Instant-interventies

Hoewel de interventie in Libië onvermijdelijk was en je er om die reden moeilijk kritiek op kunt hebben, blijft toch het gevoel hangen dat de leiders die ertoe besloten niet goed weten waar ze aan zijn begonnen. Neem Nicolas Sarkozy. De Franse hyperpresident nam spontaan het initiatief om de oude kolonel Kadhafi te laten vallen en kreeg daarvoor brede steun in eigen land, waar angst bestaat dat Frankrijk het zich niet weer kan permitteren om de rebelse Noord-Afrikaanse jeugd tegen zich in het harnas te jagen. Dat was intuïtief juist, en behalve Duitsland kreeg Sarkozy het hele Westen mee, waardoor Frankrijk zich even kan wentelen in de grandeur van weleer. Maar als dat alle honing is in een wespennest, wachten er nog heel wat steken.

Barack Obama verschool zich juist. Hij was tot het laatste moment tegen de interventie, omdat hij tegen interventies is, niet in regime change gelooft (al moet Kadhafi van hem weg) en van mening is dat Amerika in eigen huis en daarbuiten al genoeg op zijn dak heeft. Dat de machtigste man van de wereld, die de wereld niet echt wil leiden, toch overstag ging, kwam naar eigen zeggen omdat Libië geen Irak is, er een verzoek tot ingrijpen lag van de Arabische Liga en de VN, er een zeer gewelddadige toestand dreigde voor het Libische volk en Amerika daar iets tegen kon doen. Zoals Obama het voorstelde, greep Amerika niet in omdat de president het wilde, maar omdat de omstandigheden hem geen andere keus lieten. Een koele analyse, maar een Amerikaanse president die de wereld beschrijft alsof hij daarbuiten staat, maakt zich tot speelbal van anderen. Dat is zeker het geval als hij de Amerikaanse strijdkrachten opdracht geeft in actie te komen en de Europeanen, die zonder die steun niks kunnen, oproept snel de leiding over te nemen. Dat kan slechts tot nieuwe verwarring leiden.

Daar kun je Obama om bekritiseren, maar tegelijkertijd is Obama de president met wie we het moeten doen. Hij reageert ook niet heel anders dan Bill Clinton, die ook pas intervenieerde toen het niet anders kon (in 1995 in Bosnië en in 1999 in Kosovo, op aandrang van Madeleine Albright, zijn minister van Buitenlandse Zaken). Dat Hillary Clinton nu Obama’s man in het State Department is, biedt enig houvast. Niet dat vrouwen besluitvaardiger zijn, al spoorde Margaret Thatcher in 1990 vader Bush aan de inval van Irak in Koeweit ongedaan te maken, maar wel dat de diplomatie van de Democraten een slagje anders is dan die van de Republikeinen, die zichtbaar Amerikaans leiderschap prefereren. De Democraten doen zich graag bescheiden voor. Uiteindelijk schieten ze allebei, uit de heup als een echte sheriff of tegen heug en meug, zoals Obama, die er zijn deputy op afstuurt. Dat gaat samen met geheime acties en het bewapenen van opstandelingen.


Twee maanden geleden kon niemand vermoeden dat er kruisraketten zouden worden afgeschoten op Libië. Inmiddels hoor je klachten dat het ingrijpen al bijna te laat was, dat heldere doelstellingen ontbreken en dat er geen exitstrategie is. Ik denk dat dit inherent is aan dit soort interventies en dat er daarvan nog veel meer gaan komen. In de jaren negentig hebben we op de Balkan en in Irak al voorproefjes gezien, en ik denk dat het instant-karakter nog zal toenemen. Ingrijpen moet snel gebeuren, anders is het te laat en het momentum voorbij. Dat betekent ook dat er geen plannen kunnen worden gemaakt en dat interventies halfslachtig zijn en op hoop van zegen.

Israël voert al jaren zulke oorlogjes, maar is er mentaal op voorbereid en kan militair-strategische prioriteiten laten prevaleren. Voor NAVO-landen wordt elk ingrijpen door gelegenheidsargumenten bepaald. Het Westen is hoe dan ook partij, en afzijdigheid blijkt telkens een illusie. Ineens sta je met een helikopter op een strand in Libië, zoals Nederland overkwam. Onze politici, met hun denkraam van regeltjes en procedures, leggen daarvoor weinig gevoel aan de dag. Dan kun je ook geen lessen voor de toekomst leren en loop je altijd achter de feiten aan.

import dirk jan van baar