weigerde u een gearrangeerde verloving met een Pakistaanse man, met als gevolg dat het contact met uw familie werd verstoord. U koos voor de liefde en trouwde met een Nederlander.

“Trouwen is de meest fundamentele keuze in je leven. Ik dacht: als ik dat weggeef, ben ik niet autonoom. Ik ben in het Westen opgegroeid en had die man nog nooit ontmoet. De formaliteit wekte weerzin bij me op. Ik heb er geen spijt van, maar het was een struggle. Veel islamitische meisjes maken die worsteling mee. In mijn boek heb ik dat uitvergroot.”


Bruid van de Dood eindigt met een ongezouten nawoord waarin u benadrukt dat uw boek geen autobiografie is. Was u het zo zat dat journalisten altijd vragen of uw werk autobiografisch is?

“Veel mensen denken dat romans autobiografisch zijn. Bruid van de dood bevat autobiografische elementen, maar gaat niet om een individueel geval. En zeker niet om mij. Sophia is een archetype, net als haar vader. Zeker migrantenliteratuur wordt vaak gezien als autobiografisch. Men denkt: als een migrant over een kwestie schrijft, dan zal hij of zij het zelf wel hebben meegemaakt.”

Als lezer leef je 250 pagina’s mee met de personages en word je vervolgens vergast op een lesje literatuur- en cultuurinterpretatie. Dit lijkt u hard nodig te vinden.

“Mijn nawoord is inderdaad belerend. Ik voelde de behoefte om dingen te vertellen buiten het verhaal om. Het is net alsof er na college een student naar me toekomt voor een gesprek over de stof. Als schrijver reageer je niet op de lezers; dat dóe je niet. Soms moet je hautain zijn en je gedachten maar uiten.”

Is het, literair gesproken, niet juist een zwaktebod om achteraf te moeten uitleggen dat cultuurverschillen moeilijk over te brengen zijn en dat ‘niets overdreven is’ in uw roman?

“Nee. De ervaring heeft mij geleerd dat veel van mijn lezers in het Westen zich werkelijk niet kunnen voorstellen dat de dingen die ik beschrijf realiteit zijn. Dat kun je in de roman zelf niet duidelijk maken. Daarvoor moet je als het ware buiten de roman gaan staan. Je kunt zeggen dat een roman voor zich moet spreken, maar sommige dingen kún je niet beschrijven in een roman. Het is trouwens niet helemaal ongebruikelijk om een nawoord op te nemen in een roman. Thomas Mann schreef bij Doctor Faustus een nawoord dat even dik is als het boek zelf.”


Twee jaar geleden besloot u uw baan als mensenrechtenjurist voor de Raad van Europa op te geven om u fulltime te wijden aan het schrijverschap. Bevalt het?

“Ik heb de leukste baan van de wereld opgegeven om te gaan schrijven, het eenzaamste beroep dat er is. Schrijven is heel zwaar, maar het geeft veel voldoening. Als schrijver heb je de tijd om veel te denken en te lezen, om te verkeren in gezelschap van grote denkers als Jezus, Plato en Tolstoj. Het is een geschenk dat ik op de schouders van de grote meesters mag staan. Ze hebben de wereld ideeën, inzichten en waarheden geschonken, waardoor beschaving is ontstaan – the best that has been said and thought. Hoe meer ik schrijf, hoe eervoller het voelt. In mijn werk gaat het altijd over de confrontatie tussen Oost en West, de relatie tussen mannen en vrouwen en de positie van de vrouw. In het verleden schreef ik uit boosheid, uit rechtvaardigheidsgevoel of om taboes te doorbreken. Nu gaat het me puur om de waarheid. Wat me drijft, is iets tussen ziekte en roeping.”

Naema Tahir: Bruid van de dood. De Geus, €19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Sacha de Rooij