Missers van de schoolmeester

In zijn debuutroman wil Anil Ramdas voortdurend zijn kennis etaleren. Pijnlijk als hij er dan naast zit.

Je hebt schrijvers die alleen een verhaal vertellen, je hebt schrijvers die een verhaal vertellen en hun lezers ondertussen een beetje onderwijzen, en je hebt schrijvers voor wie een verhaal een excuus is om een halve encyclopedie aan weetjes over hun lezers uit te storten. Anil Ramdas behoort tot de laatste categorie, althans als je afgaat op zijn debuutroman Badal.

Ramdas schreef eerder columns, essays, een novelle, een toneelstuk, en hij maakte radio- en tv-programma’s. De rode draad in zijn werk is, bij gebrek aan een betere term, de multiculturele samenleving. Thema’s als cultuurverschillen, nationale identiteit, migratie. Ramdas vermengt maatschappijkritiek met biografische anekdoten, verhalen en persoonlijke sentimenten. Die aanpak leidt regelmatig tot prikkelende stukken. Vermakelijke stukken ook, al zal dat niet altijd zijn bedoeling zijn geweest. In een veelbesproken artikel van een half jaar terug wond hij zich op over PVV-stemmers. Het artikel stond vol met lachwekkende drogredeneringen en generalisaties, op zo’n manier dat je je niet zozeer afvroeg: hoe zou je dit moeten bestrijden, maar eerder: waar zou je in godsnaam moeten beginnen?

Ook Harry Badal, Ramdas’ titelheld, maakt zich boos over de PVV. Hij ziet een verband tussen het ontstaan van Nederlandse white trash en het succes van die partij. Hij wil er een vernietigend essay over schrijven – het essay dat hem in één klap moet rehabiliteren. Na een lange serie gnante (en levensbedreigende) dronkenschappen is Badals journalistieke carrière in het slop geraakt. Hij wordt door zijn vrouw het huis uit gegooid en huurt een studio in Zandvoort. Afkicken en eindelijk weer iets goeds schrijven is het plan. Af en toe krijgt hij bezoek van een platonische vriendin, met wie hij op zijn leven terugkijkt. Niet dat de vriendin daar voor nodig is – Badal kijkt aan één stuk door terug. Langzaamaan krijgen we een beeld van zijn geschiedenis, ongeveer vanaf zijn aankomst op Schiphol (hij verliet Suriname om in Nederland te studeren) tot aan het moment dat hij zich in Zandvoort meldt.


Als Ramdas het daarbij had gelaten, was Badal een roman geweest met een interessante, wat pedante hoofdpersoon voor wie je toch sympathie voelt, omdat hij een bepaalde charme bezit en zich bij vlagen bewust is van zijn tekortkomingen. Maar dat was niet genoeg, blijkbaar. Een groot deel van de roman bestaat uit wist-je-datjes en verwijzingen naar schrijvers en andere kunstenaars. Die passages voelen een beetje als de reclameblokken op een commerciële tv-zender. Telkens als je langer dan een paar minuten in het verhaal opgaat, wordt het onderbroken – niet door reclames voor wasmiddel of luchtige toetjes, maar door reclames voor Badals kennis.

Op zichzelf hadden die verhandelingen geen probleem hoeven zijn, als er echt iets bijzonders werd verteld. Maar over veel meer dan een verzameling elementaire trivia lijkt Badal niet te beschikken. En zijn vrienden evenmin. Als een gesprek op de Tachtigjarige Oorlog komt, zegt Badal: “Die eindigde pas in 1648.”

“En dat weet jij uit het hoofd?” vraagt zijn platonische vriendin.

Bovendien slaat Badal herhaaldelijk de plank mis, bijvoorbeeld als hij zich een gesprek inbeeldt tussen hemzelf en zijn dochter, een gesprek waarin zijn dochter al haar verwijten glashelder uitspreekt. “Zo’n conversatie als in Engelse drama’s, als in stukken van Harold Pinter, in een cultuur waarin alles gezegd en bekend moest worden.” Als er één schrijver is die ijzersterk was in pijnlijke stiltes, in ellende die juist níet wordt uitgesproken, was het Pinter wel. Het is alsof je de Griekse tragedies aanhaalt vanwege de gelukkige afloop.

De verwijzing naar Pinter had grappig kunnen zijn als Ramdas hem gebruikt had om Badals onmacht te illustreren. Maar de schrijver lijkt zelf niet door te hebben dat de verwijzing mank gaat, en je krijgt vooral de indruk dat hij zijn personages gebruikt om zijn eigen kennis te etaleren.


Hoofdpersoon Badal spuugt op mensen die simpele tv-programma’s kijken of naar André Hazes luisteren. Soms ziet hij het belachelijke van zijn strenge voorschriften in, maar dat maakt zijn gedram nog niet verteerbaar. Badals gevolgtrekkingen bestaan vooral uit vergezochte generalisaties, en dat hij zich daar uiteindelijk bewust van wordt, maakt weinig uit: de lezer heeft zich er dan al doorheen moeten worstelen. “Cultuurminnaars gingen naar musea, Zandvoort was er voor de barbaren.” Een typische Badal-observatie. Cultuurminnaars, u weet wel: die mensen die stukken van Pinter aanhalen in een verkeerde context.

Het zijn juist de meer persoonlijke drama’s die overtuigen: Badals worsteling met de drank. Of het conflict tussen zijn gezinsleven aan de ene kant, en zijn werklust en bewijsdrang aan de andere. In die conflicten is Badal nog steeds pretentieus op het irritante af, maar ook aandoenlijk. Je gunt hem een oplossing, een doorbraak, je hoopt dat hij een uitweg vindt.

Het is jammer dat Ramdas zo nadrukkelijk de onderwijzer uithangt. Hij heeft het niet nodig. Als schrijver kan hij ontroerend en grappig zijn. Als onderwijzer is hij voorspelbaar en weinig inspirerend.

Anil Ramdas: Badal. De Bezige Bij, €19,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Dries Muus